Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4 › § 2

Artikel XLIII

Artikel XLIII

Onderdeel van Wet opheffing bedrijfslichamen· Ondernemingspraktijk

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2019

1. Binnen zes maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van artikel II, onderdeel D, van deze wet, stelt Onze Minister voor ieder bedrijfslichaam de rekening der inkomsten en uitgaven vast over de periode onmiddellijk voorafgaand aan de opheffing waarover niet met toepassing van artikel 124 van de Wet op de bedrijfsorganisatie die rekening is vastgesteld. 2. Alvorens Onze Minister de rekening der inkomsten en uitgaven vaststelt, legt hij een ontwerp daarvan voor onderzoek voor aan een onafhankelijke accountant die is ingeschreven in het accountantsregister, bedoeld in artikel 36 van de Wet op het accountantsberoep. Het onderzoek wordt niet opgedragen aan de accountant die laatstelijk de interne accountant van het desbetreffende bedrijfslichaam is geweest. 3. De accountant verricht zijn onderzoek met overeenkomstige toepassing van de voorschriften in de Verordening financiën bedrijfslichamen 2011 met betrekking tot de jaarrekening en geeft de uitslag van zijn onderzoek weer in een controleverklaring omtrent de getrouwheid van de inkomsten en uitgaven. Artikel XL is van overeenkomstige toepassing op de kosten van de werkzaamheden van de accountant. 4. Onze Minister stelt de rekening der inkomsten en uitgaven van een bedrijfslichaam niet eerder vast dan nadat hij kennis heeft kunnen nemen van de verklaring van de accountant. 5. Onze Minister legt de rekening en de controleverklaring van de accountant ter inzage op het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en doet daarvan mededeling in de Staatscourant. 6. De in het vierde lid bedoelde vaststelling strekt tot décharge van het dagelijks bestuur van het desbetreffende bedrijfslichaam, behoudens in geval van later gebleken valsheid in bewijsstukken of andere onregelmatigheden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel