Naar hoofdinhoud

Artikel D

Motivering en randvoorwaarden

Onderdeel van Generiek toestemmingsbesluit nevenactiviteiten – cluster 4 (verkopen producten of diensten van derden)· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 4 januari 2016

Op grond van artikel 2.132, derde lid, van de Mediawet 2008 kan toestemming alleen worden gegeven als een nevenactiviteit verband houdt met of ten dienste staat van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en direct gerelateerd is aan het media-aanbod van de publieke media-instelling, op marktconforme wijze wordt verricht en ten minste kostendekkend is. Op grond van artikel 4, vierde lid, van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016, houdt een nevenactiviteit verband met of staat deze ten dienste van de verwezenlijking van de publieke media-opdracht en is direct gerelateerd aan het media-aanbod van de publieke media-instelling indien in geval van een nevenactiviteit in cluster 4 is voldaan aan de voorwaarde dat de producten of diensten van derden een afgeleide verschijningsvorm zijn van media-aanbod dat door de publieke media-instelling wordt verspreid via één van de beschikbare aanbodkanalen. Hieraan is bijvoorbeeld voldaan in het geval de publieke media-instelling een vastlegging verkoopt van een programma dat zij zelf heeft uitgezonden en waarbij de publieke media-instelling uitsluitend de uitzendrechten op het programma heeft. Ook kan worden gedacht aan het verkopen van een boek van een presentator gebaseerd op een programma van de betreffende publieke media-instelling. Zolang de producten of diensten van derden dus een afgeleide verschijningsvorm zijn van media-aanbod dat door de publieke media-instelling wordt verspreid, voldoet de verkoop daarvan dus aan de voorwaarde voor relatie. Dan houden dit soort activiteiten verband met of staan deze ten dienste van de verwezenlijking van de publieke media opdracht en zijn deze direct gerelateerd aan het media-aanbod van de publieke media-instellingen. Overeenkomstig artikel 5 van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 wordt bij de beoordeling of het verrichten van de nevenactiviteit marktconform is in ieder geval de kostprijs van de nevenactiviteit, de licentievergoeding en verkoopprijs van de nevenactiviteit en de markt die met de nevenactiviteit wordt betreden, betrokken. Het Commissariaat kan op grond van artikel 5, tweede lid, van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 bij de beoordeling van de marktconformiteit ook andere factoren betrekken, zoals bijvoorbeeld de waarde van het gebruik van het imago van de publieke media-instelling en de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen. Het Commissariaat acht een verkoopprijs van de producten of diensten van derden binnen een range van vijf gelijke of vergelijkbare producten of diensten marktconform. Zolang sprake is van een verkoopprijs die valt binnen deze range, is het Commissariaat vooralsnog van oordeel dat de activiteit marktconform wordt verricht, zoals bedoeld in artikel 2.132, tweede lid, van de Mediawet 2008. Toestemming voor een nevenactiviteit kan alleen worden verleend als de nevenactiviteit kostendekkend wordt verricht. Overeenkomstig artikel 8 van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 is er geen sprake van kostendekkendheid indien de nevenactiviteit direct of indirect wordt bekostigd door of anderszins ten laste komt van de publieke media-opdracht. Omdat het producten of diensten van derden betreft worden die producten of diensten voor rekening en risico van een derde geproduceerd. Met de productie samenhangende financiële risico’s zullen dus niet door de publieke media-instelling worden gedragen. Onder verwijzing naar zijn Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 merkt het Commissariaat daarnaast het volgende op. Bij het verkopen van producten of diensten van derden dienen de kosten die verbonden zijn aan het verkopen in de kostprijs te zijn opgenomen. Kosten die bijvoorbeeld verbonden zijn aan het opzetten en de instandhouding van een webwinkel (cluster 5) zullen dus verdisconteerd moeten zijn in de directe of indirecte kosten/organisatiekosten van het aanbod aan nevenactiviteiten (en eventuele verenigingsactiviteiten) dat in de webwinkel wordt aangeboden. Deze kosten maken derhalve integraal deel uit van de kostprijs van de producten of diensten uit nevenactiviteiten (en eventuele verenigingsactiviteiten) die in de webwinkel worden aangeboden. Met inachtneming hiervan heeft het Commissariaat voorshands geen aanleiding te veronderstellen dat de bedoelde nevenactiviteiten niet aan de voorwaarde van kostendekkendheid zullen kunnen voldoen. Het Commissariaat is dan ook vooralsnog van oordeel dat de nevenactiviteit kostendekkend wordt verricht zoals bedoeld in artikel 2.132, derde lid, van de Mediawet 2008. Het Commissariaat zal de kostendekkendheid jaarlijks controleren aan de hand van de jaarrekening. Aan de vereisten van relatie met de publiek media-opdracht, de marktconformiteit en kostendekkendheid is voldaan. De toestemming wordt verleend voor onbepaalde tijd. Echter indien daartoe aanleiding bestaat, bijvoorbeeld door gewijzigde marktomstandigheden, kan het besluit worden ingetrokken en eventueel worden vervangen door een ander besluit. Het Commissariaat wijst er ten slotte op dat overeenkomstig artikel 15 van de Beleidsregels nevenactiviteiten 2016 op de publieke media-instellingen de zelfstandige verantwoordelijkheid rust om een nevenactiviteit tijdig ter beoordeling aan het Commissariaat voor te leggen of per direct te staken zodra de nevenactiviteit niet langer binnen de reikwijdte van het toestemmingsbesluit valt. In een dergelijk geval is de nevenactiviteit niet langer toegestaan aangezien, bij voortzetting, die nevenactiviteit zal worden verricht zonder de in artikel 2.132, eerste lid, van de Mediawet 2008 genoemde toestemming.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel