Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Nota van beantwoording zienswijzen en reactie

Onderdeel van Kavelbesluit II windenergiegebied Borssele· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 9 april 2016

Op 7 augustus 2015 zijn de ontwerpkavelbesluiten I en II Windenergiegebied Borssele gepubliceerd op de website van het Bureau Energieprojecten en is een kennisgeving hierover gepubliceerd in de Staatscourant. Tot en met donderdag 17 september 2015 was een ieder in de gelegenheid een zienswijze in te dienen op de ontwerpbesluiten. Overheden konden een reactie geven. In aanvulling op de bovengenoemde kennisgeving is een aantal overheden en instanties afzonderlijk geïnformeerd. Het betreft: De Belgische overheid (mede in het kader van het ESPOO Verdrag); De provincie Zeeland en de gemeenten Vlissingen, Middelburg, Veere, Noord-Beveland, Schouwen-Duiveland, Borsele en Sluis; De wettelijk adviseurs: Inspectie Leefomgeving en Transport en Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Behoudens de reacties van de ILT en de RCE op de concept notitie reikwijdte en detailniveau ten behoeve van het milieueffectrapport, in dezen is van hen geen nadere inbreng ontvangen. Binnen de inspraaktermijn zijn zienswijzen ingediend door: Belgian Offshore Platform, mede namens leden Belgian Offshore Platform, Delta Energy B.V.47Delta Energy BV heeft per kavelbesluit een zienswijze ingediend. Beide zienswijzen zijn nagenoeg gelijkluidend. Ten opzichte van de zienswijze op kavelbesluit II zijn de randnummers 9 en 17 in de zienswijze op kavelbesluit I extra. De reactie op randnummer 9 is hieronder aangeduid als ‘Z(I)’. In reactie op randnummer 17 geldt de op de volgende pagina opgenomen passage: ‘Waar hier door een indiener op gewezen is, is de opmaak van de betreffende paragraaf, voetnoot of lijst aangepast.’, Deutsche Telekom AG, mede namens ‘other European Telecom Carriers’, DONG Energy, Eneco, GDF SUEZ Energie Nederland N.V., het Vlaamse Gewest, MHI Vestas Offshore Wind, Norton Rose Fulbright LLP, Nuon, onderdeel van Vattenfall, NWEA, Rentel NV, Seastar NV, Sportvisserij Zuidwest Nederland, TenneT T.S.O. B.V., THV Mermaid, VisNed, Vogelbescherming Nederland, mede namens Stichting De Noordzee, Watersportverbond, mede namens Nederlands Platform voor Waterrecreatie en de Vereniging voor Beroepschartervaart. Van de gemeente Veere is een reactie ontvangen. De zienswijzen en de reactie zijn integraal opgenomen in de inspraak- en reactiebundel, die is te raadplegen via de website van Bureau Energieprojecten48https://www.rvo.nl/sites/default/files/2015/10/Conceptbundel%20anoniem%20Wind%20op%20Zee%20kl%20021015-.pdf. Hieronder is een overzicht en een samenvatting van de ontvangen zienswijzen en reacties, alsmede de beantwoording daarvan opgenomen. Per zienswijze of reactie wordt in de beantwoording beargumenteerd aangegeven of deze elementen al dan niet zullen worden meegenomen in een of beide kavelbesluiten. De relevante in de zienswijzen genoemde elementen worden hieronder per deelonderwerp behandeld. Hierbij wordt aangesloten bij de hoofdstukindeling uit de ontwerp kavelbesluiten. Allereerst wordt de zienswijze (Z) of de reactie (R) samengevat weergegeven, waarna per zienswijze een antwoord (A) wordt gegeven. De zienswijze van het Vlaamse Gewest heeft geen betrekking op de ontwerpkavelbesluiten I en II windenergiegebied Borssele en blijft om die reden buiten beschouwing. Waar hier door een indiener op gewezen is, is de opmaak van de betreffende paragraaf, voetnoot of lijst aangepast. Op 13 oktober 2015 is het advies van de Commissie voor de m.e.r.49Commissie voor de m.e.r. project 2965. http://www.commissiemer.nl/advisering/afgerondeadviezen/2965 ontvangen over het MER van de kavels I en II. De Commissie is van oordeel dat alle informatie in beide MER’en aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de kavelbesluiten. In het advies is wel aangegeven dat de toelichting in het kavelbesluit over de effecten op de grote meeuwen verduidelijkt moet worden. De tekst in het kavelbesluit is hierop aangepast. Z: Indieners pleiten er voor te zorgen dat eenduidig in de kavelbesluiten is weergegeven wat het totaal opgesteld vermogen voor een windpark bedraagt. A: Het feit dat het totaal opgesteld vermogen per kavel minimaal 342 MW is en maximaal 380 MW, is in de besluittekst opgenomen en in paragraaf 4.2.1 toegelicht. Ook voorschrift 2, vierde lid gaat uit van maximaal 95 turbines van 4 MW ofwel maximaal 380 MW. Om de tekst leesbaar te houden, wordt in de rest van de toelichting gesproken over 350, 700 of 1.400 MW en niet elke keer van een range. Z: Indiener stelt – kort samengevat – dat een wijziging van het kavelbesluit tot onzekere gevolgen voor de vergunninghouder kan leiden, en verzoekt in het kavelbesluit hier duidelijkheid over te verschaffen. A: De Wet windenergie op zee bevat geen verplichting voor de minister om in het kavelbesluit de verhouding tussen het kavelbesluit en de vergunning nader toe te lichten. Bovendien staat deze verhouding los van de uit te voeren onderzoeken en belangenafweging alsmede de op te leggen voorschriften. Om die reden wordt de verhouding tussen kavelbesluit en vergunning niet nader beschreven. De door indiener gewenste zekerheid zou alleen kunnen worden verkregen door de vergunning pas te verlenen nadat het kavelbesluit onherroepelijk is geworden. Daartoe bestaat echter juridisch geen grond. Bovendien zou dit tot onwenselijke vertraging leiden. De (aspirant) vergunninghouders zijn van deze onzekerheid op de hoogte en kunnen daarmee dus rekening houden. Z: Indieners verzoeken de procedure voor de ‘runner up’ uit te werken in de kavelbesluiten. A: Deze procedure is onderdeel van de subsidieverlening en zal daar aan de orde komen. Z: Indiener geeft aan dat de term ‘redundantiekabel’ een verkeerde indruk kan wekken, aangezien de betreffende kabel niet zou voorzien in (volledige) redundantie. A: Beschrijving van de redundantiekabel is na overleg met TenneT niet gewijzigd. De zin over