Het wetsvoorstel Wet implementatie wijzigingen Moeder-dochterrichtlijn 2015 bevat ondermeer aanpassingen van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb en artikel 1, zevende lid van de Wet DB, waarbij deze artikelen in overeenstemming zijn gebracht met de anti-misbruikbepaling in de Moeder-dochterrichtlijn3Richtlijn 2015/121/EU van de Raad van 27 januari 2015 tot wijziging van Richtlijn 2011/96/EU betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten (PbEU 2015, L 21). Als gevolg van deze aanpassingen is het in bepaalde situaties van belang of een in het buitenland gevestigd lichaam dat een aanmerkelijk belang houdt in een in Nederland gevestigd lichaam, respectievelijk het directe lid van een coöperatie beschikt over de substance als bedoeld in onderdeel 8a van het ATR-besluit.
De voorgestelde wet treedt, na aanvaarding ervan door de Tweede en Eerste Kamer en publicatie in het Staatsblad, op 1 januari 2016 in werking en voorziet niet in overgangsrecht. Op dat moment lopende ATR’s inzake de toepassing van artikel 17, derde lid, onderdeel b van de Wet Vpb en artikel 1, zevende lid van de Wet DB verliezen dan, indien in de hiervoor bedoelde gevallen niet wordt voldaan aan de substance-eisen, hun geldigheid op basis van de in de ATR opgenomen bepaling dat de ATR vervalt bij een relevante wetswijziging4Zie het ATR-Besluit, onderdeel 7, letter h. Voor deze situaties heb ik vanuit efficiency-overwegingen in onderdeel 3 een goedkeuring opgenomen.
Artikel 2
Gevolgen relevante wetswijziging voor ATR’s
Onderdeel van Vennootschapsbelasting, dividendbelasting; ATR’s; aanpassingstermijn· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 12 november 2015