Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Samenvatting

Onderdeel van Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek· Procesrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juni 2013

De Wet deskundige in strafzaken1De Wet deskundige in strafzaken wijzigt het Wetboek van Strafvordering ter verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Stb. 2009, 33). Inwerkingtreding per 01-01-2010, zie besluit van 6 augustus 2009, Stb. 2009, 351. beoogt de positie van de deskundige in het strafproces te versterken. Met de inwerkingtreding van deze wet bestaat de vaste gerechtelijke deskundige niet meer. In plaats daarvan is de geregistreerde deskundige gekomen. Dit is de deskundige die geregistreerd is in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen2De op- en inrichting van dit register is geregeld in het Besluit houdende instelling van het Nederlands register gerechtelijk deskundigen en kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (Stb. 2009, 330). (hierna te noemen: NRGD). De (hulp)officier van justitie is alleen bevoegd om deskundigen te benoemen die geregistreerd zijn in dat register. Voor het benoemen van niet in dat register opgenomen deskundigen, moet een vordering worden ingediend bij de rechter-commissaris. Ook wordt in de wet de positie van de verdediging versterkt: de verdachte c.q. diens raadsman krijgt uitdrukkelijk het recht om te vragen om tegenonderzoek. De wet bepaalt verder dat – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – de (raadsman van de) verdachte door de (hulp)officier van justitie geïnformeerd wordt over het verlenen van een opdracht tot deskundigenonderzoek. Dit om hem in staat te stellen om de omvang en richting van dat onderzoek te beïnvloeden. Gezien deze informatieverplichting is in deze aanwijzing nader gepreciseerd wanneer sprake is van deskundigenonderzoek in de zin van deze wet en wanneer dat niet het geval is. Als dat niet het geval is, geldt geen verplichting om de (raadsman van de) verdachte op de hoogte te stellen. Niettemin kan ook zonder verplichting in sommige gevallen aanleiding bestaan de (raadsman van de) verdachte te betrekken bij het formuleren van de onderzoeksvragen en de keuze van de te benoemen deskundige. Als er voor onderzoeken specifieke op de wet gebaseerde uitvoeringsregelingen bestaan (zoals DNA-onderzoek en alcoholonderzoek – zie hierna onder lex specialis), moeten die worden toegepast. Om in de praktijk ervaring op te bouwen met genoemde informatieverplichting is er in de aanwijzing voor gekozen de bevoegdheid om geregistreerde deskundigen in de zin van artikel 150 Wetboek van Strafvordering (Sv) te benoemen, voor te behouden aan de officier van justitie. Van de afgeleide bevoegdheid die artikel 150 lid 2 Sv creëert voor de hulpofficier wordt met andere woorden (voorlopig) geen gebruik gemaakt.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel