Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Berekening van het rentebestanddeel in kapitaaluitkeringen uit levensverzekering.

Onderdeel van Besluit Wet op de inkomstenbelasting BES· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2011

Tot de opbrengst van roerend kapitaal als bedoeld in artikel 5 van de Wet wordt mede gerekend rente die is begrepen in de uitkeringen uit kapitaalverzekeringen. De Wet bevat geen voorschriften voor de berekening van de hoogte van dit rentebestanddeel. Een praktische methode – mede door het feit dat deze methode bijna altijd in het voordeel van de belastingplichtige is – is de wijze van berekening als omschreven in artikel 33, vierde lid van het vóór 1965 in Nederland van kracht geweest zijnde Besluit op de inkomstenbelasting 1941. Dit lid bepaalt: ‘Het bedrag der interessen, begrepen in kapitaaluitkeringen uit levensverzekering, wordt voor elk vol jaar van de looptijd van de verzekering gesteld op driekwart ten honderd van de verzekerde som, met dien verstande dat niet meer dan vijfentwintig jaar in aanmerking wordt genomen. Genoemd percentage wordt tot anderhalf verhoogd indien een koopsom is gestort, tenzij het een collectieve verzekering betreft.’ Gebleken is dat deze methode in de praktijk van de aanslagregeling eenvoudig is toe te passen en tot een redelijke uitkomst leidt. Ik keur goed dat de rente begrepen in de uitkeringen van kapitaalverzekeringen als volgt wordt bepaald: voor elk vol jaar van de looptijd van de verzekering wordt het rentebestanddeel gesteld op driekwart percent van de verzekerde som, met dien verstande dat niet meer dan vijfentwintig jaar in aanmerking wordt genomen; het percentage wordt gesteld op anderhalf percent indien een koopsom is gestort, tenzij het een collectieve verzekering betreft. Het vorenstaande laat onverlet dat het een belastingplichtige vrij staat aan te tonen dat een door hem overlegde wijze van berekening juister is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel