Zoals volgt uit de Beleidsregels van het Commissariaat voor de Media (hierna: het Commissariaat) van 1 januari 2016 houdende beleidsregels omtrent nevenactiviteiten publieke media-instellingen (Beleidsregels nevenactiviteiten 2016), de Consultatie Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 en het Rapport evaluatie nevenactiviteiten 2009 – 2014, acht het Commissariaat het opportuun om voor enkele soorten nevenactiviteiten als bedoeld in artikel 2.132, tweede lid, van de Mediawet 2008 een generieke toestemming te geven.
Dit besluit bevat een generieke toestemming voor alle publieke media-instellingen voor de volgende activiteiten, binnen de door dit besluit gegeven grenzen:
het verkopen van producten of diensten van derden.
Het Commissariaat overweegt dat op de publieke media-instellingen de verantwoordelijkheid rust om te beoordelen of een voorgenomen activiteit binnen de reikwijdte van dit generieke toestemmingsbesluit valt.
Voorts dienen alle publieke media-instellingen nevenactiviteiten die binnen dit besluit worden verricht separaat bij het Commissariaat te melden, voor aanvang van de nevenactiviteit, via het Meldingsformulier generieke toestemmingen.
Deze melding behelst dus geen aanvraag tot het verrichten van een nevenactiviteit als genoemd in artikel 11 van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016, te weten een ‘reguliere’ nevenactiviteit c.q. de standaard meldingsprocedure van nevenactiviteiten. Het Commissariaat zal over onderhavige nevenactiviteiten dus geen separaat besluit nemen. Door onderhavig generiek toestemmingsbesluit hebben de publieke media-instellingen immers al toestemming verkregen voor het verrichten van deze nevenactiviteiten. De melding heeft tot doel om het Commissariaat en derden (via het openbaar register nevenactiviteiten) inzicht te geven in de nevenactiviteiten die binnen de generieke toestemming worden verricht.
Een ander laat overigens onverlet dat het Commissariaat te allen tijde – zowel vooraf als achteraf – steekproefsgewijs of indien bij hem een klacht of een handhavingsverzoek wordt ingediend, de betreffende nevenactiviteiten alsnog kan toetsen.
Voor de wijze waarop moet worden gehandeld indien een activiteit niet (langer) binnen de reikwijdte van dit toestemmingsbesluit valt, wordt eveneens verwezen naar de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016.
Hieronder wordt uiteengezet op grond waarvan en onder welke voorwaarden toestemming wordt verleend.
De voor 1 januari 2016 verleende toestemmingen in het voormalig cluster 5 (het verkopen van producten of diensten via een webwinkel) blijven onverkort gelden voor de duur van de toestemming. Dat betekent dat de producten of diensten van derden die al voor 1 januari 2016 via de webwinkel, conform in het verleden afgegeven toestemmingen, werden verkocht niet (opnieuw) hoeven te worden gemeld.
Echter, gelet op de per 1 januari 2016 in werking getreden Beleidsregels nevenactiviteiten 2016, dient de financiële verantwoording van deze reeds bestaande activiteiten vanaf 2016 wel op basis van de nieuwe clusterindeling plaats te vinden. Dat betekent dat de verantwoording van de reeds bestaande activiteiten in de nieuwe clusters 4 (het verkopen van producten of diensten van derden) en 5 (het houden van een webshop) moeten worden verantwoord. Zie voor de systematiek en wijze van verantwoording de toelichting op de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 (overweging 82).
Artikel A
Aard en strekking besluit
Onderdeel van Generiek toestemmingsbesluit nevenactiviteiten – cluster 4 (verkopen producten of diensten van derden)· Cultureel recht
Deze tekst geldt sinds 4 januari 2016