Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Artikel 2

Onderdeel van Regeling vrijstelling telecommunicatiemachtiging BES 2016· Informatierecht

Deze tekst geldt sinds 17 februari 2016

1. Geen machtiging is vereist voor het aanleggen, aanwezig hebben of gebruiken van zend- en ontvanginrichtingen, indien daarbij gebruik wordt gemaakt van de in het tweede lid aangewezen categorieën van inrichtingen. 2. Als categorieën zend- en ontvanginrichtingen waar op grond van het eerste lid een machtiging niet is vereist, worden aangewezen: apparaten die bestemd zijn voor aansluiting op een mobiele telecommunicatie-infrastructuur, als voor het gebruik van de door het netwerk gebruikte frequentieruimte een concessie is verleend; randapparaten die bestemd zijn voor aansluiting op een openbaar satellietsysteem voor mobiele communicatie, met uitzondering van maritiem mobiele communicatie en het nood-, spoed- en veiligheidsverkeer; draadloze telefoons die bestemd zijn voor aansluiting op een vaste telecommunicatie-infrastructuur, mits de in bijlage 1 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen; radiozendapparaten voor algemene radiocommunicatie in de 27 MHz-frequentieband (Citizens Band), mits de in bijlage 2 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen; randapparaten die bestemd zijn voor aansluiting op een mobiele of vaste telecommunicatie-infrastructuur voor plaatsbepaling; mobiele VHF/UHF radiozendapparaten voor landmobielgebruik die daadwerkelijk en op grond van een met dat doel gesloten overeenkomst onderdeel zijn van een besloten netwerk dat deel uitmaakt van een radionetwerk met dynamische frequentietoewijzing waarvoor een machtiging is verleend voor het gebruik van frequentieruimte (trunking-installatie); mobiele radiozendapparaten die daadwerkelijk en krachtens een met dat doel gesloten overeenkomst aangesloten worden op een digitaal radionetwerk met dynamische frequentietoewijzing van een machtiginghouder, mits de in bijlage 3 aangegeven frequentieband en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen; mobiele UHF radiozendapparaten die werken in de frequentieband 446 MHz, 462 MHz en 467 MHz en bedoeld zijn voor algemeen gebruik voor communicatie over korte afstand (PMR 446 en Family Radio), mits de in bijlage 4 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen; radiozendapparaten die onderdeel uitmaken van, dan wel bestemd zijn voor aansluiting op een basisstation aan boord van vaartuigen, mits de in bijlage 5 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen; radiozendapparaten die onderdeel uitmaken van, dan wel bestemd zijn voor aansluiting op een basisstation aan boord van luchtvaartuigen, mits de in bijlage 6 aangegeven frequentiebanden in acht worden genomen; de in bijlage 7 genoemde categorieën radiozendapparaten, mits de in die bijlage aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen; radiozendapparaten die gebruik maken van ultrawidebandtechnologie, mits de in bijlage 8 aangegeven frequentiebanden en de daarbij behorende gebruiksvoorschriften in acht worden genomen; apparaten die als onderdeel van een satelliet grondstation bedoeld zijn voor de ontvangst van satelliet televisie. 3. De aanwijzing, bedoeld in het tweede lid, heeft alleen betrekking op zend- en ontvanginrichtingen die voldoen aan het bij of krachtens het Besluit radio-elektrische inrichtingen BES en het Besluit randapparatuur BES bepaalde.

Rechtspraak bij dit artikel