Alvorens zijn ambt te aanvaarden, legt de ambtenaar, bedoeld in artikel 28 van de wet, de volgende eed (verklaring en belofte) van zuivering af:
‘Ik zweer/verklaar, dat ik middellijk of onmiddellijk, onder welke vorm of onder welk voorwendsel, tot het verkrijgen mijner benoeming aan niemand, wie hij ook zij, iets heb gegeven of beloofd of zal geven of beloven. Ik zweer/beloof, dat ik, om iets hoegenaamd in mijn betrekking te doen of te laten, van niemand hoegenaamd, middellijk of onmiddellijk, enige beloften of geschenken zal aannemen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig! (Dat verklaar en beloof ik)’.
Daarna wordt door de ambtenaar de volgende eed of belofte afgelegd:
‘Ik zweer/beloof trouw aan de Koning, aan de Grondwet en aan de wetten des Rijks. Ik zweer/beloof, dat ik krachtens de wet uitgevaardigde voorschriften en de verordeningen zal nakomen en handhaven, dat ik de mij verstrekte opdrachten zal volbrengen en de zaken, waarvan ik door mijn ambt kennis draag en die mij als geheim zijn toevertrouwd of waarvan ik het vertrouwelijk karakter moet begrijpen, niet zal openbaren aan anderen dan aan hen, aan wie ik volgens de wet of ambtshalve tot mededeling verplicht ben, en dat ik mij als een nauwgezet en ijverig ambtenaar zal gedragen. Zo waarlijk helpe mij God almachtig! (Dat beloof ik!)’.
Artikel 8
Ambtseed
Onderdeel van Leerplichtregeling BES· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 30 april 2013