Indien de ACM een bestuurlijke boete oplegt aan een natuurlijke persoon vanwege het geven van opdracht tot een overtreding of het feitelijk leiding geven aan een overtreding, kan de ACM bij de vaststelling van boeteverhogende en boeteverlagende omstandigheden als bedoeld in de artikelen 2.9 en 2.10, rekening houden met de mate van betrokkenheid van de natuurlijke persoon bij het plegen van de overtreding en de positie van de natuurlijke persoon binnen de marktorganisatie waarvoor hij of zij werkzaam is, dan wel werkzaam was.
Hoofdstuk 2 › § 2.5
Artikel 2.11
Artikel 2.11
Onderdeel van Boetebeleidsregel ACM 2014· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 1 juli 2016