Naar hoofdinhoud

Artikel 2

Nota van beantwoording zienswijzen en reactie

Onderdeel van Kavelbesluit III windenergiegebied Borssele· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 9 april 2016

Op 18 december 2015 zijn de ontwerpkavelbesluiten III, IV en V Windenergiegebied Borssele gepubliceerd op de website van het Bureau Energieprojecten en is een kennisgeving hierover gepubliceerd in de Staatscourant. Tot en met donderdag 28 januari 2016 was een ieder in de gelegenheid een zienswijze in te dienen op de ontwerpbesluiten. Overheden konden een reactie geven. In aanvulling op de bovengenoemde kennisgeving is een aantal overheden en instanties afzonderlijk geïnformeerd. Het betreft: De Belgische overheid (mede in het kader van het ESPOO Verdrag); De provincie Zeeland en de gemeenten Vlissingen, Middelburg, Veere, Noord-Beveland, Schouwen-Duiveland, Borsele en Sluis; De wettelijk adviseurs: Inspectie Leefomgeving en Transport en Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Behoudens de reacties van de ILT en de RCE op de concept notitie reikwijdte en detailniveau ten behoeve van het milieueffectrapport, in dezen is van hen geen nadere inbreng ontvangen. Binnen de inspraaktermijn zijn zienswijzen ingediend door: burgers uit Krabbendijke, Kapelle, Goes, Hansweert, Vlissingen en stichting Dorpsraad Borssele, Leefbaar Reimerswaal; Witteveen+Bos, Port of Antwerp, Deutsche Telekom AG, mede namens ‘other European Telecom Carriers’, het Vlaamse Gewest, C-power, Northwind, Belwind, Nobelwind, Northwester, Belgian Offshore platform, Dong Energy, RWE, GDF SUEZ, DELTA, Nuon en NWEA. Van de gemeente Veere is een reactie ontvangen. De zienswijzen en de reactie zijn integraal opgenomen in de inspraak- en reactiebundel, die is te raadplegen via de website van Bureau Energieprojecten45https://www.rvo.nl/sites/default/files/2016/02/Bundel_Anoniem_KavelsBorssele_%20III_IV_V_0.pdf. Hieronder is een overzicht en een samenvatting van de ontvangen zienswijzen en reacties, alsmede de beantwoording daarvan opgenomen. In een aantal zienswijzen is in de bijlage de zienswijze bij kavelbesluiten I en II opgenomen, die in enkele gevallen als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Deze bijlages zijn ook meegenomen in de Nota van beantwoording, al zijn deze zienswijzen soms niet een op een van toepassing op kavelbesluiten III, IV en V. Per zienswijze of reactie wordt in de beantwoording beargumenteerd aangegeven of deze elementen al dan niet zullen worden meegenomen in één of alle kavelbesluiten. De relevante in de zienswijzen genoemde elementen worden hieronder per deelonderwerp behandeld. Hierbij wordt aangesloten bij de hoofdstukindeling uit de ontwerp kavelbesluiten. Allereerst wordt de zienswijze (Z) of de reactie (R) samengevat weergegeven, waarna per zienswijze een antwoord (A) wordt gegeven. De zienswijzen van burgers uit bovengenoemde plaatsen, Leefbaar Reimerswaal, stichting Dorpsraad Borssele hebben (voornamelijk) betrekking op hoogspanningsleiding 380 kV Zuidwest en worden om die reden hieronder niet besproken. Voor deze hoogspanningsleiding wordt inspraak geboden in een aparte rijkscoördinatieprocedure (www.bureau-energieprojecten.nl onder ‘Hoogspanning’ en dan ‘Zuid-West 380 kV-West’). Voor zover die zienswijzen betrekking hebben op onderwerpen die wel in het kavelbesluit worden geregeld, zijn de zienswijzen wel beantwoord. De zienswijzen van het Vlaamse Gewest en Port of Antwerp hebben geen betrekking op de ontwerpkavelbesluiten III, IV en V windenergiegebied Borssele en blijven om die reden buiten beschouwing. Waar hier door een indiener op gewezen is, is de opmaak van de betreffende paragraaf, voetnoot of lijst aangepast. Op 3 maart 2016 is het advies van de Commissie voor de m.e.r.46Commissie voor de m.e.r. project 3048. http://www.commissiemer.nl/advisering/afgerondeadviezen/3048 ontvangen over het MER van de kavels III, IV en V. De Commissie is van oordeel dat alle informatie in beide MER’en aanwezig is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over de kavelbesluiten. De Commissie geeft in haar advies enkele aanbevelingen mee voor verdere besluitvorming, die in deze Nota van beantwoording onder het betreffende deelonderwerp zullen worden meegenomen en beantwoord indien relevant. Z: Indieners verzoeken de procedure voor de ‘runner up’ uit te werken in de kavelbesluiten. A: Deze procedure is onderdeel van de subsidieverlening en zal daar aan de orde komen. Z: Indiener verzoekt de oppervlakte van kavel V bij kavel III te betrekken indien de realisatie van kavel V niet haalbaar of opportuun is. A: De tender om de innovatiekavel V zal later plaatsvinden dan de tender om de kavels III en IV. Indien de innovatietender niet succesvol is, kan eventueel een nieuwe (innovatie)tender worden uitgeschreven. Op grond van artikel 11 van de Wet windenergie op zee kan kavelbesluit V ingetrokken worden, indien gedurende drie achtereenvolgende jaren na het onherroepelijk worden van een kavelbesluit geen vergunning voor de kavel wordt verleend. Kavel V wordt niet betrokken bij kavel III. Hooguit zou dezelfde partij die de tender om kavel III wint ook de tender om kavel V kunnen winnen. Het blijven echter twee kavelbesluiten en twee vergunningen. Kenmerken windenergiegebied Borssele Belgian Offshore platform (BOP), C-Power, Northwind, Belwind, Nobelwind, Northwester, Z: Indieners stellen –- kort samengevat – dat er onvoldoende rekening gehouden is met de Belgische windparken. A: In het onderhavige besluit is zoveel als mogelijk rekening gehouden met de belangen van exploitanten van nabijgelegen windparken. Hiervoor is een aanvullend onderzoek door ECN uitgevoerd, dat mede de basis vormt voor het milieueffectrapport. Voor het windenergiegebied Borssele is de keuze gemaakt om 1.400 MW windenergie te realiseren en niet 2.100 MW onder meer om de zog-effecten op de Belgische parken te verminderen. Het voorgaande neemt niet weg dat de energieopbrengst van de genoemde windparken kan afnemen na realisatie van windturbines op de aangewezen kavels. Volgens het onderzoek van ECN zal bij realisatie van een 1.400 MW windpark in het windenergiegebied Borssele de energieopbrengst voor de Belgische windparken met gemiddeld 2,7% afnemen. In het rapport is ook een specificatie per windpark opgenomen. De percentages zijn: Belwind 3,36%, Seastar 3,35%, Northwind 3,59%, Rentel 3,60%, Thornton Bank 2,01%, Norther 1,88%, Mermaid 2,36%, Northwester 2 1,94%. Bovenstaande afname van de energieopbrengst zal gedurende een beperkt aantal jaren van de exploitatie van de reeds bestaande (delen van) de Belgische windparken optreden. Bovendien ligt de afname van de energieopbrengst in de toekomst vanaf circa 2020, waardoor de gederfde inkomsten netto contant lager zijn. Rekening houdend met bovenstaande is het nadeel aanzienlijk kleiner dan bovengenoemde percentages. Voor de betrokkenen is derhalve geen sprake van schade met een excessief karakter, dat integraal moet worden meegewogen bij het nemen van het kavelbesluit. Indien toch blijkt dat nadeel wordt ondervonden door betrokkenen kan een separaat besluit genomen worden over de vraag of nadeelcompensatie verschuldigd is aan exploitanten van reeds bestaande windparken die mogelijkerwijs hinder ondervinden van de aangewezen kavels. In die besluiten wordt overeenkomstig de criteria voor nadeelcompensatie getoetst of eventuele schade voorzienbaar was, of sprake is van een bijzondere last en of de last het normale bedrijfsrisico te boven gaat. Z: Indieners verzoeken om een aanvullend simulatieonderzoek uit te voeren met als doel het maximaal beperken van wederzijdse wake-effecten. A: Ten bate van de kavelbesluiten zijn door ECN simulatieonderzoeken uitgevoerd om de windafvang te berekenen. De effecten zijn meegenomen bij de afweging voor de kavelbesluiten. Grotere afstanden tot de Belgische windparken zou betekenen, dat de Nederlandse windparken een veel grotere dichtheid krijgen. Het zoveel mogelijk evenredig verdelen van de windmolens over het beschikbare gebied leidt per saldo tot de minste verliezen voor alle parken. Meer gedetailleerde simulatie zal niets aan deze conclusie af doen. Doorvaart en medegebruik Z: Indiener suggereert dat doorvaart en medegebruik alleen toegestaan zou moeten worden na voorafgaande toestemming van de exploitant. A: Besluiten over doorvaart en medegebruik zijn voorbehouden aan de minister van Infrastructuur en Milieu. De algemene beleidslijn op dit punt is opgenomen in het Nationaal Waterplan en per installatie wordt een besluit genomen tot het instellen van een veiligheidszone op grond van artikel 6.10 van de Waterwet. Niet in de kavelbesluiten, maar in dit besluit wordt geconcretiseerd of en zo ja welke vormen van doorvaart en medegebruik toegestaan zijn. Het kavelbesluit is hiervoor dus niet de plaats. Aan de besluitvorming op grond van artikel 6.10 Waterwet ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de exploitant van een windpark een plaats heeft. Z: Indieners pleiten er voor de voorwaarden waaronder doorvaart en medegebruik worden toegestaan ruim voor opening van de tender in detail bekend te maken. A: Indieners zijn als stakeholder betrokken bij de beleidsontwikkeling rond doorvaart en medegebruik tijdens de voorbereiding van het Nationaal Waterplan 2016 – 2021. Het beleid en de algemene voorwaarden waaronder openstelling kan plaatsvinden zijn opgenomen in het Nationaal Waterplan. Z: Indieners pleiten er voor om omwille van de scheepvaartveiligheid in Nederland hetzelfde beleid te voeren voor doorvaart en medegebruik als in België. A: Iedere staat heeft in zijn eigen EEZ soevereine rechten met betrekking tot het instellen van veiligheidszones om installaties. Zulks is bepaald in het VN Zeerechtverdrag. Voor het overige wordt verwezen naar de beantwoording van de zienswijze direct hierboven. Z: Indiener vraagt zich af hoe concreet uitvoering gegeven gaat worden aan medegebruik. A: De concrete uitvoering hangt af van initiatieven die aangevraagd worden. In het kader van een vergunningsprocedure op grond van de Waterwet moet beoordeeld worden of en onder welke voorwaarden die initiatieven toelaatbaar zijn. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter beperking van negatieve effecten. Landschappelijke inpassing Z: Indieners stellen dat de windturbines het vrije zicht op zee belemmeren. A: De belangenafweging voor het plaatsen van windturbines in windenergiegebied Borssele is afgewogen in het kavelbesluit, paragraaf 6.2. Hieruit blijkt dat de zichtbaarheid van de windturbines beperkt is. De afstand van de windturbines van kavelbesluiten III, IV en V tot de kust is minimaal 30 kilometer. Daarnaast zijn de windturbines van kavelbesluiten III, IV en V vanaf het vasteland gezien gepositioneerd achter die van kavelbesluiten I en II. R: Indiener geeft aan dat hinder door zichtbaarheid van windparken vanaf het strand kan leiden tot schade voor de recreatie en toeristische sector. A: Voor de recreatie langs de kust en in de duinen zijn de zichtbaarheid en het geluid van het windpark van belang. De afstand tot het park is dusdanig dat het windpark niet hoorbaar is aan de kust. Verder is in het MER beschreven dat het windpark slechts gedurende een beperkte periode in het jaar zichtbaar is en dat daardoor de hinder beperkt zal zijn. In het verlengde daarvan is het niet aannemelijk dat de recreatie en toeristische sector hierdoor zodanige schade gaat lijden dat dit kavelbesluit niet in redelijkheid genomen had mogen worden. R: Indiener verzoekt het innovatiekavel zover mogelijk uit de kust te realiseren omdat deze turbines hoger worden dan de reguliere kavels, en dus beter zichtbaar zijn. A: Voor de turbines in het innovatiekavel gelden dezelfde eisen voor de hoogte als voor de reguliere kavels, zie voorschrift 2 van het kavelbesluit. Kabels en leidingen Z: Indieners verzoeken om een faciliterende en bemiddelende rol van de overheid bij het sluiten van kruisingsovereenkomsten. A: Op grond van het VN-zeerechtverdrag heeft een kuststaat beperkte rechtsmacht met betrekking tot kabels en leidingen. Tot nu toe hebben exploitanten van kabels en leidingen onderling afspraken kunnen maken wanneer