Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Bevoegdheden Wet voorkoming verontreiniging door schepen

Onderdeel van Besluit mandaat en machtiging certificering zeeschepen 2012· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 15 november 2012

1. De in artikel 8, eerste lid, en 8a van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen bedoelde bevoegdheid van de minister tot het afgeven van certificaten, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties. 2. De in artikel 34 van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen bedoelde bevoegdheid van de minister tot het verlenen van ontheffing van het in artikel 13 van die wet genoemde verbod, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties. 3. De in artikel 9, derde lid, van de Wet voorkoming verontreiniging door schepen bedoelde bevoegdheid van de minister tot het intrekken van certificaten, voor zover nader omlijnd in de Appendix bij Annex I van de overeenkomsten, wordt gemandateerd aan de in artikel 2, eerste lid, genoemde functionarissen van erkende organisaties .

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel