Het Nederlandse drugsbeleid richt zich op het tegengaan en reduceren van drugsgebruik, zeker voor zover leidend tot gezondheids- en sociale schade, en op het voorkomen en verminderen van de maatschappelijke schade die aan het gebruik van, de productie van en de handel in drugs is verbonden.
De Opiumwet is in de loop der jaren gewijzigd, vooral met betrekking tot de verboden handel en productie. Zo is in 1999 de strafbaarstelling geïntroduceerd van het ‘beroeps- of bedrijfsmatig handelen in strijd met een van de in artikel 3, eerste lid onder B van de Opiumwet (OW) gegeven verboden’, en is in die verboden het bestanddeel ‘telen’ toegevoegd. In juni 2006 zijn de maximumstraffen voor enkele Opiumwetdelicten verhoogd en zijn bestanddelen als ‘opzettelijk handelen’ en ‘grote hoeveelheid’ in de artikelen 10 en 11 OW opgenomen en is aan artikel 2 OW, analoog aan artikel 3 OW, het bestanddeel ‘telen’ toegevoegd. In november 2008 is in lijst II van de Opiumwet een groot aantal paddenstoelen die een hallucinerende werking hebben, opgenomen en is het zogeheten paddoverbod in werking getreden. Op 12 mei 2012 is GHB van lijst II naar lijst I gegaan en daarmee een harddrug geworden. Per 1 januari 2013 is het gedoogbeleid voor coffeeshops aangescherpt door de toegang tot coffeeshops te beperken tot ingezetenen van Nederland.
Per 1 maart 2015 zijn handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van de handel in en productie of teelt van middelen vermeld op lijst II strafbaar gesteld in het nieuwe artikel 11a OW1Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt, Stb. 2014, 444 en Stb. 2014, 489.. Deze bepaling kent een opzet- en een schuldvariant.2Vergelijkbaar met de bepaling in artikel 10a, eerste lid aanhef en onder 3 van de Opiumwet. In de schuldvariant is strafbaar degene die ernstige reden heeft om te vermoeden dat de voorbereidingsmiddelen bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde of vijfde lid, OW strafbaar gestelde feiten. De aanwijzing gaat nader in op de schuldvariant met betrekking tot illegale hennepteelt.
Uitgangspunt van het beleid is het onderscheid dat in de Opiumwet is gemaakt tussen verdovende middelen met een onaanvaardbaar risico voor de volksgezondheid (harddrugs) en andere middelen (softdrugs). De wetgever heeft dat onderscheid gemaakt met het oog op de gebruiksrisico's van de onderscheiden drugs en om een duidelijke scheiding tussen beide markten aan te brengen. Daartoe worden voor cannabis, dat tot de lijst-II middelen behoort, speciale verkooppunten in de vorm van coffeeshops gedoogd. De achterliggende gedachte hiervan is te voorkomen dat de cannabisgebruiker in aanraking komt met drugs met een groter gezondheidsrisico (harddrugs).
In de aanwijzing is alleen in het verband van het coffeeshopbeleid en de "gebruikersruimte" sprake van gedogen van bepaalde strafbare feiten. Dit moet worden onderscheiden van een lage opsporingsprioriteit die op andere punten aan strafbare feiten wordt toegekend.
De grondslag van het gedoogbeleid ligt in de afweging van belangen waarbij het belang van handhaving moet wijken voor een hoger identificeerbaar algemeen belang. In de context van het drugsbeleid wordt dit hogere belang gevonden in de volksgezondheid (scheiding der markten) en de openbare orde. Het gaat dus om een positieve beslissing niet op te sporen en te vervolgen ongeacht de aanwezige capaciteit.
De toekenning van een lage opsporingsprioriteit aan bepaalde categorieën van strafbare feiten is in het algemeen gelegen in de beoordeling van de relatieve ernst van de strafbare feiten afgezet tegen capacitaire overwegingen.
Overeenkomstig de Opiumwet wordt onderscheid gemaakt tussen gebruikers, handelaren, faciliteerders en grensoverschrijdende transporteurs. De strafeis wordt in hoofdzaak bepaald door de hoeveelheid verdovende middelen die onderwerp van het delict zijn en de duur van de periode gedurende welke in verdovende middelen is gehandeld.
Indien er bij overtreding van de Opiumwet tevens sprake is van georganiseerde criminaliteit zal, zo mogelijk, artikel 11b OW of artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) moeten worden toegepast.
De opsporing en vervolging van het faciliteren of vergemakkelijken van illegale hennepteelt heeft dezelfde prioriteit als de opsporing en vervolging van Opiumwetdelicten met betrekking tot beroeps- of bedrijfsmatige teelt van hennepproducten of de teelt van grote hoeveelheden hennepproducten. Bij de interpretatie van de term ‘ernstige reden om te vermoeden’ neemt de officier van justitie het volgende in overweging:
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat sprake moet zijn van bewuste culpa in de gradatie grove nalatigheid. De wetgever heeft aangeven dat het hierbij gaat om situaties waarin het niet anders kan zijn dan dat de gedragingen als omschreven in artikel 11a OW zijn begaan terwijl betrokkene zich bewust is geweest van de criminele bestemming van de genoemde voorbereidingsmiddelen3Deze zware vorm van culpa (schuld) ligt direct tegen het voorwaardelijk opzet aan volgens de wetgever. Vgl. Kamerstukken II 2012/13, 32 842, nr. 13, p. 7 en Kamerstukken I 2012/13, 32 842, B, p. 8.’. Zie verder: Kamerstukken II 1982/83, 17 975, C, p. 6.. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling van de wetgever geweest om voor bijvoorbeeld elke verkoper in een tuincentrum een onderzoeksplicht te creëren gevolgd door strafvervolging bij niet-naleving daarvan. Daarentegen zal bijvoorbeeld bij de verkoop in een growshop, waarbij alleen al uit het aanbod, de benaming van voorwerpen en/of uit de handleiding of gebruiksaanwijzing daarvan blijkt dat het bestemd is voor illegale hennepteelt, het nauwelijks nader bewijs behoeven dat sprake is van criminele voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a OW en zal vervolging dus snel geïndiceerd zijn.
Extra aandacht moet in de vervolging worden gegeven aan de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e Sr).
Inbeslagneming: Bij het constateren van een strafbaar feit op grond van de Opiumwet dienen in elk geval alle aangetroffen middelen vermeld op lijst I en/of II in beslag te worden genomen, met een uitzondering voor middelen wanneer het een hoeveelheid voor eigen geneeskundig gebruik betreft die op recept is verkregen.
Artikel 2
Achtergrond
Onderdeel van Aanwijzing Opiumwet· Openbare orde en veiligheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 maart 2015