**1.** In de vergunning voor het beheer van een douane-entrepot wordt, met inachtneming van de artikelen van deze afdeling, in elk geval bepaald:
op welke gronden de vergunning aan de beoogd beheerder is verleend, in het bijzonder de gebleken economische behoefte;
op welke voorwaarden de vergunning is verleend, in het bijzonder ten aanzien van de ligging, de afscheiding van andere percelen en de bouw van de betreffende inrichting;
op welke wijze de goederenrekening van de in- en uitslag van goederen wordt bijgehouden;
dat een voorraadadministratie en een administratieve organisatie worden gevoerd overeenkomstig de daaraan te stellen eisen, in gevallen waarin wordt afgezien van ambtelijke sluiting van het douane-entrepot;
de vorm van zekerheidstelling, in gevallen waarin wordt afgezien van ambtelijke sluiting van het douane-entrepot;
welke soorten goederen mogen worden opgeslagen;
welke behandelingen van goederen zijn toegelaten en onder welke voorwaarden toestemming voor die behandelingen wordt verleend;
welke nadere bestemmingen aan de opgeslagen goederen mogen worden gegeven en binnen welke termijnen die bestemmingen moeten worden bereikt;
op welke wijze het douanetoezicht wordt uitgeoefend, in het bijzonder ten aanzien van de in- en uitslag en de aanwezigheid van de goederen;
de gronden voor intrekking van de vergunning.
**2.** In de vergunning kunnen per goederensoort de minimum hoeveelheden die per keer moeten worden in- of uitgeslagen, worden vastgesteld en kan worden bepaald dat detailverkoop van goederen uit het douane-entrepot niet is toegestaan.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.12
Artikel 2.40
Artikel 2.40
Onderdeel van Uitvoeringsbesluit Douane- en Accijnswet BES· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013