Naar hoofdinhoud

Artikel VII

Artikel VII

Onderdeel van Implementatiewet Europees kader voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen· Bank- en effectenrecht, financiering

Deze tekst geldt sinds 26 november 2015

1. De artikelen 3A:17, 3A:18, 3A:20, 3A:21, 3A:44, 3A:48, 3A:69, 3A:70, 3A:73, 3A:74 en 3A:75 van de Wet op het financieel toezicht zijn tot het tijdstip waarop verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PbEU 2014, L 225), met uitzondering van de onderdelen, bedoeld in artikel 99, derde tot en met vijfde lid, van die verordening, van toepassing wordt, van overeenkomstige toepassing op entiteiten die vallen onder de werking van die verordening. 2. Het afwikkelingsfonds, bedoeld in artikel 3A:68, eerste lid, van de Wet op het financieel toezicht heeft tot het in het eerste lid bedoelde tijdstip tevens tot taak het beheer van financiële middelen voor de financiering van afwikkelingsmaatregelen ten aanzien van banken en beleggingsondernemingen die vallen onder de werking van de verordening, bedoeld in het eerste lid. 3. Ten behoeve van het afwikkelingsfonds wordt ten minste eenmalig een bijdrage geheven van banken en beleggingsondernemingen die vallen onder de werking van de verordening, bedoeld in het eerste lid. De artikelen 3A:71 en 3A:72 van de Wet op het financieel toezicht zijn van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel