Voor de toepassing van artikel 3:16 van het Bfm BES kwalificeren de AFM en DNB in elk geval de volgende categorieën functies bij een financiële onderneming als integriteitsgevoelig:
de functies van leidinggevende functionarissen die ressorteren onder op betrouwbaarheid te toetsen beleidsbepalers of medebeleidsbepalers, als bedoeld in artikel 3:4 van de Wfm BES, in het eerste echelon van de financiële onderneming, waaronder directeuren van business units, stafdirecteuren, hoofden van stafdiensten, adjunct-directeuren en overige leden van het management team op het niveau van de tweede echelon;
de zogenoemde sleutelfuncties waaraan een bevoegdheid is verbonden die een wezenlijk risico bevat voor de integere bedrijfsuitoefening door de financiële onderneming, bedoeld in artikel 3:8 van de Wfm BES, welke sleutelfuncties onder meer betrekking hebben op:
de beschikking over of het beheer van vermogen of waarden van de financiële onderneming of van derden, dan wel het aangaan van verplichtingen namens de onderneming (vertrouwensfuncties);
de toegang tot persoonsgegevens of bedrijfsgevoelige informatie over de financiële onderneming of over derden (risicofuncties); en
de uitvoering van controlerende of toezichthoudende werkzaamheden ten aanzien van de administratieve organisatie en het systeem van interne controle van de financiële onderneming en de naleving van toepasselijke wet- en regelgeving en interne voorschriften (overige sleutelfuncties); en tevens
de functies in de zin van de onderdelen a of b, indien die functies worden vervuld door personen die niet op basis van een arbeidsovereenkomst bij de financiële onderneming werkzaam zijn, maar bijvoorbeeld op inhuur- of detacheringsbasis te werk zijn gesteld.
Hoofdstuk 3 › § 3.1
Artikel 3
(integriteitsgevoelige functies)
Onderdeel van Regeling AFM en DNB nadere voorschriften Wfm BES en Wwft BES 2012· Bank- en effectenrecht, financiering
Deze tekst geldt sinds 28 augustus 2012