de kabelaansluiting op het hoogspanningsnet op land is aangepast. Z: De verwijzing naar de formele aanwijzing van TenneT zou onjuist zijn. A: De juiste verwijzing staat reeds in het besluit. Z: Indiener stelt dat de mogelijkheden tot herziening van de vergunning en het kavelbesluit niet wenselijk is. A: Op grond van de in de Wet windenergie op zee genoemde omstandigheden kunnen de vergunning en/of het kavelbesluit herzien worden. In de kavelbesluiten en de windvergunningen kan geen uitzondering gemaakt worden op dit wettelijk kader. Wijziging van bestaande kavelbesluiten zal evenwel alleen in zeer uitzonderlijke situaties voorkomen, wanneer geconstateerd wordt dat de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar maken. De rechtszekerheid heeft daarbij een belangrijk gewicht. Kenmerken Z: Indiener stelt – kort samengevat – dat er onvoldoende rekening gehouden is met de Belgische windparken. A: In dit besluit is zoveel als mogelijk rekening gehouden met de belangen van exploitanten van nabijgelegen windparken. Hiervoor is een aanvullend onderzoek door ECN uitgevoerd, dat mede de basis vormt voor het milieueffectrapport. Voor het windenergiegebied Borssele is de keuze gemaakt om 1.400 MW windenergie te realiseren en niet 2.100 MW onder meer om de zog-effecten op de Belgische parken te verminderen. Het voorgaande neemt niet weg dat de energieopbrengst van de genoemde windparken kan afnemen na realisatie van windturbines op de aangewezen kavels. Volgens het onderzoek van ECN zal bij realisatie van een 1.400 MW windpark in het windenergiegebied Borssele de energieopbrengst voor de Belgische windparken met gemiddeld 2,7% afnemen. In het rapport is ook een specificatie per windpark opgenomen. De percentages zijn: Belwind 3,36%, Seastar 3,35%, Northwind 3,59%, Rentel 3,60%, Thornton Bank 2,01%, Norther 1,88%, Mermaid 2,36%, Northwester 2 1,94%. Bovenstaande afname van de energieopbrengst zal gedurende een beperkt aantal jaren van de exploitatie van de reeds bestaande (delen van) de Belgische windparken optreden. Bovendien ligt de afname van de energieopbrengst in de toekomst vanaf circa 2020, waardoor de gederfde inkomsten netto contant lager zijn. Rekening houdend met bovenstaande is het nadeel aanzienlijk kleiner dan bovengenoemde percentages. Voor de betrokkenen is derhalve geen sprake van schade met een excessief karakter, dat integraal moet worden meegewogen bij het nemen van het kavelbesluit. Indien toch blijkt dat nadeel wordt ondervonden door betrokkenen kan een separaat besluit genomen worden over de vraag of nadeelcompensatie verschuldigd is aan exploitanten van reeds bestaande windparken die mogelijkerwijs hinder ondervinden van de aangewezen kavels. In die besluiten wordt overeenkomstig de criteria voor nadeelcompensatie getoetst of eventuele schade voorzienbaar was, of sprake is van een bijzondere last en of de last het normale bedrijfsrisico te boven gaat. Z: Indieners verzoeken om een aanvullend simulatieonderzoek uit te voeren met als doel het maximaal beperken van wederzijdse wake-effecten. A: Ten bate van de kavelbesluiten zijn door ECN simulatieonderzoeken uitgevoerd om de windafvang te berekenen. De effecten zijn meegenomen bij de afweging voor de kavelbesluiten. Grotere afstanden tot de Belgische windparken zou betekenen, dat de Nederlandse windparken een veel grotere dichtheid krijgen. Het zoveel mogelijk evenredig verdelen van de windmolens over het beschikbare gebied leidt per saldo tot de minste verliezen voor alle parken. Meer gedetailleerde simulatie zal niets aan deze conclusie af doen. Z: Indieners verzoeken in de kavelbesluiten op te nemen dat explosieven zonder kosten voor de exploitant zullen worden verwijderd. A: Paragraaf 4.1.5 wordt als volgt aangevuld: ‘Indien er uit nader onderzoek volgt dat er op de plek van de te plaatsen fundering of in het gebied waar kabels worden ingegraven een niet-gesprongen explosief wordt ontdekt, dan wordt dit gemeld aan de Kustwacht. Zij schakelt de Koninklijke Marine in die zorg draagt voor het veilig opruimen van het betreffende object. Voor de vergunninghouder zijn hieraan geen kosten verbonden.’ Verkaveling Z: Indiener geeft aan de exportkabels van platform Beta naar land te verplaatsen, wat het aanpassen van de kavelgrenzen van kavels II en III mogelijk maakt. A: De veranderde ligging van de exportkabels van platform Beta is opgenomen in de GIS gegevens die te raadplegen zijn op de website van RVO. Door de verplaatsing van de kabels wordt de omvang van kavel II iets groter en de aansluitverbinding iets kleiner. De betreffende nieuwe coördinaten zijn vastgelegd in voorschrift 2, eerste en tweede lid. Z: Indieners wijzen op de mogelijke wijziging van de locatie van de platforms en de exportkabels van TenneT. A: Verwezen wordt naar de direct hierboven opgenomen zienswijze en het antwoord daarop. Z: Indiener verzoekt om de zog-effecten voor windenergiegebied Borssele uit te splitsen per kavel. A: In paragraaf 4.2.3. wordt middels voetnoten naar de relevante ECN-studies verwezen. Deze zijn openbaar te vinden. In paragraaf 3.2 van de ECN-studie ‘Quick scan of the influence of the Borssele Wind Farms on the (planned) offshore wind farms in Belgium including losses for nearby Belgian Wind Farms’ met als kenmerk ECN-E--15-015, is het effect nader uitgesplitst naar de kavels door van ieder kavel de opbrengst, capaciteitsfactor en efficiëntie te geven. Omdat in de ECN-studies duidelijk vermeld is op welke wijze de Belgische windparken zijn meegenomen, wordt dit niet nogmaals in de kavelbesluiten herhaald. Het windpark Z: Indiener verzoekt om een uitgebreidere beschrijving van de toegestane funderingswijzen. A: De beschrijving in paragraaf 4.3.1 onder punt 2 Funderingen is als volgt aangevuld: ‘Suction bucket: een cilindrische constructie geplaatst onder een funderingspaal of funderingsconstructie waarvan de bovenkant is afgesloten.’ Vergunning Z: Indiener vindt het onduidelijk waarop een minimale aanwezigheidstermijn wordt gebaseerd. Daarnaast acht zij de gehanteerde aanwezigheidstermijn en verwijderingstermijn in strijd met voorschrift 6 waarin staat dat de vergunninghouder het windpark verwijderd uiterlijk binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt. A: De vergunninghouder verwijdert het windpark binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning. Z: Indiener vraagt zich af of er ten tijde van de verwijdering ook een veiligheidszone wordt ingesteld. A: De veiligheidszone wordt ingesteld rondom een installatie en duurt voort zolang er van een installatie sprake is. Veiligheidszone, scheepvaartveiligheid, doorvaart en medegebruik Z: Indieners zijn van mening dat de definities van windpark en installatie niet op elkaar aansluiten. A: De achtergrond van het verschil tussen beide definities is gelegen in het VN Zeerechtverdrag (UNCLOS). Verdragsrechtelijk worden kabels en leidingen van installaties onderscheiden. Het installatiebegrip is afkomstig uit artikel 60 UNCLOS, dat is geïmplementeerd in artikel 6.10 van de Waterwet. Voor kabels en leidingen geldt een ander regime, te weten artikel 79 UNCLOS. Om deze reden kunnen de inter arraykabels geen deel uit kunnen maken van de installatie, maar dus wel van het windpark. Enkel om een installatie als bedoeld in artikel 60 UNCLOS kan een veiligheidszone ingesteld worden. Om kabels en leidingen bevinden zich onderhoudszones, maar die zones hebben geen grondslag in het VN Zeerechtverdrag. Overigens zal het overgrote deel van de windparkbekabeling gelegen zijn binnen de veiligheidszone om een installatie. Dat kan het geheel van windturbines zijn of het platform Borssele Alpha. Z: Indiener suggereert dat doorvaart en medegebruik alleen toegestaan zou moeten worden na voorafgaande toestemming van de exploitant. A: Besluiten over doorvaart en medegebruik zijn voorbehouden aan de minister van Infrastructuur en Milieu. De algemene beleidslijn op dit punt is opgenomen in het Nationaal Waterplan en per installatie wordt een besluit genomen tot het instellen van een veiligheidszone op grond van artikel 6.10 van de Waterwet. Niet in de kavelbesluiten, maar in dit besluit wordt geconcretiseerd of en zo ja welke vormen van doorvaart en medegebruik toegestaan zijn. Het kavelbesluit is hiervoor dus niet de plaats. Aan de besluitvorming ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de exploitant van een windpark een plaats heeft. Z: Indieners pleiten er voor de voorwaarden waaronder doorvaart en medegebruik worden toegestaan ruim voor opening van de tender in detail bekend te maken. A: Indieners zijn als stakeholder betrokken bij de beleidsontwikkeling rond doorvaart en medegebruik zoals die plaatsvindt in de totstandkoming van het Nationaal Waterplan 2016 – 2021. Het beleid en de algemene voorwaarden waaronder openstelling kan plaatsvinden zijn opgenomen in dit plan. Z: Indieners pleiten er voor om omwille van de scheepvaartveiligheid in Nederland hetzelfde beleid te voeren voor doorvaart en medegebruik als in België. A: Iedere staat heeft in zijn eigen EEZ soevereine rechten met betrekking tot het instellen van veiligheidszones om installaties. Zulks is bepaald in het VN Zeerechtverdrag. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van de zienswijze direct hierboven. Z: Indiener suggereert dat de veiligheidszone tenminste een breedte van 500 meter zou moeten hebben. A: Op grond van artikel 6.10 van de Waterwet, in samenhang met artikel 60 lid 5 van het VN Zeerechtverdrag kan de veiligheidszone niet meer dan 500 meter rondom de installatie bedragen. De exacte breedte zal in het besluit tot instelling van de veiligheidszone worden bepaald. Z: De conclusie over de aanvaar- en aandrijfkansen is strijdig met de weergegeven aanvaar- en aandrijfkansen. A: In het kavelbesluit is deze conclusie aangepast. Z: Indiener voert aan dat voor beide alternatieven gelijke percentages zijn opgevoerd voor aanvaar- en aandrijfkansen. Dit acht hij een onwaarschijnlijke kwantificering. A: In het (ontwerp) kavelbesluit zijn niet dezelfde percentages opgevoerd, maar verschillende percentages voor beide alternatieven. Deze percentages volgen uit het Addendum voor de scheepvaartveiligheidsstudie voor de kavel die MARIN heeft opgesteld t.b.v. het verhogen van de ondergrens naar 4 MW en de schaalvergroting naar 380 MW per kavel. Z (I): Indiener stelt voor om in de veiligheidszone afzonderlijke voorwaarden op te nemen voor de aanlegfase, de exploitatiefase en de verwijderingsfase. A: Deze suggestie zal bij de instelling van de veiligheidszone(s) worden meegenomen. Z: Indiener stelt dat (ten onrechte) niet wordt ingegaan op het belang van recreatief medegebruik. Als de windparken gesloten blijven zal de sportvisserij een groot areaal aan vismogelijkheden verliezen. A: Zoals in paragraaf 6.12 is opgenomen, wordt in het thans geldende en ook in het ontwikkeling zijnde beleid gesteld, dat in het kader van effectief ruimtegebruik in de Noordzee nagegaan moet worden of medegebruik binnen windparken mogelijk is. Een definitief besluit over doorvaart en medegebruik wordt genomen in het Nationaal Waterplan 2016 – 2021. Het belang van Sportvisserij Zuidwest Nederland wordt betrokken in de belangenafweging die aan de besluitvorming ten grondslag ligt. Z: Indieners verwachten dat doorvaart voor schepen kleiner dan 24 meter wordt toegestaan. A: In het MER is zowel het huidige als het toekomstige beleid op dit punt betrokken. Hierboven is reeds opgemerkt dat een definitief besluit over doorvaart en medegebruik wordt genomen in het Nationaal Waterplan 2016 – 2021. Om niet op de besluitvorming in dit kader vooruit te lopen, is in paragraaf 6.9.3 een kleine redactionele wijziging aangebracht. Z: Indieners stellen voor om te onderzoeken of doorvaart en medegebruik ook ’s nachts mogelijk gemaakt kan worden. A: Een definitief besluit over doorvaart en medegebruik wordt genomen in het Nationaal Waterplan 2016 – 2021. Dat besluit omvat de voorwaarden waaronder dit al dan niet mogelijk wordt. Z: Indieners pleiten ervoor doorvaart voor kottervisserij tot 45 meter mogelijk te maken in het beleid over doorvaart en medegebruik. A: Verwezen wordt naar het antwoord op de direct hierboven staande zienswijze. Z: Indieners wijzen op de door IALA gestelde voorschriften met betrekking tot de zichtbaarheid van windmolens. A: Ter waarborging van de veiligheid van het lucht- en scheepvaartverkeer moet het windpark voldoen aan de regels opgenomen in artikel 6.16h van het Waterbesluit. Verwijdering/financiële zekerheid De zienswijzen/reacties over deze onderwerpen zijn hieronder opgenomen bij voorschrift 7. Landschappelijke inpassing Z: Indiener is van mening dat het aspect horizonvervuiling als gevolg van windturbines voor dit windenergiegebied niet aan de orde is. A: Deze zienswijze ondersteunt de kavelbesluiten en wordt gezien als ondersteuning van het besluit en verder voor kennisgeving aangenomen. R: Voor wat betreft de fotovisualisatie is in het MER uitgegaan van een verkeerde afstand tot de kust, namelijk 24 kilometer in plaats van 22,2 kilometer. A: Het dichtstbijzijnde punt van kavel II ligt op 22,2 km van Westkapelle. De zichthoeken waarop de fotovisualisatie is gebaseerd liggen op 24 km van Westkapelle en liggen op de hoekpunten aan de westzijde van kavel II. Op die manier wordt de zichtbaarheid van het windpark op een juiste wijze gevisualiseerd. R: Indiener geeft aan dat hinder door zichtbaarheid van windparken vanaf het strand kan leiden tot schade voor de recreatie en toeristische sector. A: Voor de recreatie langs de kust en in de duinen zijn de zichtbaarheid en het geluid van het windpark van belang. De afstand tot het park is dusdanig dat het windpark niet hoorbaar is aan de kust. Verder is in het MER beschreven dat het windpark slechts gedurende een beperkte periode in het jaar zichtbaar is en dat daardoor de hinder beperkt zal zijn. In het verlengde daarvan is het niet aannemelijk dat de recreatie en toeristische sector hierdoor zodanige schade gaat lijden dat dit kavelbesluit niet in redelijkheid genomen had mogen worden. Cultuurhistorie en archeologie Z: De RCE gaf aan dat extra voorschriften in verband met archeologie nodig zijn. A:De reactie van de RCE heeft geleid tot aanvullende voorschriften voor archeologie. Kabels en leidingen Z: Indiener is van mening dat een onderhoudszone van 500 meter aan weerszijden van een telecomkabel te beperkt is om de telecomkabel te onderhouden. Aan weerszijden zou 750 meter aangehouden moeten worden. Hierbij wordt onder andere verwezen naar een aanbeveling van de International Cable Protection Committee (ICPC) en artikel 58 van het VN Zeerechtverdrag. A: Onderkend wordt dat bij een onderhoudszone van 500 meter aan weerszijde van de telecomkabel onderhoud lastiger is. Het onderhoud is echter niet onmogelijk, noch worden de belangen van andere staten geschaad (art. 58 VN Zeerechtverdrag). De minister is niet gebonden aan de aanbevelingen van de ICPC. De exacte ligging van de kabel is recent bepaald50Geophysical site investigation survey Borssele windfarm development zone, wind farm site 2, Deep bv, 2015, te vinden via http://offshorewind.rvo.nl/studiesborsseleI. Op grond van nationaal beleid in het Integraal beheerplan Noordzee (later Beleidsnota Noordzee) mag de minister van Infrastructuur en Milieu afwijken van een onderhoudszone van 750m en maatwerk leveren. Z: Minister zou een voorschrift moeten overnemen van ICPC, dat in overleg met windenergie-exploitanten stilstand van een windturbine bij aanwezigheid van onderhoudsschepen wel of niet noodzakelijk is. A: De minister is niet gebonden aan de aanbevelingen van de ICPC. Op grond van het VN Zeerechtverdrag heeft een kuststaat rechtsmacht ten aanzien van installaties en inrichtingen zoals een windpark. De minister mag eisen stellen aan de windmolenexploitant met betrekking tot de exploitatie van een windpark. De minister weegt de betrokken belangen af en stelt hiervoor voorschriften op in het kavelbesluit. Op grond van scheepvaartveiligheid is het noodzakelijk dat de windmolens langzamer draaien wanneer een onderhoudsschip in de onderhoudszone werkzaamheden uitvoert. Z: Indieners verzoeken om een faciliterende en bemiddelende rol van de overheid bij het sluiten van kruisingsovereenkomsten. A: Op grond van het VN-zeerechtverdrag heeft een kuststaat beperkte rechtsmacht met betrekking tot kabels en leidingen. Tot nu hebben exploitanten van kabels en leidingen onderling afspraken kunnen maken wanneer kabel en leidingen elkaar kruisen. In beginsel bemoeit de minister zich niet met de privaatrechtelijke belangen van partijen. Waar mogelijk wil de overheid een ondersteunende rol vervullen bij het tot stand komen van de genoemde overeenkomsten en heeft daartoe verkennende gesprekken met de kabel- en leidingexploitanten. Visserij Z: Indiener stelt dat het gebiedsverlies voor vissers die in het windenergiegebied Borssele actief zijn grote gevolgen heeft. Zeker in cumulatie met andere gebied beperkende maatregelen. Daarnaast ontstaat hierdoor grotere druk op andere visgebieden. Ten onrechte zijn de gevolgen voor visserij dan ook als beperkt negatief gekenschetst. A: Verwezen wordt naar de effectbeschrijving en -beoordeling zoals die in hoofdstuk 11.5 en 11.6 van de MER’en zijn opgenomen. De opmerking geeft geen aanleiding op hierop terug te komen, temeer daar de Commissie voor de m.e.r. hier ook geen kanttekeningen bij heeft geplaatst. Algemeen Z: Indiener is van mening dat de afweging van kosten van het windpark en de ecologische belangen door toepassing van het voorzorgsbeginsel uit balans is. A: Deze mening wordt niet gedeeld. Het voorzorgsbeginsel vloeit direct voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en krijgt daarom in de afweging een zwaarwegende plaats. De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in het Energieakkoord is als uitgangspunt genomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2023). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan het advies van de Commissie voor de m.e.r. op het MER/PB die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009-2015) is opgesteld. Door deze werkwijze wordt de kans verhoogd om de routekaart te voltooien zonder belemmeringen als gevolg van het mogelijk optreden van cumulatieve effecten. In de doorrekening van het Energieakkoord zijn dus ook alle toekomstige en nog niet vergunde windparken meegenomen. Omdat mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken, is het noodzakelijk om ook internationale projecten te betrekken. Daar waar mogelijk zijn overigens de cumulatieve effecten op zeezoogdieren en aanvaringsslachtoffers wel berekend en beoordeeld in het licht van het SER akkoord. De mitigerende maatregelen zijn afgewogen in relatie tot de juridische kaders en gebaseerd op best beschikbare kennis. Daarnaast is de heirestrictie (verbod in januari tot en met mei in geval van 77-95 palen) aangepast naar 159 dB re μPa2s SEL1 op 750 meter van de geluidsbron. KEC Z: Indiener acht periodieke herziening van het KEC ongewenst. Daarnaast wordt verzocht duidelijk te definiëren wat de ‘zeer uitzonderlijke situaties’ zijn, waarin procedures tot wijziging kavelbesluit gaan lopen. A: Zoals in het kavelbesluit is aangegeven betreft het hier zeer uitzonderlijke situaties waarin geconstateerd wordt dat de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar zijn. Voorbeelden van deze zeer uitzonderlijke situaties of duidelijke definiëring hiervan kan op voorhand niet gegeven worden. Alleen dan zal het Rijk overwegen om een procedure tot wijziging in gang te zetten waarbij de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in de Algemene wet bestuursrecht zal worden gevolgd. Z: Indieners worden graag op de hoogte gehouden van het (nog nader te bepalen) proces van herziening van het KEC alsmede van de gevolgen voor de mitigerende maatregelen in de kavelbesluiten. A: Als dit aan de orde is, zullen indieners hierover geïnformeerd worden. Vleermuizen Delta Z: Indiener vraagt zich af waar de aanname van 8.000 turbines in relatie tot cumulatieve effecten op vleermuizen vandaan komt. Opeenstapeling van conservatieve aannames geeft bovendien geen zekerheid over de PBR doelstelling. A: De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in het Energieakkoord is als uitgangspunt meegenomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2023). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan het advies van de Commissie voor de m.e.r. op het MER/PB die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009–2015) is opgesteld. Door deze werkwijze wordt de kans verhoogd om de routekaart te voltooien zonder belemmeringen als gevolg van het mogelijk optreden van cumulatieve effecten. In de doorrekening van het Energieakkoord zijn dus ook alle toekomstige en nog niet vergunde windparken meegenomen. Omdat het migratiepatroon van de Ruige Dwergvleermuis zich mogelijk over de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekt, is het noodzakelijk om ook internationale projecten te betrekken. Bruinvissen/onderwatergeluid Z: Indiener vraagt zich af of de ondergrens van de 4 MW turbine en het rapport van de Commissie voor de m.e.r. daadwerkelijk zijn doorgevoerd. A: In paragraaf 7.3.3 zijn inderdaad de worst case analyses opgenomen van de uiterste bandbreedte. Op basis van de resultaten is de bandbreedte ingeperkt naar een voorkeursbandbreedte. De effecten als gevolg van de voorkeursbandbreedte zijn nader beschreven in het addendum. Het gaat hierbij onder andere om de doorberekening van de effecten van windturbines met een ondergrens van 4 MW en maximaal 380 MW opgesteld vermogen Bij het beoordelen van de effecten bij gebruik van 4 MW turbines (en groter) is rekening gehouden met het rapport van de Commissie voor de m.e.r. (Tussentijds toetsingsadvies over het concept-milieueffectrapport 30 april 2015 / rapportnummer 2965-56). Rekening houdend met het advies van de Commissie voor de m.e.r. is voor de toetsing van de effecten ervan uitgegaan dat met grote zekerheid (95%) moet kunnen worden vastgesteld dat de huidige bruinvispopulatie als gevolg van de aanleg van de 10 windparken op zee van het SER-akkoord met niet meer dan 5% afneemt. Voorschrift 4, tweede lid waarin limieten worden opgelegd aan de onderwatergeluidsproductie als gevolg van hei-activiteiten is dus enerzijds gebaseerd op effecten van maximaal 95 turbines (4 MW, 380 opgesteld vermogen) en anderzijds op een maximale populatiereductie van 5%. Z: Indiener verzoekt expliciet op te nemen dat er in de exploitatiefase van het windpark geen beperkingen of voorschriften zullen gelden op basis van geluid. Tevens verzoekt indiener expliciet op te nemen dat geluidsnormen voor de constructiefase ook cumulatief gelden, dus ook wanneer er tegelijkertijd wordt gewerkt. A: Ten aanzien van activiteiten en/of handelingen waarvoor significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten worden geen voorschriften opgenomen. De expliciete vermelding dat een voorschrift niet nodig is, is overbodig. In het kavelbesluit is de motivering aangepast waardoor duidelijk is dat de geluidsnorm ook geldt wanneer er tegelijkertijd wordt gewerkt. Trekvogels Z: Indiener pleit er voor dat de verlichting van windturbines zo beperkt mogelijk blijft, omdat vogels worden aangetrokken door verlichting en er daardoor meer slachtoffers verwacht worden. Indiener pleit er dan ook voor dat windmolens enkel verlicht mogen worden met rode topverlichting. A: Aantrekkende werking van verlichting op olie- en gasplatforms op zee is duidelijk vastgesteld in onderzoek. Aantrekkende werking als gevolg van windturbineverlichting is echter nooit vastgesteld tijdens onderzoek waarin de effecten van windparken op zee op trekvogels zijn onderzocht. Er is dus geen bewijs voor de aantrekkende werking van windturbine-top-verlichting op zee op trekvogels. In de regel is de mate van verlichting van windturbines ook veel minder in vergelijking met olie- en gasplatforms. Beide situaties zijn dus ook niet te vergelijken. Daarnaast bestaat er ook onzekerheid ten aanzien van de effectiviteit van de maatregel – in dit geval het voorschrijven van rood knipperende topverlichting. Daarom neemt het bevoegd gezag in het kavelbesluit geen (locatiespecifieke) voorschriften op ten aanzien van de windturbineverlichting. Onafhankelijk hiervan zijn in de algemene regels wel verplichtingen opgenomen ten aanzien van verlichting in het kader van scheepvaart- en luchtvaartveiligheid. De in het kavelbesluit gedane uitspraak dat rode topverlichting in Nederland wordt voorgeschreven is foutief. De windturbineverlichting moet passen binnen de IALA -richtlijnen en de CAP 764-aanbeveling. De kavelbesluiten zijn hierop aangepast. R: De Commissie voor de m.e.r. adviseert de afweging voor maatregelen om te komen tot acceptabele grenzen voor vogels in de besluitvorming nader te verduidelijken. A: In het kavelbesluit is opgenomen dat, hoewel een effectberekening en toetsing op schaal van de zuidelijke Noordzee wenselijk is, het voor de ‘grote meeuwensoorten’ gerechtvaardigd is om op de schaal van het NCP te werken. De reden hiervoor is een grote overschatting (tot 3x) van de totale meeuwenpopulaties op basis van de geïnterpoleerde dichtheden op de zuidelijke Noordzee. Omdat de Nederlandse data als meer betrouwbaar en gedetailleerd worden beschouwd dan de gefragmenteerde data die voor de andere landen beschikbaar is, is een effectberekening en toetsing op NCP-niveau gerechtvaardigd. Op dit moment zijn er geen betrouwbaardere data beschikbaar. Daarom heeft beoordeling alleen plaatsgevonden op basis van het NCP. Dit neemt niet weg dat het voor deze soorten noodzakelijk is dat zowel nationaal als internationaal meer inzicht wordt verkregen in de effecten van windenergie op zee. Nationaal wordt hiervoor in het door de overheid op te zetten monitorings- en evaluatieprogramma specifiek verder onderzoek naar uitgevoerd. Monitoring Z: Indiener verzoekt om verduidelijking van de locatie specifieke monitoringsverplichting voor kavel I. A: Er is voor kavel I geen locatie specifiek monitoringsprogramma geformuleerd. Dat betekent dat op deze locatie alleen sprake is van het door de overheid op te zetten monitorings- en evaluatieprogramma. In paragraaf 7.8.6 is opgenomen dat de vergunninghouder zover redelijk en zonder financiële tegenprestatie zal meewerken aan dit monitorings- en evaluatieprogramma. Dit is in voorschrift 5 vastgelegd, waarbij een lijst is opgenomen van apparatuur die nodig is om de belangrijkste kennisleemtes uit het MEP in te vullen. Deze lijst geeft voldoende informatie voor een indicatie van de daarmee samenhangende kosten. Voorschrift 2 Z: Indiener vraagt de bouw van grotere windturbines te stimuleren en –- indien er toch kleinere windmolens geplaatst worden – corridors voor vogels te realiseren. A: Met de voorgeschreven maatregelen is het aantal te plaatsen turbines ingeperkt waarmee tevens grotere turbines gestimuleerd worden. Hierdoor ontstaat in potentie grotere ruimte tussen de turbines. Daarnaast zorgen veiligheidszones en onderhoudszones om de windturbineparken en om kabels en leidingen voor corridors waar vogels gebruik van kunnen maken. Z: Indieners pleiten ervoor de juiste coördinaten in de tabellen op te nemen. A: In het voorschrift zijn de juiste coördinaten opgenomen. Z: Indieners pleiten er voor het maximum rotoroppervlak aan te passen, gebaseerd op 380 MW. A: Het maximum rotoroppervlak is aangepast op basis van 380 MW naar 1.461.542 m2. Z: Indieners pleiten tegen het voorschrijven van een minimum rotoroppervlak, zowel per turbine als voor het windpark als geheel. Indiener (NWEA) stelt dat uit het MER volgt dat voor vogels in het algemeen het aanvaringsrisico bij gelijk vermogen kleiner is bij een kleinere rotor. Indiener (Nuon) stelt dat, mocht er een reden zijn om een minimum rotoroppervlakte voor te schrijven, dit ruimte moet bieden voor een van de mogelijke opstellingen zoals benoemd in tabel 5.1. van het MER. Verder stelt de indiener dat het minimum rotoroppervlakte dient te worden aangepast naar 894.275 m2 zodat een opstelling van 34 turbines van 10 MW mogelijk wordt gemaakt. A: Bij nader inzien zijn de voorschriften die betrekking hebben op een minimum rotoroppervlak geschrapt. Vast is komen te staan dat sommige windturbineconfiguraties die wel gunstig zijn voor de ecologische effecten van de bouw en exploitatie van een windpark niet mogelijk zijn. Daarom is ervoor gekozen een limitering van het aantal MW per te installeren windturbine voor te schrijven. Het is toegestaan om windturbines met een geïnstalleerd vermogen per turbine tussen 4 en 10 MW in de kavels I en II te plaatsen. De tekst van voorschrift 2 is hierop aangepast. Z: Indiener verzoekt een bepaling op te nemen die ten doel heeft dat in ieder geval een deel van de voordelen die de realisatie van windparken op zee heeft, ten goede komt aan de Zeeuwse gemeenschap. A: Er wordt een aanvullend voorschrift opgenomen, waarin de vergunninghouder wordt verplicht zich aantoonbaar in te spannen om het park zodanig te ontwerpen, te bouwen en te exploiteren dat het park actief bijdraagt aan versterking van lokale en regionale economie, uiteraard binnen de grenzen die geldende wetgeving daarvoor biedt. Z: Indieners verzoeken voorschrift 2 lid 13 te verduidelijken. A: Voorschrift 2 lid 13 is als volgt aangepast: ‘Als opofferingsanodes gebruikt worden als kathodische bescherming van stalen constructies, bestaan deze uit legeringen van aluminium of magnesium. De legeringen mogen kleine hoeveelheden(< 5 gewicht %) andere metalen bevatten.’ Z: Verzoekt om verduidelijking van voorschrift 2, lid 15. A: Zodra de winnaar van de tender bekend is, zal contact tussen de handhaver en de exploitant leiden tot meer duidelijkheid over het plan waar dit voorschrift op ziet. R: Indiener wijst er op dat met het vastleggen van het maximum aantal turbines van 95, in de overige kavels de windmolens groter moeten zijn om het gemiddelde maximum van 76 te halen. A: De onderbouwing van het voorschrift is als volgt gewijzigd: ‘In de kavels gelegen in het windenergiegebied Hollandse Kust zullen daarom grotere turbines moeten worden voorgeschreven, zodat het gemiddelde aantal turbines per park niet hoger wordt dan 76.’ Z: Indiener verzoekt de zin waarin uitspraken zijn opgenomen ten aanzien van voorschriften voor kavels die nog volgen (gemiddeld 76 turbines in de overige kavels) te verwijderen. A: Achtergrond bij het verzoek is dat een dergelijk voorschrift mogelijk niet nodig is indien in het onderhavige kavel grote turbines worden geplaatst. Echter, vanwege de snelheid waarin de kavelbesluiten worden genomen, is bij van kracht worden van betreffende besluiten nog niet duidelijk welk type turbines in kavel I/II van Borssele worden geplaatst. Verzoek kan daarom niet overgenomen worden omdat zekerheid moet worden verkregen dat cumulatief significant negatieve effecten zijn uit te sluiten. Voorschrift 4 Z: Indieners geven aan dat het heiverbod in de periode januari tot en met mei, bij het oprichten van 77 tot 95 turbines, onwenselijk is. A: De heirestrictie (verbod in januari tot en met mei in geval van 77–95 palen) is aangepast naar 159 dB re μPa2s SEL1 op 750 meter van de geluidsbron. Z: Indieners geven aan dat er meer/andere ‘proven technology’ alternatieven zijn, die in het voorschrift opgenomen zouden kunnen worden. A: De beste effectiviteit ten aanzien van de verschillende diersoorten wordt geboden door de frequentie specifieke verjagingssystemen. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs in een systeem gebundeld te zijn. Hierop is het voorschrift aangepast. Z: Indieners doen een voorstel om te komen tot wijziging van voorschrift 4, tweede lid, sub a. A: Het voorschrift is gewijzigd en luidt nu: ‘Als gevolg van de bouw van het windpark mag op enig moment het geluidsniveau onder water tijdens het heien de in de onderstaande tabel vermelde geluidsnorm niet overschrijden.’ Verschillende vissoorten op de Noordzee vallen onder de Flora- en Faunawet. Hoewel de gunstige staat van instandhouding niet wordt aangetast, dienen onder andere in het kader van de zorgplicht maatregelen genomen te worden om negatieve effecten te verkleinen. Z: Indieners vragen zich af waarom er voor de bruinvis een strengere toets norm wordt gehanteerd dan in het KEC en waarom er 1dB van de norm is afgehaald. A: De geluidsnormen zoals die zijn opgenomen in voorschrift 4, tweede lid, sub a, zijn gebaseerd op berekeningen van TNO, conform de berekeningen in het MER. Uitgangspunt is dat per windpark de reductie de acceptabele grens van 255 dieren niet overschrijdt. Dat wil zeggen een maximale cumulatieve afname van 5% van de huidige populatieomvang. In het KEC werd in de eerste instantie nog uitgegaan van een afname van 20%, echter dat is niet verenigbaar met een populatie die zich in een matig ongunstige staat van instandhouding bevindt en de doelen die in het bruinvisbeschermingsplan zijn neergelegd. Om het werk in geval van overschrijding van de geluidsnorm niet direct stil te leggen in het kader van handhaving, is de norm met 1 dB verlaagd. Uit de praktijk blijkt dat het met name bij de eerste palen lastig is om gelijk de norm te halen. Door de gekozen aanpak hoeft het werk niet te worden stilgelegd indien men binnen de gedefinieerde ruimte blijft en worden acceptabele grenzen niet overschreden. Z: Indieners geven aan dat het rapporteren van geluidsmetingen binnen 12 uur niet haalbaar is. A: Op basis van de ingebrachte zienswijzen is voorschrift 4 tweede lid, sub c, aangepast, waarbij de deadline om de geluidsmetingen te rapporteren naar 48 uur gezet is. Z: Indiener pleit er voor om voorschrift 4, tweede lid, sub c, aan te vullen met toegestane en niet-toegestane wijzen om geluid continu te meten. A: Er zullen geen specifieke methoden of wijzen worden voorgeschreven. Metingen dienen te voldoen TNO standaarden voor het meten van impulsief onderwatergeluid. De vergunninghouder dient in het heiplan de te gebruiken methode te onderbouwen. Z: Het voorschrift omtrent de procedure en het tijdsbestek van de goedkeuring van het heiplan zou verduidelijkt moeten worden. A: De vereiste goedkeuring is komen te vervallen. Z: Indieners doen een voorstel voor aanpassing van de definitie van ‘massale vogeltrek’ in voorschrift 1 en transect in voorschrift 4, derde lid. Daarbij geeft zij aan dat het voorgeschreven monitoringssysteem nog niet voor windparken op zee bestaat en dat zij uit oogpunt van kostenbesparing voorstander is van combinatie van dit met andere parken en/of voorgeschreven systemen. Tevens stelt indiener (NUON) voor om voorschrift 4, derde lid te beperken tot de periode waarin er gedurende nachten daadwerkelijk sprake is van daadwerkelijke vogeltrek. A: In cumulatie gaat het om aanzienlijke aantallen slachtoffers die in de onderbouwende stukken worden berekend. Hoewel op zee de systemen nog niet zijn getest, biedt deze maatregel naar verwachting de hoogste effectiviteit. Andere maatregelen bieden niet datzelfde perspectief. Op basis van de zienswijze is het voorschrift zodanig aangepast dat de maatregel alleen geldt tijdens perioden van de nacht dat er daadwerkelijk sprake is van ‘massale trek’. Via het MEP zal de effectiviteit gemonitord worden. Afwegende tegen de kosten is de overheid van mening dat dit een redelijke maatregel is. Momenteel wordt nog onderzocht of het ook mogelijk is om met minder systemen te werken in plaats van in ieder windpark één. Daarnaast wordt gekeken naar andere financieringsconstructies. Het voorschrift is hierop aangepast zodat deze mogelijkheden niet worden uitgesloten. Dit punt wordt thans verder inhoudelijk, operationeel en juridisch verder uitgezocht. Wel wordt vanuit handhavingsoogpunt het systeem direct gekoppeld aan het SCADA systeem van de windturbineparken. Z: Indieners zouden graag zien dat eerst kennis wordt vergaard, alvorens het voorschrift inzake de maatregelen ter voorkoming van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen als zodanig op te nemen. Indieners zijn van mening dat onderbouwende rapporten en kavelbesluit aangeven dat vleermuisactiviteit laag is. Indieners stellen voor om bij voorschrift 4, vierde lid, sub a op te nemen dat beneden een bepaalde temperatuur vleermuizen niet vliegen en ook niet bij regen. A: De kavelbesluiten zijn gebaseerd op de best beschikbare kennis, ook ten aanzien van de verwachte vleermuisactiviteit. In een cumulatief scenario is daarbij niet uit te sluiten dat significant negatieve effecten optreden. Vanwege de kennisleemtes en de mede daaruit voortvloeiende maatregelen, heeft de overheid al versneld een monitoringsopgave op het aspect vleermuizen uitgezet. Een van de onderzoeken van deze monitoringsopgave richt zich specifiek op de relatie tussen vleermuisactiviteit en weersomstandigheden. Wanneer deze onderzoeken bekend zijn kunnen indien nodig de voorschriften hierop gepreciseerd worden. Voorschrift 5 Z: Indieners pleiten er voor het monitoringsprogramma te laten focussen op het invullen van de kennisleemtes om de daadwerkelijk benodigde en effectieve mitigerende maatregelen voor vogels, vleermuizen en zeezoogdieren goed te kunnen onderbouwen. Indiener verzoekt tijdig in overleg te treden met de vergunninghouder over de beoogde installaties en activiteiten ten behoeve van de monitoring en evaluatie. Apparatuur dient bij voorkeur aan de turbines bevestigd te worden voor deze de zee op gaan. A: Conform de zienswijze beoogt een groot deel van het MEP onderzoek naar validatie van de aannames die in het MER, PB en het KEC zijn gedaan. Tevens zijn er onderdelen geformuleerd die betrekking hebben op de effectiviteit van de maatregelen. Mocht uit de monitoring blijken dat effecten groter of kleiner zijn dan ingeschat, dan bestaat de mogelijkheid dat voorschriften aangepast worden. Bij het opstellen van het MEP zal ook de windsector worden betrokken, alsmede de vergunninghouder zodat deze tijdig op de hoogte is van de monitoringsapparatuur die bevestigd moet worden. Getracht zal worden om de apparatuur te bevestigen voordat de turbines het vasteland verlaten. Z: Indieners pleiten er voor het voorschrift met betrekking tot de waarneming van real-time vogelmigratie uit te breiden met de eisen waaraan het monitoringssysteem moet voldoen, dan wel vroegtijdig in contact te treden over het bevestigen van apparatuur aan de turbines. A: Momenteel wordt nog onderzocht of het ook mogelijk is om met minder systemen te werken in plaats van in ieder windpark één. Daarnaast wordt gekeken naar andere financieringsconstructies. Het voorschrift is hierop aangepast. Specifieke eisen zullen aansluiten bij het beoogde doel van de mitigerende maatregel: het beperken van het aantal aanvaringsslachtoffers. Momenteel wordt dit punt verder uitgezocht. Z: Indieners vragen of het monitorings- en evaluatieprogramma (MEP) gereed kan zijn voordat met de bouw van het windpark begonnen wordt. Indiener geeft aan dat het voor soorten die een relatief groot risico lopen belangrijk is om op basis van de uitkomsten van het MEP de mitigerende maatregelen te evalueren en waar nodig aan te passen door wijzigen van de voorschriften in het kavelbesluit. A: Het doel van het MEP is onder andere om de effecten van de aanlegfase en de gebruiksfase te evalueren. De verwachting is dat de opzet voor het MEP in 2016 klaar is, voordat de aanleg- en gebruiksfase van start gaan. Doordat het MEP door de overheid wordt opgezet zijn er meerdere mogelijkheden voor het verkrijgen van een nulmeting, afhankelijk van de te onderzoeken onderwerpen. Wijziging van bestaande kavelbesluiten zal enkel in zeer uitzonderlijke situaties voorkomen, wanneer geconstateerd wordt dat de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar maken. Z: Indiener vraagt om verduidelijking van voorschrift 5, sub b. A: Momenteel wordt gewerkt aan de opzet en nadere uitwerking van het MEP. Hierin zal worden aangegeven hoe, op welke periodieke termijn en in welke vorm de gegevens zullen worden gepubliceerd. Voorschrift 7 Z: Indieners zetten vraagtekens bij de noodzaak van het eisen van twee financiële zekerheden, zeker als deze elkaar overlappen. Daarnaast doen zij voorstellen voor alternatieve manieren om zekerheid te stellen die onderzocht zouden moeten worden. A: Het voorschrift is aangevuld, waarbij de zekerheid voor de bouw en de zekerheid voor de verwijderingskosten elkaar zo min mogelijk overlappen. Tevens zullen de hoogte en de berekening van de ontmantelingskosten periodiek opnieuw worden berekend. Een ‘parent company guarantee’ biedt minder zekerheid dan een bankgarantie van een systeembank. Z: Indiener geeft aan het onnodig te vinden dat gedurende de bouw twee zekerheden van kracht moeten zijn. Dit leidt bovendien tot onnodige kosten, hetgeen in strijd zou zijn met de doelstelling om 40% kostenreductie te realiseren. A: Mede naar aanleiding van deze zienswijze is besloten dat de bankgarantie die op grond van dit kavelbesluit moet worden ingesteld pas beschikbaar moet zijn op het moment de productie-installatie in gebruik wordt genomen. De tekst van het betreffende voorschrift is hierop aangepast. Z: Indiener verzoekt duidelijk en gedetailleerd te vermelden hoe een beoogd exploitant aan de verplichting tot verwijdering dient te voldoen. Daarnaast wordt voorgesteld om de gevraagde zekerheid later in te laten gaan. A: Op grond van huidig inzicht moeten alle kabels, stortstenen en turbines worden verwijderd. Niet uitgesloten kan worden dat door voortschrijdend inzicht de eisen aan de verwijdering van een windpark wijzigen. Kosten voor schepen en verwijderingstechnologie evolueren en wijzigen eveneens in de toekomst. In het kavelbesluit wordt het voorschrift met betrekking tot financiële zekerheid aangepast. Er zijn herijkingsmomenten bepaald waarin de verwijderingskosten opnieuw worden vastgesteld. Het is niet mogelijk het tijdstip voor afgifte van financiële zekerheid later in te laten gaan. Hoewel de kans op noodzakelijke verwijdering voor het einde van de levensduur van een windpark klein is, is het niet acceptabel dat het risico wordt afgewenteld op de Staat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel