Hoe dient de zinsnede ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ in artikel 3a, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit internationale bijstand bij de heffing van belastingen (hierna: Uitvoeringsbesluit) te worden opgevat?
Antwoord:
De zinsnede ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ dient te worden opgevat op overeenkomstige wijze als in artikel 10a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: Wet Vpb 1969). Dit betekent bijvoorbeeld dat als een vennootschap een lening aangaat bij een niet-gelieerde partij onder garantstelling van een gelieerde maatschappij, waarbij de vennootschap de lening niet op eigen kracht had kunnen aangaan, er sprake is van ‘rechtens dan wel in feite direct of indirect’ aangaan van een geldlening van de gelieerde maatschappij.
Indien de vennootschap in het antwoord op vraag 1 hiervoor de verkregen middelen (gedeeltelijk) (door)leent aan de groepsmaatschappij/ garantiegever, kan zij dan zekerheid vooraf krijgen over fiscale gevolgen die zijn verbonden aan de voorgenomen transacties?
Antwoord:
Indien aan de voorwaarden van de besluiten wordt voldaan, kan zekerheid vooraf worden verkregen.
Hoe dient bepaald te worden of de werkzaamheden ‘hoofdzakelijk’ bestaan uit het binnen concernverband ontvangen en (door)betalen van rente en/of royalty’s als bedoeld in artikel 3a, eerste lid, Uitvoeringsbesluit?
Antwoord:
Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de wijze waarop wordt vastgesteld of werkzaamheden ‘grotendeels’ bestaan uit het direct of indirect financieren van met de belastingplichtige verbonden lichamen bedoeld in artikel 10a, vierde lid, Wet Vpb 1969. Hierbij spelen factoren een rol als soorten van activa en passiva op de balans, omzet, activiteiten waaruit de winst afkomstig is, tijdsbesteding van werknemers etc. Met artikel 3a, eerste lid, Uitvoeringsbesluit, is overigens geen uitbreiding beoogd van de reikwijdte van het begrip ‘dienstverleningslichaam’, zoals dat gold onder het besluit IFZ2004/126M behoudens de uitbreiding van het begrip met het ontvangen en betalen van huur en leasetermijnen.
Opgemerkt wordt dat een vennootschap die zogenaamde ‘cashpool’ activiteiten verricht onder het besluit DGB 2014/3101 kan vallen. Gelet op de diversiteit van situaties waarin ‘cashpool’ activiteiten worden verricht, kan hierover op dit moment geen uitspraak in het algemeen worden gedaan. Of een vennootschap die ‘cashpool’ activiteiten verricht onder het besluit DGB 2014/3101 valt dient op basis van de feiten en omstandigheden vastgesteld te worden.
Hoe dient te worden bepaald of er voldoende operationele activiteiten in Nederland zijn?
Antwoord:
Dit wordt bepaald aan de hand van feiten en omstandigheden. Hierbij kunnen onder andere de volgende elementen een rol spelen: het aantal werknemers, het operationele kostenniveau, de aanwezigheid van een eigen ruimte van het concern om de operationele activiteiten uit te oefenen, etc.
Hoe dient het besluit DGB 2014/3101 te worden getoetst ten aanzien van een lichaam dat is opgenomen in een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting?
Antwoord:
De hoofdzakelijkheidstoets van artikel 3a, eerste lid, Uitvoeringsbesluit, dient op het niveau van de fiscale eenheid te worden getoetst.
Voor de reële risico-eis is doorslaggevend in hoeverre risico’s worden gelopen en of voldoende eigen vermogen wordt aangehouden om deze risico’s te kunnen dragen. Bij de totstandkoming van artikel 8c Wet Vpb 1969 is aangegeven dat beslissend is hoeveel eigen vermogen op het niveau van de fiscale eenheid wordt aangehouden. Voor de toepassing van het besluit DGB 2014/3101 geldt hetzelfde. De in een fiscale eenheid opgenomen dochtermaatschappij blijft zelf civielrechtelijk de debiteur van de leningen. Om die reden dienen de in de bijlage van het besluit opgenomen substance-eisen op het niveau van het lichaam getoetst te worden, met uitzondering van de zogenaamde passend vermogen-eis. Vanwege de samenhang met de reële risico-eis kan de passend vermogen-eis op het niveau van de fiscale eenheid getoetst worden (waarbij uiteraard ook geldt dat dit eigen vermogen dient te kunnen worden aangesproken als de risico’s zich manifesteren). Artikel 8b Wet Vpb 1969 dient voor elk lichaam afzonderlijk te worden toegepast. Voor elk lichaam dient derhalve de beloning bepaald te worden op basis van de door dat lichaam verrichte functies met inachtneming van gelopen risico’s en gebruikte activa.
Kan zekerheid vooraf worden verkregen over de toepassing van de vereisten van het besluit DGB 2014/3101 zonder dat tevens zekerheid vooraf over de beloning wordt verzocht?
Antwoord:
Het verstrekken van zekerheid vooraf is gebaseerd op het van 4 april 2011, Nr. BLKB2011/265M. Op basis van dat besluit wordt uitsluitsel gegeven over de fiscale gevolgen die zijn verbonden aan handelingen van de belastingplichtige. In het geval van een dienstverleningslichaam omvat dit zowel de toepassing van de vereisten van het onderhavige besluit als de arm’s-lengthvergoeding van de vennootschap en de verrekenbaarheid van eventuele bronbelastingen. In het gewijzigde besluit is daarom expliciet opgenomen dat het verstrekken van zekerheid vooraf over toepassing van de vereisten van het onderhavige besluit uitsluitend plaatsvindt in combinatie met zekerheid vooraf met betrekking tot de arm’s-lengthvergoeding en verrekenbaarheid van eventuele bronheffingen.
Kan zekerheid vooraf worden verkregen over de toepassing van artikel 8c Wet Vpb 1969 zonder dat tevens zekerheid vooraf over de beloning wordt verzocht?
Antwoord:
In het besluit DGB 2014/3101 wordt aangegeven in welke gevallen aan een dienstverleningslichaam geen zekerheid vooraf wordt verstrekt over de fiscale gevolgen van de door haar voorgenomen transacties. Zoals in het antwoord op vraag 6 hiervoor is aangegeven, omvat dit voor een dienstverleningslichaam zowel de toepassing van de vereisten van dat besluit als de arm’s-lengthvergoeding van de vennootschap en de verrekenbaarheid van eventuele bronbelastingen. Dit betekent derhalve dat aan een dienstverleningslichaam slechts zekerheid vooraf over de toepassing van artikel 8c Wet Vpb 1969 wordt gegeven in het geval de beloning onderdeel van het verzoek om zekerheid vooraf uitmaakt.
Artikel I
Algemeen
Onderdeel van Vragen en antwoorden met betrekking tot besluit Dienstverleningslichamen en zekerheid vooraf (DGB 2014/3101), besluit Behandeling verzoeken zekerheid vooraf in vorm van Advance Tax Ruling (ATR) (DGB 2014/3099)· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 13 juni 2014