**1.** Onze Minister berekent het bedrag van de te verstrekken rijksbijdrage voor de beroepsopleidingen per instelling volgens de formule (p1 x q1) + (p2 x q2).
In deze formule wordt verstaan onder:
p1: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per student in de beroepsopleidende leerweg;
q1: het aantal studenten in de beroepsopleidende leerweg dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft daadwerkelijk een beroepsopleiding volgt aan de desbetreffende instelling;
p2: een bij ministeriële regeling vast te stellen bedrag per student in de beroepsbegeleidende leerweg;
q2: het aantal studenten in de beroepsbegeleidende leerweg dat op 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarop de rijksbijdrage betrekking heeft daadwerkelijk een beroepsopleiding volgt aan de desbetreffende instelling.
**2.** Indien de aanspraken het beschikbare budget voor het beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 2, overschrijden, wordt de rijksbijdrage voor de beroepsopleidingen per instelling naar evenredigheid verlaagd.
**3.** Indien het beschikbare budget voor het beroepsonderwijs, bedoeld in artikel 2, hoger is dan de berekende rijksbijdrages voor de beroepsopleidingen per instelling gezamenlijk, kan de rijksbijdrage voor de beroepsopleidingen worden verhoogd.
**4.** De op grond van het eerste lid berekende rijksbijdrage kan worden aangepast in verband met uit de rijksbegroting voortvloeiende maatregelen.
**5.** De hoogte van de rijksbijdrage voor de instelling wordt uiterlijk op 1 september van het jaar waarvoor de rijksbijdrage is verstrekt, vastgesteld.
Vindt voor het eerst toepassing met betrekking tot de berekening
van de bekostiging over kalenderjaar 2022.
Artikel 3
Berekening rijksbijdrage beroepsonderwijs
Onderdeel van Uitvoeringsbesluit WEB BES· Onderwijsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 oktober 2021