kabel en leidingen elkaar kruisen. In beginsel bemoeit de minister zich niet met de privaatrechtelijke belangen van partijen. Waar mogelijk wil de overheid een ondersteunende rol vervullen bij het tot stand komen van de genoemde overeenkomsten en heeft daartoe verkennende gesprekken met de kabel- en leidingexploitanten. Z: Indiener is van mening dat een onderhoudszone van 500 meter aan weerszijden van een telecomkabel te beperkt is om de telecomkabel te onderhouden. Aan weerszijden zou 750 meter aangehouden moeten worden. Hierbij wordt onder andere verwezen naar een aanbeveling van de International Cable Protection Committee (ICPC) en artikel 58 van het VN Zeerechtverdrag. A: Onderkend wordt dat bij een onderhoudszone van 500 meter aan weerszijde van de telecomkabel onderhoud lastiger is. Het onderhoud is echter niet onmogelijk, noch worden de belangen van andere staten geschaad (art. 58 VN Zeerechtverdrag). De minister is niet gebonden aan de aanbevelingen van de ICPC. De exacte ligging van de kabel is recent bepaald47Geophysical site investigation survey Borssele windfarm development zone, wind farm site 2,Deep bv, 2015, te vinden via http://offshorewind.rvo.nl/studiesborsseleI. Op grond van nationaal beleid in het Integraal beheerplan Noordzee (later Beleidsnota Noordzee) mag de minister van Infrastructuur en Milieu afwijken van een onderhoudszone van 750m en maatwerk leveren. Visserij Z: Indiener verzoekt in het kavelbesluit aan te geven wat de criteria zijn voor het instellen van een veiligheidszone. A: Besluiten over het instellen van een veiligheidszone zijn voorbehouden aan de minister van Infrastructuur en Milieu. De algemene beleidslijn op dit punt is opgenomen in het Nationaal Waterplan en per installatie wordt een besluit genomen tot het instellen van een veiligheidszone op grond van artikel 6.10 van de Waterwet. Niet in de kavelbesluiten, maar in dit besluit wordt geconcretiseerd of en zo ja welke vormen van doorvaart en medegebruik toegestaan zijn. Het kavelbesluit is hiervoor dus niet de plaats. Aan de besluitvorming op grond van artikel 6.10 Waterwet ligt een belangenafweging ten grondslag, waarin het belang van de visserij een plaats heeft. Algemeen Z: Indiener is van mening dat de afweging van kosten van het windpark en de ecologische belangen door toepassing van het voorzorgsbeginsel uit balans is. A: Deze mening wordt niet gedeeld. Het voorzorgsbeginsel vloeit direct voort uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en krijgt daarom in de afweging een zwaarwegende plaats. De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in het Energieakkoord is als uitgangspunt genomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2023). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan het advies van de Commissie voor de m.e.r. op het MER/PB die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009-2015) is opgesteld. Door deze werkwijze wordt de kans verhoogd om de routekaart te voltooien zonder belemmeringen als gevolg van het mogelijk optreden van cumulatieve effecten. In de doorrekening van het Energieakkoord zijn dus ook alle toekomstige en nog niet vergunde windparken meegenomen. Omdat mariene soorten een diffuse verspreiding kennen en hun migratiepatronen zich door de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekken, is het noodzakelijk om ook internationale projecten te betrekken. Daar waar mogelijk zijn overigens de cumulatieve effecten op zeezoogdieren en aanvaringsslachtoffers wel berekend en beoordeeld in het licht van het SER akkoord. De mitigerende maatregelen zijn afgewogen in relatie tot de juridische kaders en gebaseerd op best beschikbare kennis. Daarnaast is de heirestrictie (verbod in januari tot en met mei in geval van 77-95 palen) aangepast naar 159 dB re μPa2s SEL1 op 750 meter van de geluidsbron. KEC Z: Indiener acht periodieke herziening van het KEC ongewenst. Daarnaast wordt verzocht duidelijk te definiëren wat de “zeer uitzonderlijke situaties” zijn, waarin procedures tot wijziging kavelbesluit gaan lopen. A: Zoals in het kavelbesluit is aangegeven betreft het hier zeer uitzonderlijke situaties waarin geconstateerd wordt dat de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar zijn. Voorbeelden van deze zeer uitzonderlijke situaties of duidelijke definiëring hiervan kan op voorhand niet gegeven worden. Alleen dan zal het Rijk overwegen om een procedure tot wijziging in gang te zetten waarbij de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in de Algemene wet bestuursrecht zal worden gevolgd. Z: Indiener vraagt zich af of de gehanteerde scenario’s uit het MER wel het meest geschikt zijn of dat de laatste stand van zaken moet worden doorgerekend. A: In de besluitvorming dient het bevoegd gezag te allen tijde uit te gaan van de best beschikbare kennis. Derhalve is in het MER en het KEC ook uitgegaan van de best beschikbare data. Daarbij dient tevens opgemerkt te worden dat het KEC een ‘levend’ document is en voortdurend wordt geüpdatet met nieuwe inzichten die voortkomen uit onderzoeken waaronder het monitoring- en evaluatieplan. Z: Indiener wordt graag op de hoogte gehouden van het (nog nader te bepalen) proces van herziening van het KEC alsmede van de gevolgen voor de mitigerende maatregelen in de kavelbesluiten. A: Als dit aan de orde is, zullen indieners hierover geïnformeerd worden. Vleermuizen Z: Indiener vraagt zich af waar de aanname van 8.000 turbines in relatie tot cumulatieve effecten op vleermuizen vandaan komt. Opeenstapeling van conservatieve aannames geeft bovendien geen zekerheid over de PBR doelstelling. A: De realisatie van windenergie op zee zoals verwoord in het Energieakkoord is als uitgangspunt meegenomen voor de cumulatieve effectbeoordeling (t/m 2023). Hiermee wordt uitwerking gegeven aan het advies van de Commissie voor de m.e.r. op het MER/PB die voor de partiële herziening van het Nationaal Waterplan (2009-2015) is opgesteld. Door deze werkwijze wordt de kans verhoogd om de routekaart te voltooien zonder belemmeringen als gevolg van het mogelijk optreden van cumulatieve effecten. Voor vogels en vleermuizen is gerekend met nationale en buitenlandse windparken op de Noordzee in het studiegebied, voor zover die vrijwel zeker doorgang vinden. Omdat het migratiepatroon van de Ruige Dwergvleermuis zich mogelijk over de gehele Zuidelijke Noordzee uitstrekt, is het noodzakelijk om ook internationale projecten te betrekken. Bruinvissen/onderwatergeluid R: De Commissie is van mening dat voor kavel IV de gepresenteerde worst case situatie ten aanzien van negatieve effecten van onderwatergeluid alleen volstaat, indien niet dieper wordt geheid dan 29 m. De Commissie adviseert om indien in kavel IV dieper geheid gaat worden dan 29 meter nieuwe geluidberekeningen uit te voeren op basis van de maximale heidiepte en aan te geven wat dat betekent voor het aantal verstoorde bruinvissen en de daarmee te nemen geluidwerende voorzieningen. A: Kavel IV wordt gedomineerd door zandribbels met groot verschil in hoogte waardoor de heidiepte in de kavel op korte afstand vrij sterk kan verschillen. De exacte waterdiepte per paalpositie, of dat nu 29 meter of 33 meter is, is voor de verspreiding van het onderwatergeluid echter ondergeschikt aan hoe de bodem er in de ruimere omgeving uitziet. Voor de bepaling van de effecten van onderwatergeluid dat vrijkomt bij heien is gebruik gemaakt van een kaart met gemeten waterdieptes van het gehele, veel grotere, gebied waarover de geluidscontour zich uitstrekt. Hierdoor is het niet nodig om bij een andere heidiepte nieuwe geluidberekeningen uit te voeren. Z: Indiener vraagt zich af of de ondergrens van de 4 MW turbine en het rapport van de Commissie voor de m.e.r. daadwerkelijk zijn doorgevoerd. A: Bij de inrichting van de kavels voor Borssele III, IV en V wordt een minimale turbinegrootte van 6 MW gehanteerd in plaats van de door indiener genoemde 4 MW. In paragraaf 7.3.3 zijn inderdaad de ‘worst case’ analyses opgenomen van de uiterste bandbreedte. Op basis van de resultaten van deze worst case analyse is de bandbreedte ingeperkt naar een voorkeursbandbreedte. De effecten als gevolg van de voorkeursbandbreedte zijn nader beschreven in het MER. Het gaat hierbij onder andere om de doorberekening van de effecten van verschillende turbinegroottes met een maximaal opgesteld vermogen van 380 MW. Hieruit is een flexibele geluidsnorm voortgekomen. Bij het beoordelen van de effecten is rekening gehouden met het rapport van de Commissie voor de m.e.r. (Tussentijds toetsingsadvies over het concept-milieueffectrapport 30 april 2015 / rapportnummer 2965-56). Rekening houdend met het advies van de Commissie voor de m.e.r. is voor de toetsing van de effecten ervan uitgegaan dat met grote zekerheid (95%) moet kunnen worden vastgesteld dat de huidige bruinvispopulatie als gevolg van de aanleg van de 10 windparken op zee van het SER-akkoord met niet meer dan 5% afneemt. Voorschrift 4, tweede lid waarin limieten worden opgelegd aan de onderwatergeluidsproductie als gevolg van hei-activiteiten is dus enerzijds gebaseerd op effecten van maximaal 63 turbines (6 MW, 380 opgesteld vermogen) en anderzijds op een maximale populatiereductie van 5%. Z: Indiener verzoekt expliciet op te nemen dat er in de exploitatiefase van het windpark geen beperkingen of voorschriften zullen gelden op basis van geluid. Tevens verzoekt indiener expliciet op te nemen dat geluidsnormen voor de constructiefase ook cumulatief gelden, dus ook wanneer er tegelijkertijd wordt gewerkt. A: De expliciete vermelding dat een voorschrift niet nodig is, is overbodig. In hoofdstuk 7 van het kavelbesluit is de motivering aangepast waardoor duidelijk is dat de geluidsnorm ook geldt wanneer er tegelijkertijd wordt gewerkt. Monitoring Z: Indiener verzoekt om verduidelijking van de locatie specifieke monitoringsverplichting voor kavel III, IV en V. A: Er is voor kavel III, IV en V geen locatie specifiek monitoringsprogramma geformuleerd. Dat betekent dat op deze locatie alleen sprake is van het door de overheid op te zetten monitorings- en evaluatieprogramma. In paragraaf 7.8.6 is opgenomen dat de vergunninghouder zover redelijk en zonder financiële tegenprestatie zal meewerken aan dit monitorings- en evaluatieprogramma. Dit is in voorschrift 5 vastgelegd, waarbij een lijst is opgenomen van apparatuur die nodig is om de belangrijkste kennisleemtes uit het MEP in te vullen. Deze lijst geeft voldoende informatie voor een indicatie van de daarmee samenhangende kosten. Voorschrift 1 Z: Indiener is van mening dat de definities van windpark en installatie niet op elkaar aansluiten. A: De achtergrond van het verschil tussen beide definities is gelegen in het VN Zeerechtverdrag (UNCLOS). In het verdrag worden kabels en leidingen van installaties onderscheiden. Het installatiebegrip is afkomstig uit artikel 60 UNCLOS, dat is geïmplementeerd in artikel 6.10 van de Waterwet. Voor kabels en leidingen geldt een ander regime, te weten artikel 79 UNCLOS. Om deze reden kunnen de inter-arraykabels geen deel uit maken van de installatie, maar dus wel van het windpark. Enkel om een installatie als bedoeld in artikel 60 UNCLOS kan een veiligheidszone ingesteld worden. Om kabels en leidingen bevinden zich onderhoudszones, maar die zones hebben geen grondslag in het VN Zeerechtverdrag. Overigens zal het overgrote deel van de windparkbekabeling gelegen zijn binnen de veiligheidszone om een installatie. Dat kan het geheel van windturbines zijn of de platformen Borssele Alpha en Beta. Voorschrift 2 Z: Indiener merkt op dat in paragraaf 7.8.7 (Bevordering biodiversiteit) abusievelijk wordt verwezen naar voorschrift 2, lid 16 waar voorschrift 2, lid 15 wordt bedoeld. A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast. Z: Indiener vraagt zich vanuit kostenoogpunt af hoe omgegaan dient te worden met effecten van medegebruik in het park op het plan van aanpak omtrent de versterking van een gezonde zee en wat de vereiste inhoud is. A: Het plan van aanpak behelst alleen die activiteiten en maatregelen die de ontwikkelaar zelf (onder)neemt voor het ontwerpen en aanleggen van het windparken en waarmee een gezonde zee en inheemse natuur wordt versterkt. Z: Indiener verzoekt om het aantal windturbines van kavel III in overeenstemming te brengen met de voorgeschreven minimale turbinegrootte. A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast. Zie voorschrift 2, lid 5 van het kavelbesluit. Z: Indiener vindt het onduidelijk wat de consequenties zijn voor ontwikkelaars van het voorgeschreven natuurplan. A: De ontwikkelaars wordt gevraagd om een plan in te dienen waaruit blijkt op welke manier het ontwerp en de aanleg van het windpark actief bijdraagt aan versterking van een gezonde zee en inheemse natuur. Het gaat dus om een beschrijving van de activiteiten en maatregelen die de ontwikkelaar daadwerkelijk (onder)neemt. Z: Indiener vraagt zich af of een plan dat ziet op de versterking van de lokale en regionale economie een redelijk voorschrift is en is gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Daarnaast vraagt indiener zich af wat de inhoud van het plan kan behelzen. A: In artikel 4 van de Wet windenergie op zee is aangegeven waar de regels en voorschriften verbonden aan het kavelbesluit in ieder geval betrekking op hebben. Dit voorschrift heeft betrekking op de andere belangen van derden met betrekking tot de kavel. Het voorschrift is redelijk. Het gaat hierbij om het inzichtelijk maken van de positieve effecten op de lokale en regionale economie. Deze positieve effecten kunnen bijdragen aan een vergroting van de acceptatie van de windparken, wat ook in het belang is van de windparkexploitanten zelf. Wat betreft de inhoud gaat het bijvoorbeeld om het gebruik van lokale havens voor opslag, assemblage en transport van onderdelen van de windparken, de inhuur van lokale aannemers en bedrijven voor de toelevering van onderdelen, de aanleg en het periodieke onderhoud van het windpark, sponsoring of andere bijdragen aan (het imago van) duurzame kustgemeenten en het gebruik van hotelovernachtingen door personeel. Z: Indiener stelt dat aanvragers in hun vergunningaanvraag aannemelijk dienen te maken dat zij zich aantoonbaar inspannen om het park zo te ontwerpen dat het bijdraagt aan de lokale en regionale economie. Indiener vindt het onduidelijk wat daaronder verstaan wordt. Indiener verzoekt om verduidelijking van voorschrift 2, lid 15. A: Zie hiervoor het antwoord op de voorgaande zienswijze van NWEA en RWE. Z: Indiener raadt aan om de bovengrens te verhogen naar 12 MW per turbine met inachtneming van de opgenomen totale hoogte en rotoroppervlakte. A: Uit overleg met het TKI Wind op Zee kwam naar voren dat een bandbreedte tot 10 MW per turbine voldoende ruim is voor de plaatsing van de ten tijde van de aanleg van de windparken in kavels III, IV en V naar verwachting beschikbare windturbines. Desgevraagd gaven indieners aan dat de kans klein is dat turbines groter dan 10 MW commercieel worden toegepast in de kavels III en IV in Borssele. Daarom wordt deze suggestie niet overgenomen. Voor de navolgende kavelbesluiten in windenergiegebied Hollandse Kust zal uitbreiding van de bandbreedte wel worden overwogen. Z: Indiener verzoekt de coördinaten aan te passen. A: Dit is aangepast in voorschrift 2 van de kavelbesluiten. Z: Indiener vindt het onduidelijk waarom de bandbreedte van kavel IV verschilt ten opzichte van die van kavel III. A: Dit is aangepast in voorschrift 2 lid 7 naar een ondergrens van 6 MW voor beide kavelbesluiten. Z: Indiener geeft aan dat het aantal turbines van kavel IV niet verenigbaar is met het voorgeschreven minimum vermogen van 4 MW. A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast. Zie voorschrift 2, lid 5 van het kavelbesluit. Z: Indiener geeft aan dat het voorschrift betreffende het terugbrengen van de draaisnelheid bij onderhoud van de windturbines, in strijd is met de ICPC. A: De minister is niet gebonden aan de aanbevelingen van de ICPC. Op grond van het VN Zeerechtverdrag heeft een kuststaat rechtsmacht ten aanzien van installaties in de EEZ zoals een windpark. De minister mag op grond van de Wet windenergie op zee eisen stellen aan de windmolenexploitant met betrekking tot de exploitatie van een windpark. De minister weegt de betrokken belangen af en stelt hiervoor voorschriften op in het kavelbesluit. Op grond van scheepvaartveiligheid is het noodzakelijk dat de windmolens langzamer draaien wanneer een onderhoudsschip in de onderhoudszone werkzaamheden uitvoert. Z: Indiener geeft aan dat er een discrepantie zit tussen de ondergrens van de bandbreedte in het voorschrift en de toelichting daarop. A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het kavelbesluit aangepast. Zie voorschrift 2, lid 5 van het kavelbesluit. Voorschrift 4 Z: Indieners geven aan dat de hoeveelheid mitigerende maatregelen overtrokken is en verzoekt op basis van de uitkomsten van het monitoringsprogramma bij toekomstige en (dan) bestaande kavelbesluiten de voorschriften te versoepelen. A: Het doel van het Monitoring- en evaluatieprogramma (MEP) is onder andere om de effecten van de aanlegfase en de gebruiksfase te evalueren. De verwachting is dat de opzet voor het MEP klaar is, voordat de aanleg- en gebruiksfase van start gaan. Omdat het merendeel van de uitkomsten van het MEP pas worden verwacht na het opstellen van de milieueffectrapporten voor nog te nemen kavelbesluiten kunnen deze uitkomsten niet worden meegenomen voor de afspraken uit het Energieakkoord De reeds genomen kavelbesluiten blijven in principe ongewijzigd. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties wanneer er wijzigingen worden geconstateerd die de eerdere conclusies uit de reeds genomen kavelbesluiten onhoudbaar maken, zal het Rijk overwegen om een procedure tot wijziging van een kavelbesluit in gang te zetten. Hiervoor zal volgens de Wet windenergie op zee de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure zoals beschreven in de Algemene wet bestuursrecht worden gevolgd, zoals die ook geldt voor de nieuwe kavelbesluiten. Z: Indieners geven aan dat er meer/andere ‘proven technology’ alternatieven zijn, die in voorschrift 4, lid 1 opgenomen zouden kunnen worden. A: De beste effectiviteit ten aanzien van de verschillende diersoorten wordt geboden door de frequentie specifieke verjagingssystemen. Dit hoeft niet noodzakelijkerwijs in een systeem gebundeld te zijn. Het voorschrift is hierop aangepast. Z: Indieners geven aan dat het minimaal toegestane aantal MW per turbine voor de kavels III en IV (6 MW) niet overeenkomt met de aantallen waarmee gerekend is in het KEC waardoor effecten van de installatie wellicht lager zullen uitvallen en minder gemitigeerd hoeft te worden. A: In het MER is wel degelijk voor verschillende windturbinegroottes tot en met 10 MW berekend wat de maximale geluidsdruk mag zijn als gevolg van heiwerkzaamheden, dus ook voor de minimale toegestane turbinegrootte van 6 MW en het daarmee samenhangende aantal turbinepalen. Tevens is bepaald dat de toegestane maximale reductie van de bruinvispopulatie maximaal 5% mag zijn t.o.v. de huidige populatie. Deze reductie is als ‘beschikbare ecologische ruimte’ gelijk verdeeld over het aantal uit te geven kavels volgens het Energieakkoord. De geluidsnorm is, afhankelijk van het aantal geïnstalleerde windturbines per kavel en de dichtheden van bruinvissen die op het NCP voorkomen (seizoen), zo gesteld dat deze ruimte niet wordt overschreden. Dit is weergegeven in voorschrift 4, lid 2, sub a van het kavelbesluit. Z: Indieners zijn van mening dat er reeds extreem veel voorzorg is ingebouwd in de effectberekening van heigeluid op bruinvissen en dat de verlaging van de norm met 1dB extra niet nodig is. A: De norm is met 1 dB verlaagd (d.w.z. naar beneden bijgesteld) om de heiwerkzaamheden in geval van overschrijding van de geluidsnorm in het kader van handhaving niet direct stil te moeten leggen. Uit de praktijk blijkt dat het met name bij de eerste te heien palen lastig is om gelijk de norm te halen. Door de gekozen aanpak hoeft het werk niet te worden stilgelegd indien men binnen de gedefinieerde ruimte blijft en worden acceptabele grenzen v.w.b. populatiereductie van bruinvissen niet overschreden. Z: Indiener geeft aan dat de tabel onder voorschrift 4, lid 2, sub a waarden bevat voor turbinegroottes die in voorschrift 2, lid 5 zijn uitgesloten en verzoekt tot aanpassing van het kavelbesluit teneinde verwarring te voorkomen. A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is de tabel in het kavelbesluit aangepast. Zie voorschrift 4, lid 2, sub a van het kavelbesluit. Z: Indieners geven aan dat het rapporteren van geluidsmetingen binnen 12 uur niet haalbaar is. A: Op basis van de ingebrachte zienswijzen is voorschrift 4, lid 2, sub c, aangepast, waarbij de deadline om de geluidsmetingen te rapporteren naar 48 uur gezet is. Z: Indiener pleit er voor om voorschrift 4, tweede lid, sub c aan te vullen met toegestane en niet-toegestane wijzen om geluid continu te meten. A: Er zullen geen specifieke methoden of wijzen worden voorgeschreven. Metingen dienen te voldoen aan TNO standaarden voor het meten van impulsief onderwatergeluid. De vergunninghouder dient in het heiplan de te gebruiken methode te onderbouwen. Z: Indieners geven aan het niet eens te zijn met voorschrift 4, lid 3, en stelt voor i.s.m. de overheid 1 meetsysteem in windenergiegebied Borssele te plaatsen en in te zetten op kennisopbouw van vogeltrek, een ‘early warning system’ en het verder ontwikkelen van goede meetsystemen. A: In cumulatie gaat het om aanzienlijke aantallen slachtoffers die in de onderbouwende stukken worden berekend. Hoewel op zee de systemen nog niet zijn getest, biedt deze maatregel naar verwachting de hoogste effectiviteit. Andere maatregelen bieden niet datzelfde perspectief. Afwegende tegen de kosten is de overheid van mening dat dit een redelijke maatregel is. De overheid zal de kosten voor de aanschaf en het onderhoud van één systeem voor alle kavels in het windenergiegebied Borssele voor zijn rekening nemen. Z: Indiener geeft aan dat het voorgeschreven monitoringssysteem onder voorschrift 4, derde lid nog niet voor windparken op zee bestaat. Omwille van de uitvoerbaarheid van het voorschrift stelt zij voor dat lid 3, sub b van dit voorschrift komt te vervallen en in lid 3, sub c op te nemen dat vergunninghouder laat zien hoe het aantal rotaties wordt teruggebracht zoals gesteld onder lid 3, sub a. A: Zie het antwoord op bovenstaande zienswijze. Dit voorstel biedt niet dezelfde zekerheid. Z: Indieners zouden graag zien dat eerst kennis wordt vergaard, alvorens het voorschrift inzake de maatregelen ter voorkoming van aanvaringsslachtoffers onder vleermuizen als zodanig op te nemen. Indieners zijn van mening dat onderbouwende rapporten en het kavelbesluit aangeven dat vleermuisactiviteit laag is. A: De kavelbesluiten zijn gebaseerd op de best beschikbare kennis, ook ten aanzien van de verwachte vleermuisactiviteit. In een cumulatief scenario is daarbij niet uit te sluiten dat de gunstige staat van instandhouding wordt aangetast. Vanwege de kennisleemtes en de mede daaruit voortvloeiende maatregelen, heeft de overheid al versneld een monitoringsopgave op het aspect vleermuizen uitgezet. Een van de onderzoeken van deze monitoringsopgave richt zich specifiek op de relatie tussen vleermuisactiviteit en weersomstandigheden. Wanneer deze onderzoeksresultaten bekend zijn kunnen indien nodig de voorschriften hierop gepreciseerd worden. Z: Indieners vragen zich af waar het principe ‘de verstoorder betaalt’ bij archeologie zijn grondslag vindt. A: In de ‘Beleidsnota Noordzee 2016-2021’ is in paragraaf 3.11 het beleid voor ‘onder water cultureel erfgoed’ opgenomen als onderdeel van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (Kamerstukken II, 2015/16, 31 710, nr. 45). Het rijksbeleid is gebaseerd op de uitgangspunten van het Verdrag van Valetta (ook wel verdrag van Malta genoemd), dat strekt tot bescherming van het archeologische erfgoed als bron van het Europese gemeenschappelijke geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. In het bijzonder gaat het om het streven naar het zoveel mogelijk behouden van archeologische waarden in de bodem (in situ), een meldplicht voor archeologische vondsten, het