Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2

Artikel 3

Hoogte en duur

Onderdeel van Uitvoeringsbesluit kinderbijslagvoorziening BES· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2016

1. Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging en de mate waarin de rechthebbende de gedraging verweten kan worden. 2. De hoogte en duur van een maatregel wordt, met dien verstande dat de hoogte van de maatregel ten minste 25 procent bedraagt van het geldende maandelijkse kinderbijslagbedrag BES voor één kind, vastgesteld op: ten hoogste 30 procent van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten minste één maand indien: de rechthebbende binnen de vastgestelde termijn niet of niet behoorlijk gevolg geeft aan een verzoek om informatie als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet; de rechthebbende de controlevoorschriften, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de wet niet of niet behoorlijk opvolgt of geen of onvoldoende medewerking verleent aan Onze Minister als bedoeld in artikel 15, tweede lid, van de wet. een gehele of gedeeltelijke weigering van het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES gedurende ten hoogste drie maanden indien de rechthebbende zich niet onthoudt van zeer ernstige misdragingen als bedoeld in artikel 15, derde lid, van de wet. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onderdelen a en b, wordt het maandelijkse kinderbijslagbedrag BES in aanmerking genomen waarop op grond van de wet recht bestaat ten behoeve van het kind of de kinderen ten aanzien van wie de overtreding is begaan. 4. Indien aan de rechthebbende een maatregel is opgelegd en binnen twee jaar na de datum van het besluit opnieuw dezelfde verplichting niet of niet behoorlijk wordt nagekomen wordt het minimumbedrag, bedoeld in de aanhef van het tweede lid, alsmede het percentage van de op te leggen maatregel, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel a, met 50 procent verhoogd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel