Artikel 36f, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalt sinds 1 januari 2011:
Indien de veroordeelde voor een misdrijf niet of niet volledig binnen acht maanden na de dag waarop het vonnis of arrest, waarbij de maatregel bedoeld in het eerste lid is opgelegd, onherroepelijk is geworden, aan zijn verplichting heeft voldaan, keert de staat het resterende bedrag uit aan het slachtoffer dat geen rechtspersoon is. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat deze uitkering gedurende een in deze algemene maatregel van bestuur te bepalen tijd wordt beperkt tot slachtoffers van gewelds- en zedenmisdrijven.
In het overgangsrecht van de Wet versterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces is bepaald dat artikel 36f, zesde lid, Sr alleen geldt voor schadevergoedingsmaatregelen die zijn opgelegd bij rechterlijke uitspraak die onherroepelijk is geworden na de inwerkingtreding van de wet op 1 januari 2011.
Artikel 6, tweede lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven bepaalt:
In gevallen waarin het onderzoek naar de vraag of in de vergoeding van de schade niet op andere wijze kan worden voorzien, dan wel het invorderen van het bedrag van de schade, zou leiden tot ernstige vertraging in de behandeling van het verzoek, of tot van de benadeelde in redelijkheid niet te vergen kosten, kan niettemin bij de uitkering met die schade rekening worden gehouden.
Artikel 1
Wettelijk kader
Onderdeel van Beleidsregel uitbreiding voorschotregeling voor oude bij het CJIB nog openstaande schadevergoedingsmaatregelen· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 2 december 2011