**1.** Onze Minister kan de buitengewoon agent van politie de volgende disciplinaire straffen of maatregel opleggen:
schriftelijke berisping;
schorsing voor bepaalde tijd;
ontslag.
**2.** Bij het opleggen van een straf of maatregel, genoemd in het eerste lid, kan worden bepaald dat deze niet ten uitvoer wordt gelegd, indien de buitengewoon agent van politie zich gedurende een bij het opleggen van de straf of maatregel te bepalen termijn van maximaal twee jaren, niet schuldig maakt aan plichtsverzuim en zich houdt aan bij de strafoplegging eventueel te stellen bijzondere voorwaarden. De bijzondere voorwaarden mogen de godsdienstige of staatkundige vrijheid niet beperken.
**3.** Indien de buitengewoon agent van politie zich binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, wederom schuldig maakt aan plichtsverzuim dan wel zich niet houdt aan een gestelde bijzondere voorwaarde, bedoeld in het vijfde lid, kan Onze Minister gelasten dat de opgeschorte straf of maatregel alsnog ten uitvoer wordt gelegd.
**4.** De straf of maatregel, behalve die van schriftelijke berisping, wordt niet ten uitvoer gelegd zolang zij niet onherroepelijk is geworden, tenzij bij de strafoplegging is bepaald dat deze onmiddellijk ten uitvoer wordt gelegd.
**5.** De artikelen 103, 104 en 105 van het Besluit rechtspositie korps politie BES zijn van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk 6
Artikel 35
Artikel 35
Onderdeel van Besluit buitengewone agenten van politie BES· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2011