1. 1. Een machtiging als bedoeld in artikel 12d, eerste lid, is met redenen omkleed en ondertekend en vermeldt:
    • - a. de naam van de rechter-commissaris die de machtiging heeft gegeven;
    • - b. de naam of het nummer en de hoedanigheid van degene aan wie de machtiging is gegeven;
    • - c. de wettelijke bepaling waarop het binnentreden berust en het doel waartoe wordt binnengetreden;
    • - d. de dagtekening.
  2. 2. Indien het betreden dermate spoedeisend is dat de machtiging niet tevoren op schrift kan worden gesteld, zorgt de rechter-commissaris zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling.
  3. 3. De machtiging blijft ten hoogste van kracht tot en met de derde dag na die waarop zij is gegeven.
  4. 4. Artikel 6 van de Algemene wet op het binnentreden is niet van toepassing.