1. 1. De lokale spoorweginfrastructuur waarover vervoer wordt verricht wordt door de beheerder zodanig beheerd dat de lokale spoorweginfrastructuur blijft voldoen aan de artikelen 5 en 6.
  2. 2. Van ernstige incidenten doet de beheerder onmiddellijk melding aan de toezichthouder.
  3. 3. De beheerder stemt het beheer van de lokale spoorweg af met:
    • - a. de beheerder van een daaraan grenzende lokale spoorweg;
    • - b. de beheerder van een daaraan grenzende hoofdspoorweg of bijzondere spoorweg als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Spoorwegwet; of
    • - c. de wegbeheerder van een daaraan grenzende weg.
  4. 4. Gedeputeerde staten onderscheidenlijk het dagelijks bestuur kunnen de beheerder bindende aanwijzingen geven met betrekking tot het beheer.