Binnen het rechtsgebied van een gerecht gelegen nevenvestigings- en nevenzittingsplaatsen die bij of krachtens de Wet op de rechterlijke organisatie, zoals deze luidde op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel I, waren aangewezen, worden, voor zover zij niet met ingang van die dag krachtens artikel 21b, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie bij algemene maatregel van bestuur als zittingsplaats zijn aangewezen, aangemerkt als zittingsplaatsen die krachtens artikel 21b, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie door de minister zijn aangewezen.
Hoofdstuk III
Artikel CVI
(Overgangsrecht nevenlocaties)
Onderdeel van Wet herziening gerechtelijke kaart· Procesrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013