Naar hoofdinhoud
Op grond van artikel 2.132, derde lid, van de Mediawet 2008 kan toestemming alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016, houdt een nevenactiviteit verband met of staat deze ten dienste van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en is deze direct gerelateerd aan het media-aanbod van de publieke media-instelling indien het een nevenactiviteit in cluster 1, de exploitatie van onverkort media-aanbod of publieke formats buiten de publieke media-opdracht, betreft. Verkoop van bepaalde programma’s en fragmenten bestaande uit publiek media-aanbod door de landelijke publieke media-instellingen aan derden betreft exploitatie van onverkort media-aanbod. Zoals het Commissariaat heeft overwogen in de toelichting op zijn Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 (overweging 42) worden nevenactiviteiten in cluster 1 verondersteld te voldoen aan de voorwaarden die de wet aan de relatie stelt, omdat sprake is van de verspreiding van onverkort media-aanbod of formats, die zijn ontwikkeld in het kader van de publieke media-opdracht. Indien het verstrekken van een merklicentie onderdeel is van de nevenactiviteit, wordt ook die licentieverstrekking geacht te voldoen aan de voorwaarden van relatie. Met die licentieverlening wordt immers de herkenbaarheid van het media-aanbod vergroot en is de nevenactiviteit herleidbaar tot de publieke media-instelling. Hiermee houden dit soort activiteiten verband met of staan deze ten dienste van de verwezenlijking van de publieke media opdracht en zijn deze direct gerelateerd aan het media-aanbod van de publieke media-instellingen. Overeenkomstig artikel 5 van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 wordt bij de beoordeling of het verrichten van een nevenactiviteit marktconform is in ieder geval de kostprijs van de nevenactiviteit, de licentievergoeding en verkoopprijs van de nevenactiviteit en de markt die met de nevenactiviteit wordt betreden, betrokken. Het Commissariaat kan op grond van artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 bij de beoordeling van de marktconformiteit ook andere factoren betrekken, zoals bijvoorbeeld de waarde van het gebruik van het imago van de publieke media-instelling en de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Voor zover het gaat om verkoop van programma’s en fragmenten door de landelijke publieke media-instellingen aan derden acht het Commissariaat de toepasselijke minimumverkooprijs op grond van de Tarievenlijst hergebruik archiefmateriaal van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid en de daarbij behorende (algemene) voorwaarden binnen het kader van nevenactiviteiten in beginsel marktconform. Dit besluit bestrijkt derhalve niet de verkoop van programma’s en fragmenten tegen een lagere verkoopprijs, of de verkoop op basis van andere, bijzondere voorwaarden. Het Commissariaat benadrukt dat de vergoeding conform de Tarievenlijst zoals opgenomen in het generieke toestemmingsbesluit slechts te gelden heeft als ondergrens van dit generieke toestemmingsbesluit en laat uiteraard onverlet dat in de omstandigheden van een specifiek geval een hogere vergoeding aangewezen kan zijn om te voldoen aan het vereiste van marktconformiteit. Het Commissariaat is vooralsnog dan ook van oordeel dat nevenactiviteiten betreffende de verkoop van programma’s en fragmenten door de landelijke publieke media-instellingen aan derden overeenkomstig de Tarievenlijst en dit generieke toestemmingsbesluit marktconform worden verricht zoals bedoeld in artikel 2.132, derde lid, van de Mediawet 2008. Toestemming voor een nevenactiviteit kan alleen worden verleend als de nevenactiviteit kostendekkend wordt verricht. Overeenkomstig artikel 8 van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 is er geen sprake van kostendekkendheid indien de nevenactiviteit direct of indirect wordt bekostigd door of anderszins ten laste komt van de publieke media-opdracht. Het Commissariaat is vooralsnog van oordeel dat de verkoop van programma’s en fragmenten door landelijke publieke media-instellingen aan derden voldoet aan de voorwaarde van kostendekkendheid. Het Commissariaat stelt vast dat bij dit soort verkoopactiviteiten in de regel sprake is van zeer geringe kosten. Zolang die kosten in elk geval gedekt worden door de overeengekomen verkoopprijs, is voldaan aan het vereiste van kostendekkendheid. Het Commissariaat is dan ook vooralsnog van oordeel dat de nevenactiviteit kostendekkend wordt verricht zoals bedoeld in artikel 2.132, derde lid, van de Mediawet 2008. Het Commissariaat zal de kostendekkendheid jaarlijks controleren aan de hand van de jaarrekening. Aan de vereisten van relatie met de publiek media-opdracht, de marktconformiteit en kostendekkendheid is bij de activiteiten die vallen binnen dit toestemmingsbesluit voldaan. Daarom geeft het Commissariaat toestemming voor deze activiteiten. De toestemming wordt verleend voor onbepaalde tijd. Echter indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld door gewijzigde marktomstandigheden, kan het besluit worden ingetrokken en eventueel worden vervangen door een ander besluit. Het Commissariaat wijst er ten slotte op dat overeenkomstig artikel 15 van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 op de publieke media-instellingen de zelfstandige verantwoordelijkheid rust om een nevenactiviteit tijdig ter beoordeling aan het Commissariaat voor te leggen of per direct te staken zodra de nevenactiviteit niet langer binnen de reikwijdte van het toestemmingsbesluit valt. In een dergelijk geval is de nevenactiviteit niet langer toegestaan aangezien, bij voortzetting, die nevenactiviteit zal worden verricht zonder de in artikel 2.132, eerste lid, van de Mediawet 2008 genoemde toestemming.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel