Naar hoofdinhoud

Artikel 14

Artikel 14

Onderdeel van Beschikking instantloterij 2011–2015· Bank- en effectenrecht, financiering

Deze tekst geldt sinds 1 oktober 2011

1. De afdracht van de krachtens deze vergunning georganiseerde instantloterijen wordt gevormd door het verschil tussen het totaal van de door de deelnemers bijeengebrachte inleg, en de som van de voor prijzen bestemde bedragen, de vergoeding voor de verkooppunten en de kosten die door De Lotto ten behoeve van de exploitatie van de instantloterijen worden gemaakt. 2. Als exploitatiekosten als bedoeld in het eerste lid worden uitsluitend aangemerkt de kosten die rechtstreeks verband houden met het organiseren van de kansspelen krachtens deze vergunning en die redelijkerwijs gerekend kunnen worden tot de normale bedrijfskosten. Andere kosten van de stichting kunnen niet als exploitatiekosten worden aangemerkt dan na goedkeuring door de staatssecretaris. 3. Onder de afdracht wordt mede begrepen de anders dan uit de krachtens deze vergunning georganiseerde kansspelen verworven inkomsten. 4. Onverminderd het tweede lid, kan ten behoeve van de continuïteit van de exploitatie een reservering worden gevormd. De omvang van deze reservering mag aan het einde van een kalenderjaar, ongeacht de periode waarin deze is opgebouwd, ten hoogste 2,5% bedragen van de nominale waarde van de in dat kalenderjaar verkochte deelnamebewijzen. De staatssecretaris kan voor de omvang van de reservering in bijzondere gevallen een hoger percentage vaststellen. De datum van inwerkingtreding ligt voor de datum van uitgifte.

Rechtspraak bij dit artikel