De hierna bij onderdeel 4.1 bedoelde organisaties waarvan de primaire activiteiten niet zijn belast, exploiteren als aanvulling op hun primaire activiteiten vaak een kantine. Uit praktische overwegingen heb ik aanleiding gevonden goed te keuren dat onder voorwaarden deze organisaties ook voor hun kantineactiviteiten buiten de heffing van btw blijven. De regeling houdt in dat de normale kantineactiviteiten van btw zijn vrijgesteld als de kantineontvangsten beneden een bepaald bedrag blijven en aan de overige voorwaarden is voldaan. De kantineregeling staat los van de regeling voor fondswervende activiteiten als omschreven in onderdeel 2 van dit besluit. Dat betekent dat bij toepassing van de kantineregeling de kantineontvangsten buiten beschouwing blijven bij de beoordeling of sprake is van overschrijding van de in onderdeel 2 genoemde grensbedragen. De invulling van deze grensbedragen kan dan worden gebruikt voor andere fondswervende activiteiten. Voldoet een organisatie niet aan de hierna gestelde voorwaarden dan kunnen de kantineactiviteiten uiteraard nog zijn vrijgesteld op grond van de wettelijke vrijstelling genoemd in onderdeel 2 van dit besluit. De kantineregeling en de wettelijke vrijstellingsbepaling kunnen echter niet tegelijkertijd worden toegepast op de kantineactiviteiten.
Met toepassing van artikel 63 AWR (hardheidsclausule), keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarden goed dat de hierna vermelde organisaties ook voor hun kantineactiviteiten buiten de heffing van btw blijven als hun primaire activiteiten niet zijn belast:
muziekverenigingen;
speeltuinverenigingen;
instellingen voor jeugdwerk;
bejaardensociëteiten;
hobbyclubs;
buurtverenigingen;
dorpshuizen en wijkcentra;
scholen voor basisonderwijs, lager en middelbaar beroepsonderwijs en algemeen voortgezet en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs.
Voor toepassing van deze goedkeuring gelden de volgende voorwaarden:
In de kantine mogen uitsluitend activiteiten plaatsvinden die als normale nevenactiviteit van de organisatie zijn aan te merken (zie ook onderdeel 2.1.1).
De kantineontvangsten mogen niet meer bedragen dan € 68.067 per jaar. De kantineontvangsten worden gevormd door alle opbrengsten voor leveringen en diensten die worden gerealiseerd in direct verband met de kantine-exploitatie. Dit betekent dat niet alleen de opbrengst voor verstrekte spijzen en dranken maar ook de opbrengst van de verkoop van tabaksproducten en de opbrengst uit de exploitatie van speelautomaten en dergelijke tot de kantineontvangsten behoren.
Eventuele exploitatieoverschotten van de kantine moeten worden aangewend voor de primaire activiteiten van de organisatie.
Met betrekking tot kantineontvangsten die op grond van de kantineregeling buiten de heffing van btw blijven, kan geen aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting. In samenhang daarmee zijn de artikelen 11 tot en met 14 van de uitvoeringsbeschikking van overeenkomstige toepassing. Zo is dit laatste van belang als de kantineontvangsten voor het eerst in de heffing worden betrokken (bijvoorbeeld omdat het grensbedrag wordt overschreden). Ook in het omgekeerde geval (de kantineontvangsten dalen tot onder het grensbedrag) spelen deze bepalingen een rol.
Voor de toepassing van de kantineregeling wordt onder ‘kantine’ verstaan de vaste plaats waar of van waaruit de betreffende organisatie de kantineactiviteiten als normale nevenactiviteit verricht.
Het komt voor dat de organisatie haar normale nevenactiviteiten incidenteel op een andere locatie verricht (bijvoorbeeld in een gehuurde zaal). De daarmee verkregen ontvangsten voor de verstrekking van spijzen en dranken, worden voor de toepassing van het grensbedrag samengenomen met de kantineontvangsten vanuit de eigen kantine.
Wanneer een organisatie op verschillende plaatsen een accommodatie met een kantine heeft, kan het grensbedrag per accommodatie worden toegepast (bijvoorbeeld een stichting die in verschillende delen van een stad wijkcentra beheert).
Deze goedkeuring is niet van toepassing als de bovengenoemde organisaties voor hun primaire activiteiten zijn vrijgesteld op basis van de kleineondernemersregeling (artikel 25 van de wet).1Dit geldt ook als de organisaties gebruik maken van de goedkeuring om zich niet te melden voor toepassing van de kleineondernemersregeling (besluit van 10 juni 2021, nr. 2021-12740, Stcrt nr. 2021-30899)., 2De exploitatie van zonnepanelen wordt niet geacht een primaire activiteit van de genoemde organisaties te zijn.
Wanneer de kantineontvangsten van een organisatie in een bepaald jaar het grensbedrag overschrijden, moeten de ontvangsten in de heffing van btw worden betrokken. Op grond van artikel 63 AWR (hardheidsclausule), keur ik het volgende goed.
Ik keur onder de volgende voorwaarde goed dat in gevallen waarin de kantineontvangsten van een organisatie in een bepaald jaar het grensbedrag overschrijden, deze in dat jaar buiten de heffing van btw blijven.
Voor toepassing van deze goedkeuring geldt de volgende voorwaarde:
de overschrijding vindt zijn oorzaak in bijzondere eenmalige omstandigheden of;
de overschrijding was redelijkerwijs voor een bepaald jaar niet te voorzien. Als dan echter het volgende jaar zich opnieuw een overschrijding voordoet, moet in dat jaar in elk geval heffing plaatsvinden.
Als een organisatie voor haar kantineactiviteiten in de heffing van btw wil worden betrokken, staat het de organisatie vrij de wettelijke bepalingen toe te passen. Als een organisatie ervoor kiest de kantineregeling niet toe te passen, betekent dit niet zonder meer dat voor de kantineontvangsten steeds btw is verschuldigd. Zoals in onderdeel 2 is aangegeven, zijn kantineontvangsten in de regel aan te merken als fondswervende activiteiten in de zin van de vrijstellingsbepaling en is pas btw verschuldigd als de opbrengsten de daarin genoemde grensbedragen voor leveringen en/of diensten overschrijden. Wanneer een organisatie ervoor kiest de kantineregeling niet toe te passen, brengt doel en strekking van de kantineregeling met zich mee dat op deze regeling naderhand geen beroep meer kan worden gedaan.
Artikel 4
Kantineregeling
Onderdeel van Omzetbelasting, fondswerving en kantines· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 2014