Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › § 3

Artikel 2.7

Betaalinstelling; elektronischgeldinstelling; financiëledienstverlener, met uitzondering van een financiëledienstverlener in groep A en B; houders van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft; of trustkantoor

Onderdeel van Beleidsregel geschiktheid 2012· Bank- en effectenrecht, financiering

Deze tekst geldt sinds 6 april 2016

1. Een beleidsbepaler van een betaalinstelling, een elektronischgeldinstelling, een financiëledienstverlener, met uitzondering van een financiëledienstverlener in groep A en B, een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft of een trustkantoor wordt bij zijn of haar aantreden geacht geschikt te zijn als bedoeld in onderdeel 1.2.1, indien hij of zij aantoont te beschikken over: bestuurlijke vaardigheden nodig voor het (dagelijks) beleid; leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding; en uitsluitend voor beleidsbepalers van bemiddelaars en adviseurs in beleggingsobjecten, betaalinstellingen, elektronischgeldinstellingen, houders van een ontheffing als bedoeld in artikel 4:3, vierde lid, Wft en trustkantoren: algemene en specifieke vakinhoudelijke kennis. 2. Deze vaardigheden en kennis zijn opgedaan in een relevante werkomgeving gedurende ten minste twee jaar, waarvan minimaal één jaar aaneengesloten. 3. Indien een onderneming als bedoeld in onderdeel 2.7.1 twee of meer beleidsbepalers heeft, is voor de toetsing van de leidinggevende vaardigheden in een hiërarchische verhouding voldoende dat één van die beleidsbepalers aantoont daarover te beschikken. 4. Indien een houder van een ontheffing als bedoeld in artikel 4.3, vierde lid Wft twee of meer beleidsbepalers heeft, is het voor de beoordeling van de specifieke vakinhoudelijke kennis als bedoeld in onderdeel 2.7.1.c voldoende dat het collectief gezamenlijk daarover beschikt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel