Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Besluit vergoedingen Kernenergiewet· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2026

1. Het bedrag dat verschuldigd is voor het in behandeling nemen van een aanvraag van een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor de verlening van een vergunning voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet, bedraagt: € 6.624 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 8.568,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; € 3.680 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 4.760,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing zal worden gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet. 2. Het bedrag dat verschuldigd is voor de verlening van een vergunning aan een houder van een vergunning als bedoeld in artikel 15, onderdeel b, van de wet voor het voorhanden hebben of zich ontdoen van splijtstoffen als bedoeld in artikel 15, onderdeel a, van de wet bedraagt: € 16.928 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 21.896,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, eerste lid, van de wet; € 8.648 van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027: € 11.186,– indien bij de voorbereiding van de vergunning toepassing is gegeven aan artikel 17, tweede lid, van de wet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel