**1.** Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, worden in ieder geval betrokken:
de bestaande toestand van het milieu, voor zover inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, daarvoor gevolgen kunnen veroorzaken;
de gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, mede in hun onderlinge samenhang bezien;
de met betrekking tot inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, en de omgeving waarin zodanige inrichtingen zijn of kunnen zijn gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu;
de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die inrichtingen die tot de betrokken categorieën behoren, kunnen veroorzaken, te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen;
de redelijkerwijs te verwachten financiële en economische gevolgen van de maatregel.
**2.** Ten aanzien van de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen voorschriften zijn de artikelen 5.14, derde lid, eerste volzin, 5.15 tot en met 5.22 en 5.28, eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het stellen van financiële zekerheid slechts kan worden voorgeschreven in de vorm van het sluiten van een verzekering tegen aansprakelijkheid voor schade, voortvloeiend uit de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting veroorzaakt.
Hoofdstuk 5 › Paragraaf 5.2
Artikel 5.2
Artikel 5.2
Onderdeel van Wet volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer BES· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 1 april 2024