In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bezoldiging:
voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de tweede afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in de artikelen 1 en 2, eerste lid, van de Wet rechtspositie ministers en staatssecretarissen;
voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de derde afdeling van de wet: de gelden, bedoeld in de artikelen 2, 2a, 2b, 11 en 12 van de Wet schadeloosstelling leden Tweede Kamer;
voor politieke ambtsdragers als bedoeld in de vijfde afdeling van de wet:
de bezoldiging van de gedeputeerde, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 2.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
de bezoldiging van de wethouder, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 3.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers;
de bezoldiging van het lid van het dagelijks bestuur, inclusief de vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig artikel 4.2.1 van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers; onderscheidenlijk
de bezoldiging Rijksvertegenwoordiger, inclusief de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering en een eventuele eenmalige uitkering, berekend overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.
Hoofdstuk 2 › § 1
Artikel 2.1.3
Artikel 2.1.3
Onderdeel van Besluit pensioen politieke ambtsdragers· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2022