Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 10

Artikel 10

Onderdeel van Wet gebruik Friese taal· Staats- en bestuursrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2014

1. Hij die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, is bevoegd in plaats van de wettelijk voorgeschreven woorden de daarmede in de Friese taal overeenkomende woorden uit te spreken. 2. In het geval, bedoeld in het eerste lid, treden: indien een eed wordt afgelegd, voor de woorden: «Zo waarlijk helpe mij God Almachtig» in de plaats de woorden: «Sa wier helpe my God Almachtich»; indien een belofte wordt afgelegd, voor de woorden: «Dat beloof ik» in de plaats de woorden: «Dat ûnthjit ik»; indien een bevestiging wordt afgelegd, voor de woorden: «Dat verklaar ik» in de plaats de woorden: «Dat ferklearje ik».

Rechtspraak bij dit artikel