Naar hoofdinhoud
Terug naar versiegeschiedenis

Versie 1

Omgevingswet · gedetecteerd op 18 mei 2026 om 01:38

-6 verwijderd 9 gewijzigd

Verwijderde artikelen

Artikel 10.10i (gedoogplichten waterstoftransportnet)
1. Een rechthebbende gedoogt dat gasleidingen van een transmissie- of distributiesysteem als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, met inbegrip van bijbehorende hulpmiddelen en installaties, die op grond van een overeenkomst of gedoogplichtbeschikking in, op, onder of boven een onroerende zaak aanwezig zijn, ook worden gebruikt voor het transport van waterstofgas door de door de Minister voor Klimaat en Energie aangewezen beheerder van het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet. 2. De gedoogplicht, bedoeld in het eerste lid, laat de rechten en verplichtingen die zijn verbonden aan een overeenkomst of gedoogplichtbeschikking als bedoeld in dat lid voor het overige onverlet.
Artikel 10.10j (gedoogplicht vanwege het maken van een ontwerp)
1. Een rechthebbende gedoogt het uitvoeren van meetwerkzaamheden of graafwerkzaamheden, het aanbrengen van tekens in, boven of op een onroerende zaak, of het verrichten van onderzoek met gebruikmaking van de daarvoor benodigde hulpmiddelen als die activiteiten nodig zijn voor het maken van een ontwerp voor de aanleg, instandhouding, wijziging, verplaatsing of opruiming van een werk van algemeen belang als bedoeld in de artikelen 10.13, 10.14 of 10.15. 2. De initiatiefnemer informeert de rechthebbende, bedoeld in het eerste lid, ten minste vier dagen van tevoren schriftelijk over de voorgenomen activiteiten.
Artikel 18.25a (informatieverstrekking uitvoering en handhaving energiegebruik)
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op de verduurzaming van het energiegebruik andere rechtspersonen of natuurlijke personen die handelen in de uitoefening van beroep of bedrijf worden aangewezen die op verzoek gegevens over het energiegebruik van eindafnemers verstrekken aan het bevoegd gezag, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak. 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de gevallen waarin in ieder geval voldaan is aan de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tot het verstrekken van gegevens en de wijzen waarop gegevens als bedoeld in het eerste lid worden verstrekt.
Artikel 20.7a (verzamelen en verstrekken vertrouwelijke gegevens)
De op grond van artikel 20.2, zevende lid, of artikel 20.6, eerste lid, te verzamelen of verstrekken gegevens kunnen voor de verduurzaming van de energievoorziening van gebouwen betrekking hebben op: de naam en het adres van de eigenaar van een onroerende zaak of de gerechtigde tot een appartementsrecht, als dat niet ook de bewoner of gebruiker is, volgens de basisregistratie kadaster, en de aansluiting en toekomstige aansluiting van een gebouw op een energievoorziening als bedoeld in artikel 10, zesde lid, onder a en b, van de Gaswet, artikel 23, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998 of artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet.
Artikel 22.21a (andere projecten zonder natuurvergunning)
In het in artikel 22.21 bedoelde programma wordt ook beschreven hoe voor een legale status kan worden gezorgd voor andere projecten waarvoor degene die het project heeft gerealiseerd, als gevolg van onrechtmatig overheidshandelen niet beschikt over een toereikende omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit.
Artikel 4.37a (rijksregels ontbossingsvrije grondstoffen en producten)
De in artikel 4.3 bedoelde regels over het verhandelen van ontbossingsvrije grondstoffen en producten als bedoeld in de Europese ontbossingsregelgeving worden gesteld met het oog op de natuurbescherming, het beschermen van het milieu, het tegengaan van klimaatverandering of het beheer van natuurlijke hulpbronnen.

Gewijzigde artikelen

Artikel 10.14(gedoogplichten energie en mijnbouw)
Oud
1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van: een mijnbouwwerk, werken bestemd voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister voor Klimaat en Energie, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van: een systeem dat wordt beheerd door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of door een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee als bedoeld in artikel 1.1 van die wet; een windpark als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, of 6.2, eerste lid, onderdeel a, van de Energiewet; een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet, een werk voor de levering van warmte als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet; het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet waarvoor door de Minister voor Klimaat en Energie een beheerder is aangewezen.
Nieuw
1. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van: een mijnbouwwerk, werken bestemd voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet. 2. Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister voor Klimaat en Energie, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van: een net als bedoeld in artikel 20, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, een windpark als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, een gastransportnet als bedoeld in artikel 39a van de Gaswet, een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet, een werk voor de levering van warmte als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet.
Artikel 10.20(gedoogplicht vanwege het maken van een ontwerp)
Oud
Vervallen
Nieuw
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het uitvoeren van meetwerkzaamheden of graafwerkzaamheden, het aanbrengen van tekens in, boven of op een onroerende zaak, of het verrichten van onderzoek met gebruikmaking van de daarvoor benodigde hulpmiddelen, als die activiteiten nodig zijn voor het maken van een ontwerp voor de aanleg, instandhouding, wijziging, verplaatsing of opruiming van een werk als bedoeld in artikel 10.13, 10.14 of 10.15.
Artikel 11.9(onderbouwing noodzaak in verband met de Opiumwet)
Oud
Als het onteigeningsbelang verband houdt met de handhaving van de artikelen 2, 2a, 3, 10a, eerste lid, aanhef en onder 3°, 10c, eerste lid, aanhef en onder 3°, en 11a van de Opiumwet in een gebouw als bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet, ontbreekt de noodzaak tot onteigening, tenzij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege blijven van een overtreding van artikel 2, 2a, 3, 10a, eerste lid, aanhef en onder 3°, 10c, eerste lid, aanhef en onder 3°, of 11a van de Opiumwet in het gebouw.
Nieuw
Als het onteigeningsbelang verband houdt met de handhaving van de artikelen 2, 3, 10a, eerste lid, aanhef en onder 3°, en 11a van de Opiumwet in een gebouw als bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet, ontbreekt de noodzaak tot onteigening, tenzij de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 13b, tweede lid, van de Woningwet, geen uitzicht heeft geboden op het duurzaam achterwege blijven van een overtreding van artikel 2, 3, 10a, eerste lid, aanhef en onder 3°, of 11a van de Opiumwet in het gebouw.
Artikel 13.3e(gebruiksvergoeding door initiatiefnemer)
Oud
1. De rechthebbende ontvangt van de initiatiefnemer een redelijke gebruiksvergoeding voor zover die vergoeding niet is inbegrepen in de vergoeding van de schade, bedoeld in artikel 15.14, eerste lid: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.14, tenzij de initiatiefnemer is: een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet, een netbeheerder als bedoeld artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, of de door de Minister voor Klimaat en Energie aangewezen beheerder van het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet; bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.21, tenzij de initiatiefnemer een bestuursorgaan is. 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepassing van het eerste lid, waaronder over de hoogte van de gebruiksvergoeding. 3. Op een vordering tot gebruiksvergoeding is de civiele rechter bevoegd binnen wiens rechtsgebied de onroerende zaak geheel of in hoofdzaak is gelegen. 4. Artikel 10.1 is van overeenkomstige toepassing op dit artikel.
Nieuw
1. De rechthebbende ontvangt van de initiatiefnemer een redelijke gebruiksvergoeding voor zover die vergoeding niet is inbegrepen in de vergoeding van de schade, bedoeld in artikel 15.14, eerste lid: bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.14, tenzij de initiatiefnemer een netbeheerder is als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder k, van de Elektriciteitswet 1998, artikel 1, eerste lid, onder e, van de Gaswet of artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, of bij een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.21, tenzij de initiatiefnemer een bestuursorgaan is. 2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de toepassing van het eerste lid, waaronder over de hoogte van de gebruiksvergoeding. 3. Op een vordering tot gebruiksvergoeding is de civiele rechter bevoegd binnen wiens rechtsgebied de onroerende zaak geheel of in hoofdzaak is gelegen. 4. Artikel 10.1 is van overeenkomstige toepassing op dit artikel.
Artikel 15.14(omvang schadevergoeding bij gedoogplichtbeschikkingen afdeling 10.3 en artikel 10.3, derde lid)
Oud
1. Schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van een gedoogplicht als bedoeld in afdeling 10.3 of artikel 10.3, derde lid, wordt aan de rechthebbende die de schade lijdt volledig vergoed. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op schade als gevolg van een gedoogplicht als bedoeld in artikel 10.17, eerste lid, en tweede lid, onder a.
Nieuw
1. Schade die een rechtstreeks en noodzakelijk gevolg is van een gedoogplicht als bedoeld in afdeling 10.3 of artikel 10.3, derde lid, wordt aan de rechthebbende die de schade lijdt volledig vergoed. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op schade als gevolg van een gedoogplicht als bedoeld in de artikelen 10.17, eerste lid, en tweede lid, onder a, en 10.20.
Artikel 16.1(elektronisch verkeer)
Oud
1. Een elektronische aanvraag om een besluit of een melding op grond van deze wet wordt in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen ingediend of gedaan via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21, tenzij bij die maatregel anders is bepaald. 2. Het elektronisch voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding of het elektronisch verzenden van een ander bericht op grond van deze wet kan in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen plaatsvinden op de bij die maatregel aangegeven wijze. 3. Bij de maatregel kunnen in afwijking van de artikelen 2:7, tweede lid, en 2:8 van de Algemene wet bestuursrecht gevallen worden aangewezen waarin het verkeer, bedoeld in het eerste en tweede lid, alleen elektronisch kan plaatsvinden.
Nieuw
1. Een aanvraag om een besluit of een melding op grond van deze wet kan, in afwijking van artikel 2:15 van de Algemene wet bestuursrecht, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen elektronisch worden ingediend of gedaan. In die gevallen wordt de aanvraag of melding ingediend of gedaan via de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 20.21, tenzij bij de maatregel anders is bepaald. 2. Het voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding of het verzenden van een ander bericht op grond van deze wet kan in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen elektronisch plaatsvinden op de bij die maatregel aangegeven wijze. 3. Bij de maatregel kunnen gevallen worden aangewezen waarin het verkeer, bedoeld in het eerste en tweede lid, alleen elektronisch kan plaatsvinden.
Artikel 16.33(toepassing afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht en bekendmaking)
Oud
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een gedoogplichtbeschikking. 2. De verplichting tot gedogen gaat niet eerder in dan vier dagen na de dag waarop de gedoogplichtbeschikking is bekendgemaakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de voorbereiding van een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in de artikelen 10.16 en 10.17, eerste lid, en tweede lid, onder a. 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de voorbereiding van een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in de artikelen 10.19, 10.19a en 10.21a vanwege spoedeisende omstandigheden.
Nieuw
1. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van een gedoogplichtbeschikking. 2. De verplichting tot gedogen gaat niet eerder in dan vier dagen na de dag waarop de gedoogplichtbeschikking is bekendgemaakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de voorbereiding van een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in de artikelen 10.16, 10.17, eerste en tweede lid, onder a, en 10.20. 4. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op de voorbereiding van een gedoogplichtbeschikking als bedoeld in de artikelen 10.19, 10.19a en 10.21a vanwege spoedeisende omstandigheden.
Artikel 22.21(vaststellen van programma)
Oud
1. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur draagt uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019. 2. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt voor 1 mei 2026 een programma vast met maatregelen om de in het eerste lid bedoelde projecten te legaliseren. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie. 3. Maatregelen om de gevolgen van de projecten ongedaan te maken, te beperken of te compenseren, worden alleen in het programma opgenomen voor zover zij niet zijn opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 3.9, vierde lid. 4. De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd voor 1 maart 2028. 5. Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zendt uiterlijk 1 juli 2027 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de krachtens het tweede lid in het programma opgenomen maatregelen in de praktijk en of aanpassing van het programma benodigd is. 6. In het programma opgenomen compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 7. De artikelen 2.25, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 3.12, 3.18, eerste en tweede lid, 3.19, eerste en tweede lid, 16.27, 16.77b, tweede lid, en 16.139 zijn van overeenkomstige toepassing. 8. Het programma wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Nieuw
1. Onze Minister voor Natuur en Stikstof draagt uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019. 2. Onze Minister voor Natuur en Stikstof stelt zo spoedig mogelijk een programma vast met maatregelen om de gevolgen van de stikstofdepositie van de in het eerste lid bedoelde projecten ongedaan te maken, te beperken of te compenseren gericht op: de verlening voor de projecten van een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit; of de aanwijzing van de projecten als vergunningvrije gevallen op grond van artikel 5.2, eerste of derde lid. 3. In het programma worden alleen maatregelen opgenomen die niet zijn opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 3.9, vierde lid. 4. De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd binnen drie jaar na de vaststelling van het programma. 5. In het programma opgenomen compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. 6. De artikelen 2.25, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 3.12, 3.18, eerste en tweede lid, 3.19, eerste en tweede lid, 16.27, 16.77b, tweede lid, en 16.139 zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 23.3(experimenten)
Oud
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, bij wijze van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens: deze wet, de Energiewet, voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag, de Huisvestingswet 2014, de Leegstandwet, de Warmtewet, de Wet milieubeheer. 2. Een experiment wordt alleen aangewezen als dit beoogt bij te dragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder a, waaronder de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de te volgen procedures of de besluitvorming daarover. 3. Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald: wat het doel van het experiment is, wat de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn, welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de uitvoering van het experiment, wat de tijdsduur van het experiment is, waarbij geldt dat het experiment niet langer duurt dan nodig is voor het doel van het experiment, van welke regels kan worden afgeweken, welke afwijkingen voor bij de maatregel aan te wijzen gevallen zijn toegestaan, voor welk gebied of voor welke besluiten die afwijkingen zijn toegestaan, hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van tien jaar als het gaat om omgevingswaarden, zijn toegestaan, welke afwijkingen na afloop van het experiment toegestaan blijven, hoe de evaluatie van het experiment wordt uitgevoerd en hoe vaak tussentijds wordt gemonitord met het oog op de doelen, bedoeld in het tweede lid, en de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving. 4. Afwijkingen als bedoeld in het derde lid, onder i, zijn alleen toegestaan als het gaat om afwijkingen die onderdeel zijn van het experiment en wanneer het in overeenstemming brengen met de regelgeving na afloop van het experiment onevenredig is in verhouding tot het te beschermen belang van de fysieke leefomgeving. 5. Als uit de monitoring en evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder j, blijkt dat het experiment niet bijdraagt aan de doelen, bedoeld in het tweede lid, treft degene die het experiment uitvoert maatregelen gericht op het bereiken van die doelen. 6. Het verantwoordelijke bestuursorgaan, bedoeld in het derde lid, onder c, kan aanwijzingen geven tot het treffen van maatregelen. Artikel 19.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 7. Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden. 8. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving. Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het eerste lid, onderdeel a, in plaats van het eerste lid, onderdeel b.
Nieuw
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, bij wijze van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens: deze wet, de Elektriciteitswet 1998, voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag, de Gaswet, de Huisvestingswet 2014, de Leegstandwet, de Warmtewet, de Wet milieubeheer. 2. Een experiment wordt alleen aangewezen als dit beoogt bij te dragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder a, waaronder de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de te volgen procedures of de besluitvorming daarover. 3. Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald: wat het doel van het experiment is, wat de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn, welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de uitvoering van het experiment, wat de tijdsduur van het experiment is, waarbij geldt dat het experiment niet langer duurt dan nodig is voor het doel van het experiment, van welke regels kan worden afgeweken, welke afwijkingen voor bij de maatregel aan te wijzen gevallen zijn toegestaan, voor welk gebied of voor welke besluiten die afwijkingen zijn toegestaan, hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van tien jaar als het gaat om omgevingswaarden, zijn toegestaan, welke afwijkingen na afloop van het experiment toegestaan blijven, hoe de evaluatie van het experiment wordt uitgevoerd en hoe vaak tussentijds wordt gemonitord met het oog op de doelen, bedoeld in het tweede lid, en de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving. 4. Afwijkingen als bedoeld in het derde lid, onder i, zijn alleen toegestaan als het gaat om afwijkingen die onderdeel zijn van het experiment en wanneer het in overeenstemming brengen met de regelgeving na afloop van het experiment onevenredig is in verhouding tot het te beschermen belang van de fysieke leefomgeving. 5. Als uit de monitoring en evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder j, blijkt dat het experiment niet bijdraagt aan de doelen, bedoeld in het tweede lid, treft degene die het experiment uitvoert maatregelen gericht op het bereiken van die doelen. 6. Het verantwoordelijke bestuursorgaan, bedoeld in het derde lid, onder c, kan aanwijzingen geven tot het treffen van maatregelen. Artikel 19.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. 7. Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden. 8. Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving.