Naar hoofdinhoud

Paragraaf 2:

Artikel 2.6

Hoogte subsidie

Onderdeel van Deelregeling projectsubsidies Fonds Podiumkunsten· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 2026

1. Voor subsidiering komen uitsluitend de volgende kosten in aanmerking: personeelskosten; voorbereidings- en uitvoeringskosten; kosten voor marketing en publiciteit; bureau- en huisvestingskosten. 2. Niet voor subsidiëring in aanmerking komen: kosten voor activiteiten die op het moment van indiening van de aanvraag reeds zijn gerealiseerd; structurele investeringen, zoals kosten die betrekking hebben op exploitatie, investeringen in accommodaties en de aanschaf van instrumenten; kosten die redelijkerwijs niet voor subsidie in aanmerking komen. 3. De aanvrager moet kunnen aantonen dat de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Daarvan is in ieder geval geen sprake voor zover kosten hoger zijn dan bestaande normen of anderszins afwijken van wat de gangbare praktijk in het veld is. 4. Als de aanvraag betrekking heeft op het hernemen van een eerder ontwikkelde productie bedraagt de subsidie maximaal 40 procent van de subsidiabele kosten. 5. Het bestuur kan bepalen dat een productiesubsidie nooit meer bedraagt dan een bepaald bedrag. 6. Het bestuur kan, in afwijking van artikel 2.4 derde lid, bepalen dat bij een vastgesteld of nog vast te stellen maximaal subsidiebedrag, geldt dat ten minste 50 procent van de subsidiabele kosten wordt gedekt door eigen inkomsten. 7. Een besluit als bedoeld in het vijfde en zesde lid wordt bekendgemaakt door kennisgeving daarvan in de Staatscourant en op de website van Fonds Podiumkunsten. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel