Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag

Onderdeel van Circulaire toelating en uitzetting Bonaire, Sint Eustatius en Saba· Migratierecht

Deze tekst geldt sinds 1 oktober 2015

Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika met bijbehorend Protocol (Trb. 1956, 40) dat integrerend onderdeel uitmaakt van het verdrag (hierna: het Verdrag), heeft als doel de handel tussen Nederland en de Verenigde Staten van Amerika te vergemakkelijken. Het verdrag en Protocol zijn op 5 december 1957 inwerking getreden voor de alle toenmalige landen van het Koninkrijk. Het Verdrag is nog steeds van kracht, en dus ook van toepassing in de openbare lichamen. Het internationale recht, waaronder verdragen, gaat vóór het recht dat geldt in het Koninkrijk der Nederlanden en eist dat de verdragspartij zijn aangegane verplichtingen nakomt. De wijze waarop verdragsbepalingen in de rechtsorde van het Koninkrijk der Nederlanden doorwerken wordt echter niet geregeld door het internationale recht. Dit is een aangelegenheid van nationaal procedureel recht (zie artikel 9.3 BTU-BES). Het Gemeenschappelijk Hof van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft op 15 december 2014 uitspraak gedaan inzake de uitleg van artikel 3 van het Protocol bij het Nederlands-Amerikaans verdrag inzake vriendschap, handel en scheepvaart. De strekking van deze uitspraak is dat Amerikaanse onderdanen in het Caribisch Deel van het Koninkrijk – en daarmee op het grondgebied van de openbare lichamen – aanspraak hebben op gelijke behandeling als Nederlanders die niet in het Caribisch Deel van het Koninkrijk zijn geboren. Dit betekent dat Amerikaanse onderdanen, net als Nederlanders op wie de WTU-BES (grotendeels) van overeenkomstige toepassing is, een vrije termijn van maximaal zes maanden hebben in een tijdbestek van een jaar (in plaats van drie maanden binnen een periode van zes maanden). Voorts komen zij in aanmerking voor een verklaring inzake toelating van rechtswege als ze aan de voorwaarden voldoen, waaraan ook bedoelde Nederlanders moeten voldoen. De voorwaarden staan omschreven in hoofdstuk 2 van de CTU-BES. Mocht een Amerikaans onderdaan toch aanspraak willen maken op een verblijfsvergunning op grond van het Nederlands-Amerikaans vriendschapsverdrag, dan gelden de voorwaarden zoals omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk. Onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika mogen in de openbare lichamen verblijven: om handel te drijven tussen de grondgebieden van de twee partijen en zich bezig te houden met daarmee samenhangende of in verband staande werkzaamheden op handelsgebied (zie artikel II, eerste lid, onder a, van het Verdrag); om de bedrijfsuitoefening van een onderneming waarin zij een aanzienlijk kapitaal hebben belegd of waarin zij daadwerkelijk bezig zijn dat te doen, te ontwikkelen en te leiden (zie artikel II, eerste lid, onder b, van het Verdrag); en voor andere doeleinden met inachtneming van de wetten met betrekking tot de toelating en het verblijf van vreemdelingen (zie artikel II, eerste lid, onder c, van het Verdrag). De voorwaarden van artikel II, eerste lid, onder a en b, van het Verdrag zijn niet cumulatief, maar alternatief. Dit betekent dat de Amerikaanse onderdaan als regel recht op toegang en verblijf heeft op grond van het Verdrag als hij voldoet aan de voorwaarden die zijn genoemd in één van die beide artikelonderdelen. De onderdelen a en b, moeten en met name ook onderdeel c moet in samenhang met artikel 3 van het Protocol, op grond van de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van 15 december 2014, aldus worden uitgelegd, dat Amerikaanse onderdanen die aan de voorwaarden voldoen waaraan Nederlanders moeten voldoen voor een toelating van rechtswege eveneens aanspraak op toelating van rechtswege hebben. Een onderdaan van de Verenigde Staten van Amerika die, op grond artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag, voorzetting van het verblijf wenst in de openbare lichamen, hoeft niet te voldoen aan het middelenvereiste zoals neergelegd in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de WTU-BES, als hij voldoet aan de overige voorwaarden zoals omschreven in dit hoofdstuk. Overigens zijn de onderdanen van de Verenigde Staten van Amerika in de openbare lichamen onderworpen aan de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen van de WTU-BES. Dit geldt zowel op het gebied van toegang en verblijf als op het gebied van de gronden waarop hun verblijf of voortzetting van verblijf kan worden ontzegd (zie artikel II, vierde lid, van het Verdrag). Dit sluit de mogelijkheid niet uit om maatregelen toe te passen die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde en voor de bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Hiermee wordt, voor zover hier van belang, bedoeld maatregelen die zijn voorzien bij de WTU-BES, zoals: weigering van de toegang; weigering van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd; weigering van verlenging van een dergelijke vergunning, evenals intrekking ervan; weigering van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd of intrekking daarvan; en ongewenstverklaring. Op grond van artikel II, vierde lid, van het Verdrag laten de bepalingen van dat artikel namelijk het recht van ieder der Partijen onverlet om maatregelen toe te passen, welke noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde en ter bescherming van de volksgezondheid, de goede zeden en de veiligheid. Zoals blijkt uit de memorie van antwoord (Kamerstukken I, 1956–57, nr. 4338 (R38), nr. 140a, p2, rechter kolom) moet onderscheid worden gemaakt tussen het begrip ‘openbare orde’ in het Nederlandse staatsrecht en ditzelfde begrip in verdragen als het onderwerpelijke. Onder ‘maatregelen ter handhaving van de openbare orde’ in de zin van artikel II, vierde lid, van het Verdrag moeten niet alleen incidentele overheidsmaatregelen te voorkoming van onmiddellijk dreigende ordeverstoring worden begrepen, maar ook wettelijke bepalingen welke zijn geschreven met het oog op de handhaving van de openbare orde in de ruimste zin van het woord. Ad b Bedrijfsuitoefening Onder het begrip ‘bedrijfsuitoefening van een onderneming’ moet ook worden verstaan een persoon die een Amerikaanse onderneming in de openbare lichamen vertegenwoordigt en in dienst van deze onderneming in een sleutelfunctie werkzaam is (zie punt 2 van het Protocol). Een vreemdeling die een vrij beroep uitoefent valt in het algemeen onder de werking van het Verdrag. Beroepsbeoefenaren met een zekere publieke taak, dan wel een functie in de gezondheidszorg of publieke veiligheidsector, worden van de werkingssfeer van het Verdrag uitgesloten. De werkzaamheden die iemand uitoefent, zijn daarom van belang bij de bepaling of de vreemdeling onder werking van het Verdrag valt. Hieronder volgt een uitleg van het begrip ‘aanzienlijk kapitaal’ ten aanzien van de diverse mogelijke ondernemingsvormen. Eenmanszaak: een zodanig kapitaal, dat de ondernemer zelfstandig het bedrijf kan exploiteren. Dit moet per geval worden bekeken, maar als minimum wordt USD 4.500 aangehouden. Vennootschap onder firma (VoF): ten minste 25% van het firmakapitaal, met als minimum USD 4.500. Commanditaire vennootschap: voor de beherende vennoot geldt hetzelfde als bij een vennootschap onder firma. De stille vennoot oefent geen bedrijf uit en valt daarom niet onder het bepaalde in het verdrag. Besloten vennootschap (BV): ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in de openbare lichamen ten minste USD 18.000, zodat het ‘aanzienlijk kapitaal’ ten minste USD 4.500 zal beslaan. Naamloze vennootschap (NV): ten minste 25% van het gestorte kapitaal. Het gestorte kapitaal is in de openbare lichamen ten minste USD 45.000, zodat het ‘aanzienlijk kapitaal’ ten minste USD 11.250 zal beslaan. Andere ondernemingsvormen: per geval bekijken. Het moet gaan om eigen kapitaal, niet om geleend geld. Het belegde ‘aanzienlijk kapitaal’ moet op peil worden gehouden. Dit houdt in dat het kapitaal nooit lager mag zijn dan het voor de desbetreffende ondernemingsvorm geldende minimum. De vreemdeling moet ter onderbouwing van zijn aanvraag recente cijfers overleggen die zijn gecontroleerd door een daartoe bevoegde externe deskundige. De onderneming moet zijn ingeschreven in het handelsregister op het betreffende openbare lichaam met een omschrijving van het bedrijf of de bedrijven die in de onderneming worden uitgeoefend. Ad a: Bij een eenmanszaak kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met enerzijds een bankafschrift van de onderneming waarop het geïnvesteerde geldbedrag staat én anderzijds de (openings)balans waarop het bedrag staat vermeld achter de rekening ‘Eigen vermogen’ (= de schuld van de zaak aan de eigenaar). Ad b: Bij een VoF kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met enerzijds een oprichtingsakte (of contract) waarin staat hoe groot de financiële deelname is van iedere vennoot en anderzijds de (openings)balans waarin aan de rechterkant (credit) de rekeningen staan met de bedragen zoals die in de oprichtingsakte staan vermeld. Deze rekeningen heten ‘Vermogen’ en dan de eigen naam van de vennoot. Bij een VoF wordt het woord ‘Eigen’ weggelaten en wordt in plaats daarvan de naam van de vennoot eraan toegevoegd. Dus bijvoorbeeld ‘Vermogen Robinson 100.000 ’. Er kan ook een bankafschrift van de onderneming worden gevraagd als bewijs dat het geld daadwerkelijk is overgemaakt. Ad c. en d: Bij een BV en een NV kan het aanzienlijk kapitaal worden aangetoond met de oprichtingsakte. De vreemdeling moet bij de aanvraag de volgende documenten overleggen: een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier; kopie geldig document voor grensoverschrijding; een recent en origineel uittreksel van de inschrijving van de onderneming/het bedrijf in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; bewijsstukken waar de ondernemingsvorm uit blijkt; bewijsstukken waaruit blijkt dat de vreemdeling een aanzienlijk kapitaal heeft geïnvesteerd in zijn onderneming of bedrijf; bewijs van rechtmatig verblijf van de hoofdpersoon; een ondertekende antecedentenverklaring (geïntegreerd in het aanvraagformulier); gelegaliseerde/geapostilleerde verklaring van goed gedrag, afgegeven door een bevoegde autoriteit in het land van herkomst (niet ouder dan drie maanden op het moment van indiening van de aanvraag); indien van toepassing: bewijs onderzoek TBC; bewijs ziektekostenverzekering (geïntegreerd in het aanvraagformulier). Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederland, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler. De vreemdeling moet bij de aanvraag de volgende documenten overleggen: een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier; kopie geldig document voor grensoverschrijding; een kopie van de arbeidsovereenkomst; een ingevulde en ondertekende werkgeversverklaring (MBES29) niet ouder dan drie maanden op het moment van indiening van de aanvraag; kopie paspoort werkgever; bewijsstukken dat de vreemdeling werkzaam is als sleutelpersoneel; indien van toepassing: een kopie van de (aanvraag) TWV; bewijs van rechtmatig verblijf van de hoofdpersoon; ondertekende antecedentenverklaring (geïntegreerd in het aanvraagformulier); gelegaliseerde/geapostilleerde verklaring van goed gedrag, afgegeven door een bevoegde autoriteit in het land van herkomst (niet ouder dan drie maanden op het moment van indiening van de aanvraag); indien van toepassing: bewijs onderzoek TBC; bewijs ziektekostenverzekering (geïntegreerd in het aanvraagformulier). Alle stukken moeten zijn opgesteld in het Nederland, Engels of Papiaments of zijn vertaald door een betrouwbare vertaler. Als een Amerikaanse vreemdeling (hoofdpersoon) die op grond van het Verdrag in de openbare lichamen verblijft geen arbeid in loondienst als sleutelpersoneel wenst te verrichten, moet wijziging van de vergunning worden gevraagd en moet de werkgever beschikken over een TWV (zie hoofdstuk 4 ‘Arbeid in loondienst’ en punt 11 van het bijbehorende Protocol). Aan de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind – ongeacht hun nationaliteit – van een persoon die op grond van artikel II, eerste lid, onder a of b, van het Verdrag is toegelaten (de hoofdpersoon), kan verblijf worden toegestaan, indien zij hem vergezellen of voor gezinshereniging nareizen. Het verblijf van de echtgeno(o)t(e) of ongehuwd minderjarig kind van de hoofdpersoon, ongeacht hun nationaliteit, kan met toepassing van artikel 9 WTU-BES worden geweigerd, met uitzondering van het middelenvereiste (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, WTU-BES). Dit geldt, zolang de hoofdpersoon voldoet aan de voorwaarden van het Verdrag, zowel voor eerste toelating als ook voor de verlengingsaanvraag van de gezinsleden. De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt, al naar gelang de situatie, verleend onder de beperking: ‘arbeid als zelfstandige voor (naam onderneming) op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag’; of ‘arbeid in loondienst als vertegenwoordiger van (naam vertegenwoordigde) op grond van het Nederlands-Amerikaans Vriendschapsverdrag’. De afhankelijke verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan echtgenoten en de minderjarige kinderen wordt verleend onder de beperking: ‘Verblijf bij .............. (naam hoofdpersoon).’ Aan de vergunning wordt als voorschrift verbonden de verplichting voldoende te zijn verzekerd tegen ziektekosten met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of een psychiatrische inrichting. Op grond van artikel 5.25 BTU-BES wordt de verblijfsvergunning verleend voor één jaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel