Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Voordelen uit hoofde van het activum (artikel 12b, eerste lid)

Onderdeel van Vennootschapsbelasting, innovatiebox· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 6 september 2014

Voor de toepassing van de innovatiebox komen alleen de voordelen in aanmerking die zijn toe te rekenen aan een zelf voortgebracht immaterieel activum waarvoor een octrooi is verleend of een S&O-verklaring is afgegeven. Het begrip ‘voordeel’ behelst een economische benadering: niet alleen royalty’s, maar ook andere voordelen zoals (delen van) verkoopopbrengsten en (delen van) verlaagde (productie)kosten door rationalisatie van interne (productie)processen kunnen hieronder vallen. De bedragen als gevolg van de RDA zijn uitgesloten als voordeel. Daarnaast moet het begrip ‘voordeel’ algebraïsch worden opgevat, waardoor er zowel positieve als negatieve resultaten onder worden verstaan. Bij dit laatste kan o.a. worden gedacht aan onderhoudskosten of beheers- en exploitatiekosten, maar bijvoorbeeld ook aan een terugbetaling van ontvangen vergoedingen. Overigens is de innovatiebox alleen van toepassing op een positief saldo van de voordelen ter zake van de octrooi- en S&O-activa (zie onderdeel 8 hierna). De innovatiebox kent een drempel (zie onderdeel 12 hierna). Deze drempel is opgebouwd uit de voortbrengingskosten, vermeerderd met een eventueel negatief saldo van de voordelen en verminderd met eventuele voordelen behaald in de periode tussen octrooiaanvraag en -verlening. Pas nadat de drempel is ingelopen, worden de voordelen slechts gedeeltelijk in de heffingsgrondslag opgenomen. Hierdoor komen per saldo alleen positieve innovatiewinsten voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Het bepalen van de aan de innovatiebox toerekenbare voordelen is maatwerk en vereist een individuele benadering. Hierbij past geen vaste rekenregel of vast percentage; ook niet per sector. In de praktijk worden afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval verschillende economische benaderingen gehanteerd. Hierbij gaat het vooral om methoden die ontleend zijn aan de theorie van het arm’s-lengthbeginsel, maar zijn toegesneden op het bepalen van de voordelen die voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking komen. Hierbij kan o.a. worden gedacht aan de afpelmethode en de kostengerelateerde methode (zie subonderdelen 6.3.4, respectievelijk 6.3.5 hierna). Doorslaggevend bij de keuze voor een benadering is de aard en het belang van octrooi- en S&O-activa in de bedrijfsprocessen van een belastingplichtige. Dit betekent dat meerdere toerekeningsmethoden voor verschillende activa naast elkaar kunnen worden toegepast. Bij de keuze voor een benadering kan een functionele analyse en de documentatie gebaseerd op artikel 8b, derde lid, van de Wet Vpb, behulpzaam zijn. De hierin beschreven relevante functies, activa en risico’s vormen de basis voor het bepalen van de aan de immateriële activa toerekenbare voordelen. Daarvoor kunnen aanknopingspunten worden gevonden bij de internationale standaarden, zoals de OESO-richtlijnen. Omdat er normaal gesproken altijd meerdere functies, activa en risico’s zijn, merk ik wellicht ten overvloede nog op dat het in de praktijk niet mogelijk zal zijn dat 100% van de totale voordelen is toe te rekenen aan de innovatiebox. Als er sprake is van een Nederlandse vaste inrichting van een in het buitenland gevestigd lichaam of van een in Nederland gevestigd lichaam met een vaste inrichting in het buitenland, vindt de winstallocatie aan de vaste inrichting plaats volgens de zogenoemde ‘authorized OECD approach’. Deze zogenoemde ‘AOA’ is uitgewerkt in het OESO-rapport ‘Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishments’ (het zogenoemde ‘PE-Report’) en nader toegelicht in het besluit over winstallocatie aan vaste inrichtingen. Uitgangspunt voor de toerekening van de voordelen aan de innovatiebox vormt het gedeelte van de winst dat aan het Nederlandse gedeelte van de onderneming wordt toegerekend. De winst die wordt toegerekend aan het gedeelte van de onderneming dat buiten Nederland ligt, komt dus niet in aanmerking voor de toepassing van de innovatiebox. Ingeval de voortbrengingskosten en voordelen van een octrooi- of S&O-activum individueel bepaalbaar zijn in de administratie, kan de ‘per-activummethode’ worden toegepast. Dit is een methode, waarbij per octrooi- of S&O-activum wordt bepaald wat de voortbrengingskosten en voordelen zijn en welk voordeel voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan incidentele innovaties of innovaties die niet verweven zijn met het gehele bedrijfsproces van de onderneming. Een groothandel in bouwmaterialen ontwikkelt voor eigen rekening en risico een reeks betonverbeteringsproducten. Hiervoor worden S&O-verklaringen afgegeven. Het nieuwe product dient ter vervanging van een vergelijkbaar product in het assortiment dat voorheen werd ingekocht van een derde partij. Ook de overige verkochte producten worden van derden ingekocht. Na drie jaar ontwikkeling wordt het product onder de eigen merknaam verkocht. De voortbrengingskosten voor het immateriële activum zijn goed te bepalen. Omdat in dit geval de voordelen en voortbrengingskosten die samenhangen met het nieuwe product separaat bepaalbaar zijn, wordt de per-activummethode toegepast. Na inloop van de drempel komen de voordelen die aan het immateriële activum zijn toe te rekenen voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking. Wellicht ten overvloede merk ik op dat van de opbrengsten van het nieuwe product ook delen toegerekend zullen moeten worden aan andere functies, zoals o.a. marketing, productie en verkoop. Het is dus niet zo dat de volledige winst op het nieuwe product voor toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt. Binnen ondernemingen waar onderzoek en ontwikkeling een wezenlijk onderdeel uitmaakt van de dagelijkse bedrijfsvoering en verweven is met het bedrijfsproces, ligt het voor de hand het voordeel op een meer geaggregeerd niveau te bepalen. Als de R&D-functie binnen een onderneming een kernfunctie – één van meest belangrijke functies – is en het belang van de octrooi- en S&O-activa relatief groot is, wordt het voordeel uit hoofde van deze activa veelal bepaald door de zogenoemde ‘afpelmethode’. Hierbij worden de functies binnen een onderneming onderscheiden in enerzijds ondersteunende en routinematige functies, en anderzijds kernfuncties. Uitgaande van de operationele winst van de onderneming wordt eerst een deel van de operationele winst aan de ondersteunende en routinematige functies gealloceerd. Dit gebeurt veelal op basis van een kostengerelateerde methode. De restwinst wordt vervolgens verdeeld over de kernfuncties naar rato van het relatieve belang van deze functies bij de desbetreffende onderneming. Hierbij merk ik op dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de R&D-functie de enige kernfunctie is. Het voordeel dat voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt, bedraagt maximaal het deel van de restwinst dat aan de kernfunctie R&D kan worden toegerekend. Als niet alle R&D leidt tot kwalificerende immateriële activa, moet hiermee rekening worden gehouden. Een veredelaar in groentezaden beschikt over honderd actieve kwekersrechten. Jaarlijks worden nieuwe immateriële activa voortgebracht en worden ongeveer vijf tot tien nieuwe kwekersrechten aangevraagd en verkregen. De omzet van het veredelingsbedrijf bestaat deels uit royalty’s en deels uit opbrengsten van het plantaardig materiaal. Ongeveer een derde van het personeel wordt gevormd door (veelal) academisch geschoolde R&D-medewerkers. Voor hun werkzaamheden zijn S&O-verklaringen afgegeven. Gelet op de omvang van de kwekersrechtenportefeuille is een separate administratie van opbrengsten en kosten inzake de individuele voortgebrachte immateriële activa niet goed mogelijk. Wel is de R&D-functie voor deze veredelaar van cruciaal belang. Onder de gegeven omstandigheden is R&D een kernfunctie en kan het voordeel met de afpelmethode worden bepaald. Daarom komt een substantieel deel van het totale door de onderneming behaalde voordeel voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking. De functionele analyse (zie onderdeel 6.3.1 hiervoor) kan tot de conclusie leiden dat de R&D-functie en de octrooi- en S&O-activa géén centrale rol in de onderneming spelen, maar meer bijkomstig of ondersteunend van aard zijn. Voor de berekening van het voordeel uit hoofde van de innovatiebox wordt dan aangesloten bij een kostengerelateerde methode. Hierbij wordt het voordeel bepaald aan de hand van de kosten die voor de octrooi- of S&O-activa zijn gemaakt. Het beslaat de integrale kosten, waardoor hierbij ook de indirecte kosten moeten worden betrokken. Op deze kosten wordt vervolgens een opslag berekend die als voordeel voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt. De hoogte van deze opslag is gebaseerd op wat een derde voor de activiteiten bereid zou zijn te betalen en begeeft zich afhankelijk van de feiten en omstandigheden veelal tussen de 8% en 15% van de kosten. Een reisorganisatie met ongeveer tweeduizend werknemers heeft enkele jaren geleden – voornamelijk in eigen beheer – een nieuw softwarepakket gebouwd ter vervanging van een gedeelte van haar ondersteunende back office IT-infrastructuur. Na afronding wordt het softwarepakket continu aangepast aan de laatste softwareontwikkelingen. Hierbij is sprake van doorontwikkeling waarbij jaarlijks een nieuw immaterieel activum ontstaat. Voor de eigen medewerkers die hier bij betrokken zijn, wordt ook elk jaar een S&O-verklaring verkregen. De kosten bedragen jaarlijks € 1 miljoen. Omdat het softwarepakket een ondersteunend karakter heeft en het kostenbesparend werkt, ligt een kostengerelateerde benadering voor de hand. Dat betekent dat jaarlijks afhankelijk van de overige feiten en omstandigheden bijvoorbeeld 10% van de kosten (€ 100.000) als voordeel voor de toepassing van de innovatiebox in aanmerking komt. Belastingplichtigen kunnen voor de voordeeltoerekening naast de eerder beschreven economische benaderingen ook kiezen voor een forfaitaire methode (zie onderdeel 14.2 hierna).

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel