**1.** Bergingsmiddelen en laadruimten waarin goederen zullen worden doorgevoerd, waarvoor
naar het oordeel van de inspecteur identificatiemaatregelen als bedoeld in artikel 2.55 van de wet, noodzakelijk zijn, zijn zodanig ingericht of toegerust dat:
een verzegeling daaraan gemakkelijk kan worden aangebracht;
goederen daaruit niet kunnen worden verwijderd of daarin niet kunnen worden geplaatst zonder sporen van braak achter te laten of zonder de verzegeling te beschadigen of te verwijderen;
zij geen verborgen ruimten bevatten waarin goederen aan het douanetoezicht kunnen worden onttrokken; en
alle ruimten waarin goederen kunnen worden geborgen, toegankelijk zijn voor de inspecteur.
**2.** Indien een bergingsmiddel of laadruimte niet vatbaar is voor verzegeling kan, indien de inspecteur daarvoor toestemming geeft, de identiteit van de goederen worden gewaarborgd door:
een grondige opneming van de goederen met vermelding van de resultaten daarvan op het document;
het verzegelen van de afzonderlijke verpakkingseenheden;
een nauwkeurige aanduiding van de goederen door middel van monsters, plattegronden, schetsen, foto’s en dergelijke, die aan het document zullen worden gehecht;
de route waarlangs en de tijdstippen waarop de goederen worden vervoerd voor te schrijven; of
de begeleiding van de goederen.
**3.** De inspecteur kan de middelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen d en e, ook
toepassen indien dit noodzakelijk is ter waarborging van de identiteit van goederen, die onder verzegeling worden doorgevoerd.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane-
en Accijnswet BES in werking treedt.
Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane- en Accijnswet BES in werking
treedt.
Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.9
Artikel 2.39
Artikel 2.39
Onderdeel van Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2011