meewegen van het archeologisch belang in de ruimtelijke ordening en het waarborgen dat milieueffectrapportages en de daaruit voortvloeiende beslissingen rekening houden met archeologische vindplaatsen en hun context. Tenslotte is het uitgangspunt dat de kosten voor het benodigde archeologisch onderzoek aan de verstoorder worden doorberekend (het ‘verstoorder betaalt’-principe). Z: Indiener stelt dat de ontwerpkavelbesluiten onvolledig zijn omdat geen zekerheid bestaat over de eventuele vindplaatsen met archeologische waarden en de exacte consequenties daarvan. A: Voor de windmolens en de kabels die de stroom naar het platform van TenneT brengen wordt maar een zeer klein deel van de hele kavel benut en mogelijk ‘beroerd’. Op basis van de archeologische desk studie blijkt archeologisch onderzoek alleen noodzakelijk voor het deel dat daadwerkelijk ‘beroerd’ gaat worden. Om die reden is afgezien van archeologisch detailonderzoek naar heel het kavel. Derhalve wordt een voorschrift opgenomen dat nader onderzoek voorschrijft om archeologische waarden in de te beroeren delen van het kavel te identificeren. Afhankelijk van de conclusies uit het (vervolg)onderzoek kunnen de werkzaamheden ongewijzigd doorgang vinden, vindt vervolgonderzoek plaats, worden de werkzaamheden archeologisch begeleid, worden er fysieke maatregelen getroffen ter bescherming van archeologische vindplaatsen of worden vindplaatsen uitgesloten van ingrepen met inachtneming van een bufferzone. Dit geeft de windparkontwikkelaar de mogelijkheid om de afweging te maken het wrak of ‘object’ te vermijden of nader onderzoek in te stellen naar de archeologische waarde. Overigens blijkt het mogelijk om de ‘contacten’ zoals die zijn gedetecteerd in de reeds beschikbare geofysische onderzoeken voor de kavels, archeologisch te interpreteren. Voor alle geofysische onderzoeken zal een dergelijke interpretatie uitgevoerd worden, waardoor een groot deel van de tot nu toe opgespoorde ‘contacten’ naar verwachting als ‘niet archeologisch relevant’ kan worden aangemerkt. Voorschrift 5 Z: Indiener pleit er voor het monitoringsprogramma te laten focussen op het invullen van de kennisleemtes om de daadwerkelijk benodigde en effectieve mitigerende maatregelen voor vogels, vleermuizen en zeezoogdieren goed te kunnen onderbouwen. Indiener verzoekt tijdig in overleg te treden met de vergunninghouder over de beoogde installaties en activiteiten ten behoeve van de monitoring en evaluatie. Apparatuur dient bij voorkeur aan de turbines bevestigd te worden voor deze de zee op gaan. A: Conform de zienswijze beoogt een groot deel van het MEP onderzoek naar validatie van de aannames die in het MER, PB en het KEC zijn gedaan. Tevens zijn er onderdelen geformuleerd die betrekking hebben op de effectiviteit van de maatregelen. Mocht uit de monitoring blijken dat effecten groter of kleiner zijn dan ingeschat, dan bestaat de mogelijkheid dat voorschriften aangepast worden. Bij het opstellen van het MEP zal ook de windsector worden betrokken, alsmede de vergunninghouder zodat deze tijdig op de hoogte is van de monitoringsapparatuur die bevestigd moet worden. Getracht zal worden om rekening te houden met de mogelijkheid om de apparatuur te bevestigen voordat de turbines het vasteland verlaten. Z: Indiener verzoekt om kennis uit het monitoringsprogramma te gebruiken om de voorschriften van zowel bestaande als toekomstige kavelbesluiten te optimaliseren. A: Zie het antwoord op een vergelijkbare zienswijze van indieners bij voorschrift 4. Z: Indiener vraagt om verduidelijking van voorschrift 5, sub b. A: Momenteel wordt gewerkt aan de opzet en nadere uitwerking van het MEP. Hierin zal worden aangegeven hoe, op welke periodieke termijn en in welke vorm de gegevens zullen worden gepubliceerd. Voorschrift 7 Z: Indiener vindt het onduidelijk wat er gebeurt als de windpark vergunninghouder niet om hernieuwde vaststelling van de verwijderingsgarantie verzoekt. A: Mocht de vergunninghouder de bankgarantie niet tijdig vervangen, dan vervalt het bedrag aan de Staat. Het is aan de vergunninghouder om aan te tonen wat de verwijderingskosten zijn. Om die reden ligt het initiatief voor een verzoek ook bij de vergunninghouder. Z: Indiener stelt dat er een discrepantie zit tussen de toelichting in paragraaf 4.5 en voorschrift 7. A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is het voorschrift in lijn gebracht met de toelichting. Z: Indiener merkt op dat er een overlap zit tussen de gevraagde bankgaranties. A: De tekst van het voorschrift wordt in lijn gebracht met de toelichting. Op die manier sluit het voorschrift samen met de toelichting goed aan op de subsidieverlening. Z: Indiener vindt de opgenomen indexatie voor financiële zekerheid te hoog. A: Vanwege duidelijkheid en de lange termijn waarover gesproken wordt, is gekozen voor een indexatie van 2%. Z: Indiener vindt het onduidelijk wat het verschil is tussen de momenten van indexatie voor kavelbesluiten III (en V) en IV. A: Op basis van de ingebrachte zienswijze is de toelichting in de kavelbesluiten aangepast, paragraaf 4.5. Z: Indiener pleit voor een progressieve opbouw van het te garanderen bedrag in plaats van het volledig garantstellen aan het begin van exploitatie. A: Om ten alle tijden de zekerheid te hebben dat het windpark volledig kan worden verwijderd, wordt volledige garantstelling gevraagd vanaf het begin van de exploitatie. Z: Indiener verzoekt de opgenomen verplichting in voorschrift 7 lid 3 tot herziening van de verwijderingsgarantie te herzien. A: Om te voorkomen dat een vergunninghouder niet om een herziening zal vragen, indien de dan voorziene kosten hoger zijn dan nu vastgelegde hoogte van bankgarantie inclusief indexatie, wordt vastgehouden aan deze verplichting. Z: Indiener is van mening dat bij het opstellen van de verwijderingsverplichtingen zorgvuldig moet worden afgewogen of dit ecologisch gezien wenselijk is. A: Op grond van artikel 6.16l lid 1 van het Waterbesluit dient een niet in gebruik zijnd windpark of exportkabel te worden verwijderd. In artikel 6.16l lid 3 van het Waterbesluit is geregeld dat het gedeeltelijk in stand houden van het windpark afgewogen kan worden in een vergunningprocedure op grond van artikel 6.3 lid 1 sub b van de Waterwet. Dit geldt bijvoorbeeld voor het deels laten staan van de funderingen. Ecologie wordt hierbij afgewogen. Z: Indiener stelt voor om de gevraagde zekerheid later te laten ingaan. A: Om ten alle tijden de zekerheid te hebben dat het windpark volledig kan worden verwijderd, wordt volledige garantstelling gevraagd vanaf het begin van de exploitatie. Z: Indiener verzoekt duidelijker te maken wanneer de termijn van 30 jaar van de vergunning aanvangt in relatie tot de verwijdering van het windpark. A: In voorschrift 3 van het kavelbesluit is opgenomen dat de vergunning als bedoeld in artikel 12 van de Wet windenergie op zee wordt verleend voor een termijn van 30 jaar. De genoemde termijn vangt aan vanaf inwerkingtreding van de vergunning. Deze termijn van 30 jaar is gebaseerd op de uiterlijke termijn van 30 jaar in artikel 15 lid 2 van de Wet windenergie op zee. Binnen deze termijn wordt in de vergunning op grond van artikel 15 lid 1 sub c bepaald binnen welke tijdvakken aangegeven activiteiten dienen te worden verricht. Het verwijderen van een windpark na exploitatie is een van die activiteiten. Volgens artikel 6.16l van het Waterbesluit kan de minister een termijn vaststellen, waarbinnen aan de verplichting tot verwijdering moet zijn voldaan. Deze termijn is in voorschrift 6 van het kavelbesluit gesteld op uiterlijk 2 jaar, doch uiterlijk binnen de looptijd van de vergunning gesteld op een termijn van 30 jaar. Indien de vergunninghouder het windpark in één jaar kan verwijderen, mag hij het windpark uiterlijk tot en met jaar 29 van de vergunning exploiteren. Z: Indiener verzoekt de exploitatietermijn te schrappen in relatie tot de verwijdering van het park. A: De activiteit verwijdering dient genoemd te worden en er is aangesloten bij de verwachte levensduur van nu 20 jaar en in de toekomst mogelijk langer. Op grond van artikel 15, vierde lid van de Wet windenergie op zee kan de Minister van Economische Zaken op verzoek van de vergunninghouder ontheffing verlenen van de verplichting om bepaalde activiteiten binnen een bepaald tijdvak te verrichten. Z: Indiener stelt dat de mogelijkheid moet bestaan om de bankgarantie aan te passen indien het park gedeeltelijk in stand gehouden mag worden. A: Besluiten over de gedeeltelijke instandhouding worden niet voor 12 jaar exploitatie voorzien. Nadien zijn er mogelijkheden de hoogte van de bankgarantie aan te passen. Indien de vergunninghouder het windpark zelf verwijdert, wordt de bankgarantie terug gestuurd. Z: Indiener stelt dat het niet wenselijk is de bankgarantie aan te passen tijdens de looptijd van de SDE. Dit zorgt voor meer onzekerheid. A: De bankgarantie wordt gedurende de looptijd van de subsidie herzien, er nog zeker inkomsten uit de subsidie zijn. Innovatiekavelbesluit Z: Indiener geeft aan dat de gevolgen van de werkzaamheden aan de kabels van TenneT niet zijn meegenomen in de afweging. A: Deze belangafweging is opgenomen in paragraaf 6.8, mede gelet op de onderhoudszone van 500 meter die is aangehouden. Z: Indiener vraagt of er een aparte tender komt voor kavel V. A: Ja. Z: Indiener vraagt zich af waarom dezelfde voorschriften en mitigerende maatregelen opgenomen worden. A: De effectbeoordeling van kavel III en V heeft integraal plaatsgevonden. Mede gelet op cumulatie van de windparken met elkaar worden dezelfde mitigerende maatregelen voorgeschreven. Z: Indiener vindt het redelijk om ook voor het innovatiekavel een 2 dB speling op te nemen, ondanks dat geen sprake kan zijn van een leercurve. A: Ter kennisgeving aangenomen Z: Indiener vraagt zich af of voor twee turbines wel een maximaal rotoroppervlak nodig is. A: De milieueffecten van kavel III en V zijn integraal beoordeeld op 380 MW en het daarbij gehanteerde totale rotoroppervlakte. Om die reden is een maximaal rotoroppervlak nodig. Z: Indiener geeft aan dat voorschrift 4, lid 2 onder d overbodig is. A: Dit voorschrift is inderdaad overbodig en om die reden verwijderd. Z: Indiener vraagt zich af of een heiplan moet worden ingediend voor maximaal twee windturbines. A: Ja, met dien verstande dat het heiplan een beperktere opzet kan hebben dan het heiplan voor een regulier kavelbesluit. Z: Indiener geeft aan dat het opnemen van voorschriften met betrekking tot de turbines en geluidmitigatie strijdig is met het stimuleren van ruimte voor innovatie. A: Ook voor het ruimte bieden aan innovatie moet voldaan worden aan wet- en regelgeving gelet op de bescherming van de belangen. Om die reden zijn voorschriften opgenomen. Daarnaast is het de opzet om in het innovatiekavel juist ook ruimte te bieden aan nieuwe technieken en werkwijzen die de effecten van (de aanleg van) windparken op de ecologie verkleinen. Dit draagt er immers toe bij dat de aanleg en exploitatie van windparken in de toekomst met minder ecologische hinder, en dus ook met minder beperkende voorschriften kan plaatsvinden. Dat is zowel gunstig voor de natuur als ook voor de windsector. Z: Indiener vraag zich af of in de tabel van voorschrift 4 het vermogen per turbines centraal moet staan in plaats van het aantal turbines. A: In de tabel is inderdaad het ‘vermogen per turbine’ bedoeld. Omdat kavel V uit slechts twee windturbineposities bestaat, is een geluidsnorm gebaseerd op het aantal funderingen niet geschikt. Om ook in kavel V de bouw van grotere windturbines te stimuleren, is er voor gekozen om een voorschrift op te stellen met een flexibele geluidsnorm welke naast het seizoen tevens afhankelijk is van het aantal MW per turbine. Zie paragraaf 7.8.2. Z: Indiener stelt dat het voorschrift met de geluidsnormering overbodig is aangezien het hier gaat om slechts 2 turbines. A: In de tabel bij voorschrift 4, lid 2, wordt een veranderlijke geluidsnorm aangegeven die afhankelijk is van het vermogen per turbine. Wanneer er slechts 2 turbines geplaatst worden, dienen deze ook aan de geluidsnorm te voldoen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel