Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Verdeling gemeenschap tussen samenwoners

Onderdeel van Overdrachtsbelasting, vrijstelling, diverse onderwerpen· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 4 juli 2013

De verkrijging bij een verdeling van een gemeenschap tussen samenwoners is onder voorwaarden vrijgesteld van overdrachtsbelasting (zie artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de WBR). Als voorwaarde geldt onder meer dat de gerechtigdheid tot de gemeenschap moet zijn ontstaan door een gezamenlijke verkrijging, waarbij de ene samenwoner is gerechtigd tot ten minste 40% en de andere tot ten hoogste 60%. Aan deze bandbreedte-eis moet direct bij de eerste gezamenlijke verkrijging zijn voldaan. De vrijstelling geldt niet alleen voor de verkrijging bij een verdeling van het gezamenlijk verkregen woonhuis, maar ook voor andere gezamenlijk verkregen onroerende zaken of beperkte rechten daarop. Het feit dat meer dan twee samenwoners in de onroerende zaak zijn gerechtigd, is geen belemmering voor de toepassing van de vrijstelling. A, B en C zijn vanaf de aanvang samenwoners. A en B zijn elk voor 40% gerechtigd tot de woning en C voor 20%. Bij het verbreken van de samenwoning delen B en C hun aandeel toe aan A. De verkrijging door A van het aandeel van B valt onder de vrijstelling. Immers zowel A als B voldeed bij aanvang van de samenwoning aan de bandbreedte-eis van 40%-60%. Over het aandeel dat A van C verkrijgt is wel overdrachtsbelasting verschuldigd. De vrijstelling voor samenwoners geldt voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken die tijdens de samenwoning gezamenlijk zijn verkregen. Het is mogelijk dat een onroerende zaak of beperkt recht daarop wordt verkregen in het zicht van de samenwoning. In de praktijk kan discussie ontstaan over de vraag of de vrijstelling ook geldt voor de verdeling van onroerende zaken die in het zicht van de samenwoning gezamenlijk zijn verkregen. Ik acht deze discussie niet gewenst en keur daarom het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de vrijstelling voor samenwoners ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, die verkregen zijn in het zicht van de samenwoning. Voor deze goedkeuring gelden de volgende drie voorwaarden: De onroerende zaak of het beperkte recht daarop is door de latere samenwoners uiterlijk één jaar voor aanvang van de samenwoning gezamenlijk verkregen. De samenwoning is daadwerkelijk tot stand gekomen. Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan. Als een woning in aanbouw door de latere samenwoners is verkregen geldt de in de eerste voorwaarde genoemde termijn van uiterlijk één jaar niet, mits de woning na oplevering hoofdverblijf van de samenwoners is geworden. Het is mogelijk dat een relatie tussen twee personen wordt verbroken en een verdeling plaatsvindt. Dit terwijl de betrokken personen door omstandigheden niet daadwerkelijk hebben samengewoond. Hiervan kan sprake zijn bij de aankoop van een woning in aanbouw of van een woning die eerst ingrijpend moet worden verbouwd. Ik acht het dan niet in alle situaties gewenst dat overdrachtsbelasting wordt geheven. Ik keur daarom het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de vrijstelling voor samenwoners ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken of beperkte recht daarop, zonder dat de deelgerechtigden hebben samengewoond. Voor deze goedkeuring gelden de volgende vijf voorwaarden: Bewoning en samenwoning waren redelijkerwijs niet mogelijk omdat de tot hoofdverblijf van de samenwoners bestemde woning op het moment van de gezamenlijke verkrijging nog in aanbouw was of ingrijpend moest worden verbouwd. De relatie wordt verbroken voordat de tot hoofdverblijf van de samenwoners bestemde woning wordt opgeleverd of de verbouwing daarvan gereed is. De woning wordt aan één van de deelgerechtigden toegedeeld. Er wordt aannemelijk gemaakt dat men de intentie had te gaan samenwonen. In geval van een verbouwing moet aannemelijk worden gemaakt dat men de intentie had binnen een jaar na aankoop van de woning te gaan samenwonen. Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan. In geval van een verbouwing moet aannemelijk worden gemaakt dat deze dusdanig ingrijpend was, dat bewoning redelijkerwijs gesproken niet mogelijk was. Bij een minder ingrijpende verbouwing heeft men het zelf in de hand om te gaan samenwonen. Als men in dat geval ervoor kiest om niet te gaan samenwonen, is er bij de verdeling geen sprake van een onbillijkheid van overwegende aard. De vrijstelling voor samenwoners geldt voor de verkrijging bij verdeling tijdens de samenwoning. Veelal echter zal de verdeling plaatsvinden nadat de samenwoning is beëindigd. In de praktijk kan discussie ontstaan over de vraag of de vrijstelling ook geldt als de gezamenlijk verkregen onroerende zaken na de beëindiging van de samenwoning worden verdeeld. Ik acht deze discussie niet gewenst en keur daarom het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de vrijstelling voor samenwoners ook geldt voor de verkrijging bij verdeling van onroerende zaken of beperkte rechten daarop, nadat de samenwoning is beëindigd. Voor deze goedkeuring gelden de volgende twee voorwaarden: De verkrijging vloeit voort uit de verdeling bij de financiële afwikkeling van de samenwoning of echtscheiding. Dit overeenkomstig de gemaakte afspraken over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan. De verkrijging bij een toewijzing op grond van een herverkaveling vormt een originaire verkrijging. Dit betekent dat de titel van de eerdere verkrijging door degene die de onroerende zaak in de herverkaveling heeft ingebracht, zijn betekenis heeft verloren (titelzuiverende werking van artikel 16.137, tweede lid, van de Omgevingswet). Deze titelzuiverende werking heeft gevolgen voor een nog te verdelen onroerende zaak na de beëindiging van de samenwoning. Na de herverkaveling kan er immers door de titelzuiverende werking van de toewijzing geen sprake meer zijn van een verdeling van tijdens de samenwoning gezamenlijk verkregen onroerende zaken. Hierdoor is het bepaalde in artikel 15, eerste lid, onderdeel g, van de WBR niet van toepassing. Dit acht ik niet in alle situaties gewenst. Ik keur daarom het volgende goed. Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de vrijstelling ook geldt als de verdeling van de gemeenschap tussen samenwoners plaatsvindt nadat de tot de te verdelen gemeenschap behorende onroerende zaken betrokken zijn geweest bij een herverkaveling. Voor deze goedkeuring gelden de volgende vier voorwaarden. De verkrijging vloeit voort uit de verdeling bij de financiële afwikkeling van de samenwoning of echtscheiding. Dit overeenkomstig de gemaakte afspraken over de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Er is sprake van een herverkaveling als bedoeld in hoofdstuk 12, afdeling 4, van de Omgevingswet. De toewijzing krachtens herverkaveling vindt plaats binnen vijf jaar na de beëindiging van de samenwoning. Aan de overige vereisten van de vrijstelling is voldaan. Abusievelijk is een wijzigingsopdracht geformuleerd die niet geheel juist is.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel