Naar hoofdinhoud

Artikel III

Voorschriften

Onderdeel van Kavelbesluit II windenergiegebied Borssele· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 9 april 2016

In dit besluit wordt verstaan onder: acoustic deterrent device: apparaat waarmee door middel van een geluidssignaal zeezoogdieren en vissen worden verjaagd; ashoogte: de hoogte van de rotor-as, waaraan de rotorbladen van de windturbine zijn bevestigd, ten opzichte van het zeeniveau; Beheerplan Deltawateren: Beheerplan Deltawateren 2015–2021 voor de wateren in de Zuidwestelijke Delta die zijn aangewezen als Natura 2000-gebied; Beheerplan Voordelta: Beheerplan Voordelta 2015–2021 voor het Natura 2000-gebied Voordelta; bevoegd gezag Wet windenergie op zee: de minister van Economische Zaken; cut-in windspeed: de laagste windsnelheid waarbij de turbine energie gaat leveren; dB re 1µPa2s: eenheid voor SEL; geluidsniveau: het over de frequentiebanden gesommeerde bronniveau; heiplan: plan waarin de vergunninghouder uiteenzet op welke wijze de funderingspalen worden geheid, welke mitigerende geluid beperkende maatregelen worden genomen en op welke wijze het geluidsniveau wordt gemeten en gerapporteerd; massale vogeltrek: een vogeldichtheid van 500 vogels op rotorhoogte per kilometer per uur; monitorings- en evaluatieprogramma: programma waarin de activiteiten zijn beschreven die door of namens de overheid worden uitgevoerd om de leemtes in kennis vast te stellen; nominaal vermogen: het maximale vermogen van de productie-installatie dat onder normale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit en dat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik; rotordiameter: de diameter van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken; rotoroppervlak: het oppervlak van de denkbeeldige cirkel die door de rotorbladen (wieken) van de windturbine wordt bestreken; SEL: Sound Exposure Level; soft start: met een lage hei-energie het heiproces starten; tiphoogte: de ashoogte plus de halve rotordiameter; tiplaagte: de ashoogte min de halve rotordiameter; vergunninghouder: houder van een vergunning op grond van artikel 12 van de Wet windenergie op zee; transect: het rechthoekige oppervlak dat als basis dient voor het bepalen van de vogeldichtheid tijdens de vogeltrek. De hoogte hiervan is de rotordiameter. De lengte bedraagt 1 km; wiek: rotorblad; windpark: een samenstel van voorzieningen waarmee elektriciteit met behulp van wind wordt geproduceerd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van elektriciteit met behulp van wind; zeeniveau of Mean Sea Level (MSL): de gemiddelde hoogte van de zeespiegel (het vlak van de zee), als alle variaties die het gevolg zijn van de getijden worden weggemiddeld. Het windpark wordt geplaatst binnen de contour met de volgende coördinaten: Geografische coördinaten UTM (ETRS89) (ETRS89, zone 31) Locatie Punt Graden N Graden E Oostelijk Noordelijk Kavel II P_25 51,590190 3,025309 501753,3 5715460,5 Kavel II P_26 51,593780 3,024831 501720,0 5715858,6 Kavel II P_27 51,598990 3,024168 501673,9 5716438,6 Kavel II P_28 51,605230 3,023953 501658,8 5717132,6 Kavel II P_29 51,613690 3,024337 501685,1 5718073,0 Kavel II P_30 51,624080 3,026175 501812,0 5719229,4 Kavel II P_31 51,698160 3,048502 503352,1 5727468,4 Kavel II P_32 51,697260 3,050440 503486,1 5727368,4 Kavel II P_33 51,696480 3,051523 503561,0 5727281,4 Kavel II P_34 51,695860 3,052854 503653,0 5727212,7 Kavel II P_35 51,695430 3,054370 503757,8 5727165,7 Kavel II P_36 51,693380 3,058786 504063,2 5726937,9 Kavel II P_38 51,677400 3,113293 507833,4 5725165,1 Kavel II P_39 51,671600 3,122580 508476,6 5724520,4 Kavel II WFZ_1 51,602300 3,102329 507087,1 5716811,7 Kavel II WFZ_2 51,570270 3,058286 504039,6 5713246,1 De kaart met de ligging van kavel II is opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften. Het tracé van de aansluitverbinding naar platform Borssele Alpha ligt binnen de volgende coördinaten: Geografische coördinaten UTM (ETRS89) (ETRS89, zone 31) Locatie Punt Graden N Graden E Oostelijk Noordelijk Tracé P_31 51,698160 3,048502 503352,1 5727468,4 Tracé P_32 51,697260 3,050440 503486,1 5727368,4 Tracé P_33 51,696480 3,051523 503561,0 5727281,4 Tracé P_34 51,695860 3,052854 503653,0 5727212,7 Tracé P_35 51,695430 3,054370 503757,8 5727165,7 Tracé P_36 51,693380 3,058786 504063,2 5726937,9 Tracé P_37 51,690450 3,068801 504755,8 5726612,2 Tracé T_1 51,699920 3,056708 503919,0 5727665,3 Tracé T_11 51,699450 3,056641 503914,4 5727612,4 Tracé T_18 51,701960 3,049751 503438,1 5727891,2 De kaart met de ligging van het tracé is opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften. Leeg lid ivm consistente nummering tussen kavelbesluiten I en II De rotorbladen van de windturbines blijven volledig binnen de in lid 1 genoemde contour. Het maximale aantal op te richten windturbines is 95. Het maximale totale rotoroppervlak is 1.461.542 m2. In het windpark worden uitsluitend turbines met, per turbine, een nominaal vermogen tussen 4 en 10 MW geplaatst. De minimale afstand tussen windturbines bedraagt 4 maal de rotordiameter uitgedrukt in meters. De minimale tiplaagte is 25 meter boven zeeniveau (MSL). De maximale tiphoogte is 250 meter boven zeeniveau (MSL). De kabels vanaf de windturbines moeten aangesloten worden op platform Borssele Alpha. De toegestane funderingen voor de windturbines zijn: monopile; tripod; jacket; gravity based; suction bucket. Indien de vergunninghouder een fundering wil toepassen die niet in dit lid is genoemd zal hij de milieueffecten hiervan moeten bepalen. De milieueffecten worden voorgelegd aan de minister van Economische Zaken. De milieueffecten mogen de grenzen die in dit besluit zijn vastgelegd niet overschrijden. Als opofferingsanodes gebruikt worden als kathodische bescherming van stalen constructies, bestaan deze uit legeringen van aluminium of magnesium. De legeringen mogen kleine hoeveelheden(< 5 gewicht %) andere metalen bevatten. De schepen die door of namens de vergunninghouder worden ingezet, moeten bij hun vaarbewegingen rekening houden met de aanwezigheid van zeehonden op de aanwezige platen en de aangewezen rustgebieden. Hierbij dienen de maatregelen zoals genoemd in het Beheerplan Voordelta en het Beheerplan Deltawateren in acht te worden genomen51De bepalingen uit de betreffende Beheerplannen zijn opgenomen in de bijlage bij deze voorschriften. Dit voorschrift vervalt op het moment dat in het Beheerplan Voordelta en het Beheerplan Deltawateren de schepen zoals bedoeld in de eerste volzin zijn opgenomen als bestaand gebruik. De vergunninghouder spant zich aantoonbaar in om het windpark zodanig te ontwerpen en te realiseren dat het park actief bijdraagt aan versterking van een gezonde zee en versterking van behoud en duurzaam gebruik van soorten en habitats die van nature in Nederland voorkomen. Het is niet toegestaan om extra installaties te plaatsen en eventuele voorzieningen moeten direct gerelateerd zijn aan de op te richten windturbines. De vergunninghouder stelt daartoe een plan van aanpak op en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de minister van Economische Zaken. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform dit plan van aanpak. De vergunninghouder spant zich aantoonbaar in om met inachtneming van de geldende wetgeving het windpark zodanig te ontwerpen te bouwen en te exploiteren dat het windpark actief bijdraagt aan versterking van lokale en regionale economie. De vergunninghouder stelt daartoe een plan van aanpak op en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de minister van Economische Zaken. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform dit plan van aanpak. 1. De vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 30 jaar. Maatregelen ter voorkoming van permanente fysieke effecten bij bruinvissen en zeehonden en mortaliteit van vissen: de vergunninghouder maakt gebruik van één of meer op de relevante frequenties afgestelde ‘acoustic deterrent device(s)’ gedurende een half uur voor het begin van de heiwerkzaamheden alsmede gedurende het heien. De vergunninghouder onderbouwt in het heiplan welk type afschrikmiddel gebruikt zal worden, waarbij hij ingaat op de effectiviteit van het gekozen type; de heiwerkzaamheden vangen aan met een soft start. De duur en het vermogen van de soft start dient zodanig te zijn dat bruinvissen de gelegenheid hebben om naar een veilige locatie te zwemmen. De vergunninghouder onderbouwt in het heiplan duur en vermogen van de soft start. Maatregelen ter voorkoming van verstoring van bruinvissen, zeehonden en vissen (geluidsnorm): als gevolg van de bouw van het windpark mag op enig moment het geluidsniveau onder water tijdens het heien de in de onderstaande tabel vermelde geluidsnorm niet overschrijden; Geluidsnorm (dB re µPa2s SEL1 op 750 meter van de geluidsbron) periode Aantal op te richten windturbines Januari tot en met mei Juni tot en met augustus September tot en met december 77 – 95 159 165 166 64 – 76 160 166 167 55 – 63 162 167 169 49 – 54 163 169 170 43 – 48 163 169 171 39 – 42 164 170 172 35 – 38 165 171 172 de vergunninghouder mag bij de eerste tien funderingspalen de in de bovenstaande tabel vermelde geluidsnorm overschrijden met maximaal 2 dB re 1 μPa2s SEL1; het geluidsniveau dient tijdens het heien door of namens de vergunninghouder continu gemeten te worden. De geluidsmetingen dienen per geheide funderingspaal, binnen uiterlijk 48 uur na de afronding van het heien van de betreffende funderingspaal te worden doorgestuurd naar de minister van Economische Zaken; wanneer na achtereenvolgende geluidsmetingen blijkt dat het geluidsniveau onder water tijdens het heien van de funderingspalen de in de tabel vermelde geluidsnorm niet overschrijdt, dan kan de minister van Economische Zaken worden verzocht toe te staan dat de frequentie van de geluidsmetingen wordt verlaagd. de vergunninghouder stelt een heiplan op en dient dat uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de minister van Economische Zaken; de werkzaamheden worden uitgevoerd conform het heiplan als bedoeld in onderdeel e van dit voorschrift; de vergunninghouder spant zich in om zo min mogelijk onderwatergeluid te produceren; de vergunninghouder spant zich in om in een zo kort mogelijk aaneengesloten periode onderwatergeluid te produceren. Maatregelen ter beperking van aanvaringsslachtoffers onder vogels op rotorhoogte bij massale vogeltrek: in nachten (tussen zonsondergang en zonsopkomst), gedurende de periode waarin daadwerkelijk sprake is van massale vogeltrek, wordt het aantal rotaties per minuut per windturbine tot minder dan 1 gebracht; ten behoeve van de uitvoering van het voorschrift, bedoeld in onderdeel a, wordt het controlesysteem van de windturbines gekoppeld aan een systeem dat de daadwerkelijke vogeltrek waarneemt; de vergunninghouder beschrijft in een planop basis van welk relevant transect de vogeldichtheid wordt bepaald en dient dit plan uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de start van de bouw in bij de minister van Economische Zaken; de in onderdeel b van dit voorschrift beschreven koppeling wordt volgens het in onderdeel c genoemde plan uitgevoerd; de vergunninghouder geeft jaarlijks op 1 juli en 1 januari in een rapportage naar de minister van Economische Zaken aan hoe en op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven. Maatregelen voor het voorkomen van aanvaringsslachtoffers van vleermuizen op rotorhoogte: de cut-in windspeed van de turbines bedraagt gedurende de periode van 15 augustus tot en met 30 september tussen 1 uur na zonsondergang tot 2 uur voor zonsopkomst 5,0 m/s op ashoogte; bij een windsnelheid van minder dan 5,0 m/s op ashoogte brengt de vergunninghouder in de periode, bedoeld in onderdeel a, het aantal rotaties per minuut per windturbine omlaag tot minder dan 1; de vergunninghouder geeft binnen twee maanden na afloop van de periode, bedoeld in onderdeel a, in een rapportage naar de minister van Economische Zaken aan hoe en op welke wijze aan dit voorschrift uitvoering is gegeven. Maatregelen ter bescherming van archeologie en cultuurhistorie: Voorafgaand aan het leggen van de kabels en het plaatsen van de funderingen van de windturbines, dient een nader Inventariserend Veldonderzoek (IVO) (verkennend opwateronderzoek) te worden verricht naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische monumenten. Dit onderzoek dient volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) Waterbodems (versie 3.2) te worden uitgevoerd. De resultaten van het onder lid a genoemde onderzoek worden uiterlijk 3 maanden voorafgaand aan de start van de bouw van het windpark voorgelegd aan de minister van Economische Zaken. Afhankelijk van de conclusies uit het onderzoek: kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden; is er een vervolgonderzoek nodig; worden er fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen; worden vindplaatsen uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone; worden de werkzaamheden archeologisch begeleid De minister van Economische Zaken laat een monitorings- en evaluatieprogramma opstellen. De vergunninghouder werkt, voor zover redelijk, zonder financiële tegenprestatie mee aan dit monitorings- en evaluatieprogramma. De in het windpark geldende veiligheidsregels worden daarbij in acht genomen. De minister van Economische Zaken maakt de gegevens die voortkomen uit het monitorings- en evaluatieprogramma openbaar. Ten behoeve van de uitvoering van het monitoring- en evaluatieprogramma werkt de vergunninghouder mee ten aanzien van onder meer: toegang tot het windpark met vaartuigen ten behoeve van tellingen van natuurwaarden; het (laten) bevestigen van apparatuur zoals camera’s en batdetectors op of aan (onderdelen van) de windturbines; het (laten) bevestigen van radar op of aan (onderdelen van) de windturbines; het (laten) bevestigen van meetapparatuur (bijvoorbeeld meetboeien, c-pods etc.) in het windpark; het beschikbaar stellen van bandbreedte op de datakabel. De vergunninghouder verwijdert het windpark uiterlijk binnen twee jaar nadat de exploitatie is gestaakt, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning. Uiterlijk op het moment dat RVO bewijs heeft ontvangen dat er Garanties van Oorsprong (GvO) zijn afgegeven over de geleverde stroom stelt de vergunninghouder zich garant door middel van een bankgarantie aan de Staat voor een bedrag van € 120.000 per geïnstalleerde MW ten bate van de verwijdering van het windpark. De vergunninghouder verhoogt het in lid 1 genoemde bedrag jaarlijks met 2% als gevolg van indexatie gedurende een periode van 12 jaar na afgifte van de bankgarantie. Na een periode van 12 jaar exploitatie, 17 jaar exploitatie en 1 jaar voor het tijdstip van verwijdering verzoekt de vergunninghouder de Minister van Economische Zaken om het bedrag genoemd in lid 1 en de indexatie daarvan opnieuw vast te stellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel