De Minister vormt zich een oordeel over de kwaliteit van de taakuitoefening van Stichting VAM. Daarbij baseert hij zich onder meer op:
de bevindingen voortvloeiend uit de in artikel 19, tweede lid, van de Kaderwet bedoelde voorzieningen;
de regelmatig door Stichting VAM gehouden klant- en medewerkerstevredenheidsonderzoeken;
het in artikel 5 bedoelde verslag van bevindingen;
de in artikel 6 bedoelde jaarrekening en verantwoording;
het verslag van de Dienst Wegverkeer over het toezicht op de door de Stichting VAM uitgevoerde taken, en
de verslagen van de Rijksgecommitteerden.
§ 4
Artikel 11
Oordeelsvorming
Onderdeel van Beleidsregels sturing van en toezicht op Stichting VAM· Staats- en bestuursrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2013