Na de staatkundige wijzigingen per 10 oktober 2010 is de Belastingdienst/Caribisch Nederland (BCN) competent voor de heffing en inning van de BES-belastingen op Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES).
Gelet op:
de staatkundige en bestuurlijke inrichting van de BES eilanden;
het van Nederland afwijkende fiscale stelsel op de BES eilanden;
het gegeven dat de FIOD de opsporingsdienst is voor de Belastingdienst/Caribisch Nederland,
bestaat er aanleiding voor de BCN en het Openbaar Ministerie BES om een richtlijn te formuleren voor het heffingsgebied van de BCN ter zake van het aanmelden, transigeren en vervolgen van strafzaken (ATV-richtlijn).
Deze ATV-richtlijn beschrijft hoe de BCN voor de BES-belastingen de aanmeldingen selecteert van mogelijke delicten die in aanmerking komen voor strafrechtelijk onderzoek en de wijze waarop de aanmeldingen vervolgens in overleg met de FIOD en het Openbaar Ministerie BES worden afgehandeld met het oog op strafrechtelijke afdoening.
Alle handhavingsinspanningen zijn gericht op de naleving van wet- en regelgeving en het bevorderen van compliant gedrag. Hiertoe zijn diverse handhavinginstrumenten beschikbaar, waaronder het strafrecht. De inzet van bestuursrecht of strafrecht wordt bepaald aan de hand van de ernst van het delict en de vraag welk instrument het meest efficiënt en effectief is.
Zo zal het strafrecht worden ingezet ter correctie van die gevallen waarin sprake is van flagrante schendingen van de rechtsorde, waardoor grote schade aan de belangen van burger en staat kunnen ontstaan. Het strafrecht is daarbij onderdeel van de totale handhavingsketen. Maar het strafrecht dient een breder doel. De meerwaarde van het strafrecht zit ook in de normstellende en normbevestigende werking ervan en het preventieve effect dat ervan uitgaat. Door het strafrecht als integraal onderdeel van de handhaving in te zetten kan het benut worden om als totale keten pro-actief op te treden en brede maatschappelijke effecten te sorteren.
In lijn met deze koers zal het strafrecht worden ingezet ter ondersteuning van en in wisselwerking met het toezicht om zo de rechtshandhaving te stimuleren en compliance te bevorderen.
De ATV-richtlijn is geschreven om de inzet van het strafrecht te concentreren op die zaken die een maatschappelijk effect hebben (bijvoorbeeld gevallen waarin de rechtsorde in ernstige mate is geschokt). Deze richtlijn leidt er dus toe dat de fiscale- en douanefraudezaken met minder of geen maatschappelijk effect vaker bestuurlijk zullen worden afgedaan. In deze richtlijn wordt, op grond van de omvang van het fiscaal nadeel, aangegeven of in beginsel voor bestuurlijke – dan wel strafrechtelijke afdoening wordt gekozen. Afhankelijk van de in hoofdstuk 2 beschreven aspecten wordt in het tripartiete overleg (TPO) besloten voor welke afdoening in een concrete zaak wordt gekozen.
Van de richtlijn kan worden afgeweken in geval waarin het van belang is dat de inzet van het strafrecht de bestuurlijke aanpak ondersteunt. Hierbij valt te denken aan bijzondere acties van de BCN, gericht op specifieke groepen belanghebbenden en specifieke acties met betrekking tot bepaalde delicten, bijvoorbeeld de omissiedelicten. Over zulke acties maakt de BCN vooraf afspraken met het Openbaar Ministerie BES om de handhavingsinspanningen op elkaar af te stemmen.
Het ATV-traject bestaat uit drie onderdelen:
Het aanmelden van strafbare feiten
het selecteren van strafbare feiten
het tripartiete overleg van Openbaar Ministerie, Belastingdienst en FIOD
De aanmeldingsrichtlijn geeft aan in welke gevallen ambtenaren en medewerkers van de BCN vermoedens van een strafbaar feit moeten aanmelden bij hun Directeur en/of een door hem aangewezen functionaris (hierna te noemen de boete-/ fraudecoördinator).
Aanmelding vindt plaats als een drempelbedrag wordt overschreden. Dit is het bedrag dat door de in of over de onderzoeksperiode gepleegde feiten die daartoe strekten, te weinig is of zou zijn geheven indien de aangifte of aanvraag van belanghebbende was gevolgd (hierna: het nadeel).
Indien op grond van onjuiste gegevens in de aangifte een te hoge teruggaaf is verleend, telt die te hoge teruggaaf mee voor het vaststellen van het bedrag van het nadeel. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor de omvang van het nadeel ook rekening wordt gehouden met het (te hoog) aangegeven verlies dat in het betreffende (boek)jaar geleden zou zijn.
Criterium voor aanmelding is een nadeel van minimaal $ 20.000, tenzij sprake is van recidive. In dat geval ligt de aanmeldgrens bij een nadeel van minimaal $ 6.000.
De boete-/ fraudecoördinator beoordeelt of voor ten minste het drempelbedrag sprake is van opzet en draagt deze zaken voor in het selectieoverleg. Hierbij geeft de boete-/ fraudecoördinator aan welke aspecten (zie hoofdstuk 2) van belang zijn.
Indien geen sprake is van opzet of het aan opzet te wijten nadeel onder het drempelbedrag blijft, wordt de zaak bestuursrechtelijk afgedaan door de BCN.
Voor wat betreft de douane geldt dat de douaneambtenaren geconstateerde strafbare feiten moeten melden bij hun teamleider. De teamleider stuurt de melding door naar de boete- fraudecoördinator. Na aanmelding worden de meldingen besproken in het selectieoverleg.
Ook omissiedelicten worden zoveel mogelijk aangemeld volgens de hiervoor aangegeven criteria.
In de praktijk kan het echter voorkomen dat het nadeel veroorzaakt door een omissiedelict niet of niet voldoende kwantificeerbaar of bepaalbaar is, en dus niet getoetst kan worden aan het drempelbedrag. In dat geval wordt onderscheid gemaakt voor delicten waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd (1) en omissiedelicten waarvoor geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd (2).
Ad (1): Een omissiedelict wordt voor strafrechtelijke aanpak aangemeld indien voor het voorafgaande tijdvak bij hetzelfde belastingmiddel eveneens sprake is geweest van schending van hetzelfde wettelijke voorschrift en deze schending bestraft is met een vergrijpboete.
Ad (2): Een omissiedelict wordt alleen voor strafrechtelijke aanpak aangemeld indien de BCN daarbij aantoont dat hij voldoende actie heeft ondernomen om de desbetreffende belastingplichtige/belanghebbende aan te zetten tot het naleven van de wettelijke verplichtingen en deze actie van de BCN niet tot naleving van die verplichtingen heeft geleid. Daartoe moet de BCN belanghebbende/belanghebbende schriftelijk in de gelegenheid hebben gesteld de geschonden verplichting binnen een bepaalde termijn na te leven. Indien belastingplichtige/belanghebbende de verplichting niet binnen de gestelde termijn volledig naleeft kan – indien inzet van het strafrecht passend is met het oog op de aspecten genoemd in hoofdstuk 2 – voor een strafrechtelijke aanpak worden gekozen.
Het selectieoverleg (dat wordt gevormd door de FIOD en de BCN) toetst of een zaak terecht op grond van de aanmeldingsrichtlijn (hoofdstuk 1.2.1) is aangemeld (hierna: aanmeldingswaardige zaak).
Voor aanmeldingswaardige zaken adviseert het selectieoverleg of op basis van de bewijsbaarheid een zaak in aanmerking komt voor opsporing (dit zijn de potentieel vervolgingswaardige zaken). Het selectieoverleg beoordeelt tevens welke aspecten (hoofdstuk 2) van toepassing zijn.
Door het selectieoverleg wordt een potentieel vervolgingswaardige zaak ingedeeld in categorie I of II.
Categorie I: In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag en minder dan $ 40.000. 1 Het bedrag van $ 40.000 wijkt af van het bedrag wat in de Nederlandse AAFD-richtlijn genoemd wordt. Dit verschil is ingegeven door het ontbreken van de VPB en het lagere tarief voor de OB en IB op de BES.
Categorie II: In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten $ 40.000 of meer.
Categorie I-zaken worden terugverwezen naar de BCN voor bestuurlijke afdoening indien geen van de overige aspecten (hoofdstuk 2) aan de orde is. Is in een categorie I-zaak tenminste één van deze aspecten aan de orde, dan kan het selectieoverleg zo’n zaak aan het tripartiete overleg voorleggen.
Het selectieoverleg informeert het tripartiete overleg over de categorie I-zaken die het selectieoverleg naar de BCN heeft terugverwezen. Doordat het selectieoverleg deze zaken ter informatie meldt, kan het tripartiete overleg zicht houden op deze zaken en, zo nodig, (voor nieuwe vergelijkbare zaken) bijsturen.
Categorie II- zaken gaan door naar het tripartiete overleg.
Mocht het selectieoverleg oordelen dat er geen sprake is van een (potentieel) aanmeldingswaardige zaak, dan wordt de zaak terugverwezen naar de BCN waar deze vervolgens bestuurlijk wordt afgedaan.
Het tripartiete overleg (bestaande uit het Openbaar Ministerie BES, de FIOD en de BCN) toetst of een aanmelding voldoet aan de transactie- en vervolgingsrichtlijn. Mocht blijken dat de zaak hieraan niet voldoet dan gaat de zaak terug naar de BCN voor bestuursrechtelijke afdoening.
Voor de zaken die aan de ATV-richtlijn voldoen beslist het TPO of wordt overgegaan tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek dan wel dat de zaak voor bestuursrechtelijke afdoening wordt geretourneerd aan de Belastingdienst. Bij deze beslissing spelen de ernst van het delict, de bewijsbaarheid, de in hoofdstuk 2 genoemde aspecten en capaciteitsaspecten een rol.
In geval van heterdaadsituaties die voldoen aan de criteria van deze richtlijn wordt door de Directeur of de boete- fraudecoördinator contact opgenomen met de FIOD en het Openbaar Ministerie BES teneinde deze zaak ten spoedigste te bespreken.
De Directeur kan – binnen het kader van de Belastingwet BES en de Douane- en Accijnswet BES – een transactie aanbieden indien op grond van de resultaten van het opsporingsonderzoek het aanbieden van een transactie de gewenste afdoeningsmodaliteit is.
Het opzettelijk niet doen van aangifte (omissiedelict), waarvan het fiscaal nadeel niet of niet volledig te berekenen is, zou in aanmerking kunnen komen voor een transactie indien over het voorafgaande belastingtijdvak eveneens sprake is geweest van het opzettelijk niet doen van aangifte en dit bestraft is met een vergrijpboete.
De overige gevallen waarin sprake is van een omissiedelict waarvan het nadeel niet of niet volledig te berekenen is, zouden in aanmerking kunnen komen voor een transactie in aanmerking indien in een zaak sprake is van één of meer aspecten zoals beschreven in hoofdstuk 2.
De vervolgingsrichtlijn heeft alleen betrekking op de opzettelijk begane strafbare feiten.
Hierbij gelden inzake fiscale- en douanedelicten de volgende criteria:
Categorie I: In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten ten minste het drempelbedrag en minder dan $ 40.000. Ten minste één van de overige aspecten (hoofdstuk 2) is aan de orde.
Categorie II: In deze zaken is het nadeel dat aan opzet is te wijten $ 40.000 of meer.
Het tripartiete overleg kan besluiten om categorie I-zaken die door het selectieoverleg aan het tripartiete overleg zijn overgedragen (zie hoofdstuk 1.2.2) terug te verwijzen naar de BCN voor bestuurlijke afhandeling. Bijvoorbeeld als het tripartiete overleg van oordeel is dat in het kader van een evenwichtige rechtsbedeling de zaak beter bestuurlijk kan worden afgedaan. Categorie II-zaken worden in beginsel strafrechtelijk vervolgd. In uitzonderingsgevallen kan daarvan worden afgeweken.
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Aanmeldings-, transactie- en vervolgingsrichtlijn fiscale- en douane delicten Belastingdienst/Caribisch Nederland 2012· Strafrecht
Deze tekst geldt sinds 9 november 2012