Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 2.14

Artikel 2.59

Artikel 2.59

Onderdeel van Uitvoeringsregeling Douane- en Accijnswet BES· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2011

1. Inlading en uitvoer van goederen zijn toegestaan op plaatsen waar douanekantoren zijn gevestigd. 2. De inspecteur kan echter op verzoek, rekening houdend met de aard of met de bestemming van de goederen, toestaan dat de inlading en de uitvoer op andere plaatsen worden verricht. 3. Voordat goederen worden ingeladen, wordt de aangifte ten uitvoer, met vermelding in ieder geval van: de naam van het schip; de hoeveelheid en de soort van de goederen volgens de algemene handelsbenaming; en de waarde van de goederen; bij het bevoegde douanekantoor ingediend. 4. Op de goedkeuring van ruimten, terreinen of andere locaties voor uitgaande opslag als bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, van de wet zijn de artikelen 2.21, 2.22 en 2.24 van overeenkomstige toepassing. 5. Het op de aangifte ten uitvoer afgegeven document wordt, ter dekking van de uitgaande opslag, ingediend bij de ambtenaren, belast met het toezicht op de inslag. 6. De uitvoer is gerealiseerd zodra de goederen zijn uitgegaan. 7. Indien voor de opslag in een inrichting voor uitgaande opslag een rekening wordt gehouden, wordt de rekening gedebiteerd op vertoon van het uitvoerdocument. Daarvan wordt aantekening gesteld op het document. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane- en Accijnswet BES in werking treedt. Treedt in werking op het tijdstip waarop de Douane- en Accijnswet BES in werking treedt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel