Terug naar versiegeschiedenis
Versie 3
Omgevingswet · gedetecteerd op 6 juli 2026 om 00:00
+9 toegevoegd 67 gewijzigd
Toegevoegde artikelen
Artikel 16.7a(bevordering toepassing afdeling 3.5 Algemene wet bestuursrecht)
Onverminderd artikel 16.7 bevordert het bevoegd gezag dat op de voorbereiding van beslissingen op losse aanvragen om een omgevingsvergunning of wijziging van de voorschriften van een omgevingsvergunning die betrekking hebben op een activiteit die behoort tot verschillende gevallen die op grond van artikel 5.1, 5.3 of 5.4 als vergunningplichtig zijn aangewezen waar mogelijk afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast.
Artikel 16.83a(rechtstreeks beroep bij bestuursrechter)
In gevallen waarin artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, hoeft, in afwijking van artikel 7:1a, eerste lid, van die wet, in geval van een bezwaar tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning het schriftelijk verzoek aan het bestuursorgaan in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter niet in het bezwaarschrift te worden opgenomen.
In afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan een gemeente of een bestuursorgaan van een gemeente geen beroep instellen tegen een van de volgende besluiten van een bestuursorgaan van een andere gemeente, voor zover dat besluit betrekking heeft op de bouw van een of meer woningen:
een besluit tot vaststelling of wijziging van een omgevingsplan; of
een besluit op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor:
een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit; of
een bouwactiviteit.
Artikel 16.86a(geen tweede zitting)
Onverminderd artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning bepalen dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft als het beroep al ter zitting is behandeld.
Artikel 16.87b(verkorte uitspraak)
Bij beroepen tegen een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit voor woningbouwprojecten van ten minste een woning kan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zich, als het een hoger beroep betreft en als zij van oordeel is dat een grond van het beroep niet tot vernietiging van het bestreden besluit of een gedeelte van dat besluit kan leiden, bij de vermelding van de gronden van de beslissing beperken tot dit oordeel.
Artikel 16.87c(administratief beroep omgevingsvergunning voor jachtgeweeractiviteit)
**1.** Tegen een besluit dat alleen betrekking heeft op de weigering van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of op de intrekking van een vergunning op de in het tweede lid genoemde gronden, staat administratief beroep open bij Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
**2.** De gronden, bedoeld in het eerste lid, zijn:
de vergunninghouder heeft misbruik gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of
er zijn andere aanwijzingen dat aan de vergunninghouder het voorhanden hebben van wapens of munitie niet of niet langer kan worden toevertrouwd.
Voorheen art. 16.87a.
Artikel 20.15a(verplichte verslaglegging woningbouwopgave)
Op grond van artikel 20.14, derde lid, onder b, vierde lid en vijfde lid, worden in ieder geval regels gesteld over de verslaglegging, de toezending van verslagen aan andere bestuursorganen en de openbaarmaking van verslagen met betrekking tot de gegevens, bedoeld in artikel 20.7, tweede lid.
Artikel 22.13a(voorschriften omgevingsvergunning bouwen op verontreinigde bodem)
**1.** Dit artikel geldt voor een locatie waarvoor:
de geldende regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie in het omgevingsplan alleen de daarover in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder c, gestelde regels omvatten, en
voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, een voorschrift bevatte over de toepassing van de bevoegdheid van het bevoegd gezag om voorwaarden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen te verbinden als het van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het te bouwen bouwwerk, maar door het stellen van voorwaarden alsnog geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde doel.
**2.** Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die niet in strijd is met de regels, bedoeld in het eerste lid, onder a, kan het bevoegd gezag, als het onverminderd die regels van oordeel is dat de bodem zodanig is verontreinigd dat schade of gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw, in afwijking van artikel 5.34, eerste lid, voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden die ertoe strekken dat de bodem alsnog geschikt wordt gemaakt voor het beoogde doel.
Artikel 22.23(toepassing procedurele versnellingen bij bepaalde categorieën projecten)
**1.** Artikel 16.87a is niet van toepassing op een besluit dat is bekendgemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur waarmee dat besluit wordt aangewezen op grond van artikel 16.87a.
**2.** Artikel 16.87a blijft van toepassing op een besluit dat is aangewezen op grond van dat artikel en is bekendgemaakt op of na het tijdstip, bedoeld in het eerste lid, en binnen de termijn, bedoeld in artikel 16.87a, tweede lid, onder a, tot het besluit onherroepelijk is.
Gewijzigde artikelen
Artikel 10.10h(gedoogplichten voorbereidende werkzaamheden onteigening)
Oud
**1.** Als voor een beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor kan worden onteigend, graafwerkzaamheden, meetwerkzaamheden of het aanbrengen van tekens door het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.4, nodig worden geacht, gedoogt de rechthebbende dit.
**2.** Artikel 10.4 is van overeenkomstige toepassing.
Nieuw
**1.** Een rechthebbende op een onroerende zaak gedoogt graafwerkzaamheden, meetwerkzaamheden of het aanbrengen van tekens als dit door het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 11.4, nodig wordt geacht voor een beoogde vorm van ontwikkeling, gebruik of beheer van de fysieke leefomgeving waarvoor kan worden onteigend.
**2.** Artikel 10.4 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 10.14(gedoogplichten energie en mijnbouw)
Oud
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van:
een mijnbouwwerk,
werken bestemd voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet.
**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister voor Klimaat en Energie, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van:
een systeem dat wordt beheerd door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of door een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee als bedoeld in artikel 1.1 van die wet;
een windpark als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, of 6.2, eerste lid, onderdeel a, van de Energiewet;
een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet,
een werk voor de levering van warmte als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet;
het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet waarvoor door de Minister voor Klimaat en Energie een beheerder is aangewezen.
Nieuw
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Klimaat en Groene Groei, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van:
een mijnbouwwerk,
werken bestemd voor het opsporen van CO2-opslagcomplexen als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet,
een systeem dat wordt beheerd door een transmissie- of distributiesysteembeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet of door een transmissiesysteembeheerder voor elektriciteit op zee als bedoeld in artikel 1.1 van die wet,
een windpark als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, onderdeel a, of 6.2, eerste lid, onderdeel a, van de Energiewet,
een inrichting waarvoor een vergunning is verleend op grond van artikel 15, onder b, van de Kernenergiewet,
een werk voor de levering van warmte als bedoeld in artikel 38 van de Warmtewet,
het landelijk transportnet voor waterstofgas als bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet waarvoor door de Minister van Klimaat en Groene Groei een beheerder is aangewezen.
Artikel 10.15(gedoogplicht Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag)
Oud
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van werken voor grenswateren als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
Nieuw
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat kan, na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, aan een rechthebbende een gedoogplicht opleggen voor het tot stand brengen of opruimen van werken voor grenswateren als bedoeld in artikel 1 van de Uitvoeringswet Nederlands-Duits Grensverdrag.
Artikel 10.29(gedoogplicht maatregelen populaties dieren en planten)
Oud
**1.** Gedeputeerde staten kunnen of Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan besluiten dat de personen of de groepen van personen die ter uitvoering van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit om de omvang te beperken van de populatie van dieren, toegang hebben tot de gronden waar de dieren aanwezig zijn.
**2.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof en gedeputeerde staten kunnen besluiten dat personen of groepen van personen die ter uitvoering van de taak, bedoeld in respectievelijk artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 4°, en artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 1° of 3°, zijn belast met de bestrijding van dieren of planten van uitheemse soorten of van verwilderde dieren, of de terugdringing van de aantallen aanwezige dieren en planten van die soorten, toegang hebben tot de gronden waar de dieren of de planten aanwezig zijn.
**3.** Een rechthebbende gedoogt de aanwezigheid op zijn gronden van personen of groepen van personen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** Het bevoegd gezag informeert een rechthebbende als bedoeld in het derde lid ten minste achtenveertig uur van te voren schriftelijk over de voorgenomen maatregelen.
**5.** In afwijking van het vierde lid kan het informeren mondeling plaatsvinden en geldt de termijn niet, als dit nodig is vanwege het spoedeisende karakter van de maatregel.
Nieuw
**1.** Gedeputeerde staten kunnen of Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan besluiten dat de personen of de groepen van personen die ter uitvoering van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit om de omvang te beperken van de populatie van dieren, toegang hebben tot de gronden waar de dieren aanwezig zijn.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en gedeputeerde staten kunnen besluiten dat personen of groepen van personen die ter uitvoering van de taak, bedoeld in respectievelijk artikel 2.19, vijfde lid, onder a, onder 4°, en artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 1° of 3°, zijn belast met de bestrijding van dieren of planten van uitheemse soorten of van verwilderde dieren, of de terugdringing van de aantallen aanwezige dieren en planten van die soorten, toegang hebben tot de gronden waar de dieren of de planten aanwezig zijn.
**3.** Een rechthebbende gedoogt de aanwezigheid op zijn gronden van personen of groepen van personen als bedoeld in het eerste en tweede lid.
**4.** Het bevoegd gezag informeert een rechthebbende als bedoeld in het derde lid ten minste achtenveertig uur van te voren schriftelijk over de voorgenomen maatregelen.
**5.** In afwijking van het vierde lid kan het informeren mondeling plaatsvinden en geldt de termijn niet, als dit nodig is vanwege het spoedeisende karakter van de maatregel.
Artikel 12.26(aanspraak eigenaar: aard, hoedanigheid en gebruiksmogelijkheden)
Oud
**1.** Bij de toewijzing van rechten op kavels heeft elke eigenaar aanspraak op verkrijging van een recht van dezelfde aard als hij had op de in een herverkavelingsblok liggende onroerende zaken.
**2.** Voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet, wordt aan elke eigenaar een recht toegewezen voor onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en met gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden als de onroerende zaken die door hem zijn ingebracht.
**3.** Bij regeling van Onze Minister voor Natuur en Stikstof worden nadere regels gesteld over de in het tweede lid bedoelde gelijke hoedanigheid en gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden.
Nieuw
**1.** Bij de toewijzing van rechten op kavels heeft elke eigenaar aanspraak op verkrijging van een recht van dezelfde aard als hij had op de in een herverkavelingsblok liggende onroerende zaken.
**2.** Voor zover het belang van de landinrichting zich hiertegen niet verzet, wordt aan elke eigenaar een recht toegewezen voor onroerende zaken van gelijke hoedanigheid en met gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden als de onroerende zaken die door hem zijn ingebracht.
**3.** Bij regeling van Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur worden nadere regels gesteld over de in het tweede lid bedoelde gelijke hoedanigheid en gelijkwaardige gebruiksmogelijkheden.
Artikel 12.4(bevoegdheid tot landinrichting)
Oud
**1.** Bevoegdheden over landinrichting kunnen worden uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin het in te richten gebied geheel of grotendeels ligt.
**2.** Artikel 3, eerste lid, onderdeel r, van de Kadasterwet is van toepassing.
Nieuw
**1.** Bevoegdheden over landinrichting kunnen worden uitgeoefend door gedeputeerde staten van de provincie waarin het in te richten gebied geheel of grotendeels ligt.
**2.** Artikel 3, eerste lid, onder q, van de Kadasterwet is van toepassing.
Artikel 13.1(heffen van rechten Rijk)
Oud
**1.** Onze Minister die het aangaat kan ter dekking van de kosten voor het door hem in behandeling nemen van een aanvraag om een besluit, voor onderzoeken of verrichtingen die op verzoek van betrokkenen plaatsvinden en voor de afgifte van een document, ringen, merken of merktekens voor dieren op grond van deze wet rechten heffen van de aanvrager of van degene ten behoeve van wie die aanvraag wordt gedaan.
**2.** Onze Minister die het aangaat kan ter dekking van de kosten voor de uitvoering van controles of verificaties op grond van Europese cites-regelgeving, Europese flegt-regelgeving of Europese houtregelgeving, rechten heffen van de eigenaar, vervoerder, verhandelaar, importeur of diens gemachtigde.
**3.** De tarieven worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde kosten.
**4.** De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, berust voor omgevingsvergunningen voor jachtgeweeractiviteiten bij de korpschef.
**5.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan bij regeling bepalen dat de bevoegdheid om rechten te heffen voor de afgifte van ringen, merken of merktekens, bedoeld in het eerste lid, berust bij organisaties die zijn aangewezen op grond van artikel 4.36, derde lid.
**6.** Bij ministeriële regeling worden:
de besluiten, documenten, ringen, merken of merktekens voor dieren, en onderzoeken of verrichtingen aangewezen waarvoor rechten worden geheven,
de tarieven voor te heffen rechten vastgesteld,
regels gesteld over hoe die rechten worden geheven.
Nieuw
**1.** Onze Minister die het aangaat kan ter dekking van de kosten voor het door hem in behandeling nemen van een aanvraag om een besluit, voor onderzoeken of verrichtingen die op verzoek van betrokkenen plaatsvinden en voor de afgifte van een document, ringen, merken of merktekens voor dieren op grond van deze wet rechten heffen van de aanvrager of van degene ten behoeve van wie die aanvraag wordt gedaan.
**2.** Onze Minister die het aangaat kan ter dekking van de kosten voor de uitvoering van controles of verificaties op grond van Europese cites-regelgeving, Europese flegt-regelgeving of Europese houtregelgeving, rechten heffen van de eigenaar, vervoerder, verhandelaar, importeur of diens gemachtigde.
**3.** De tarieven worden zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde kosten.
**4.** De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, berust voor omgevingsvergunningen voor jachtgeweeractiviteiten bij de korpschef.
**5.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan bij regeling bepalen dat de bevoegdheid om rechten te heffen voor de afgifte van ringen, merken of merktekens, bedoeld in het eerste lid, berust bij organisaties die zijn aangewezen op grond van artikel 4.36, derde lid.
**6.** Bij ministeriële regeling worden:
de besluiten, documenten, ringen, merken of merktekens voor dieren, en onderzoeken of verrichtingen aangewezen waarvoor rechten worden geheven,
de tarieven voor te heffen rechten vastgesteld,
regels gesteld over hoe die rechten worden geheven.
Artikel 13.21(hoogte en begrenzing van kostensoorten)
Oud
Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden regels gesteld over de hoogte en de begrenzing van een of meer van de kostensoorten. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar het type locatie en de aard en omvang van de activiteit.
Nieuw
Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden regels gesteld over de hoogte en de begrenzing van een of meer van de kostensoorten. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt naar het type locatie en de aard en omvang van de activiteit.
Artikel 13.22(financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied)
Oud
**1.** Het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen in een overeenkomst over bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten bepalingen opnemen over financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied op basis van een omgevingsvisie of programma.
**2.** Op de overeenkomst is artikel 16.138 van overeenkomstige toepassing.
Nieuw
**1.** Het college van burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kunnen in een overeenkomst over bij algemene maatregel van bestuur aangewezen activiteiten bepalingen opnemen over financiële bijdragen voor ontwikkelingen van een gebied op basis van een omgevingsvisie of programma.
**2.** Op de overeenkomst is artikel 16.138 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 15.23(invloed van werken en plannen voor werken)
Oud
Bij het vaststellen van de schadeloosstelling wordt geen rekening gehouden met voordelen of nadelen die zijn ontstaan door:
de verwezenlijking van het onteigeningsbelang waarvoor wordt onteigend, voor zover dat een overheidswerk betreft,
overheidswerken die in verband staan met de verwezenlijking van het onteigeningsbelang waarvoor wordt onteigend,
de plannen voor de werken, bedoeld onder a en b.
Nieuw
**1.** Bij het bepalen van de werkelijke waarde van de onteigende zaak wordt geen rekening gehouden met voordelen of nadelen die zijn ontstaan door:
de verwezenlijking van het onteigeningsbelang waarvoor wordt onteigend,
overheidswerken die in verband staan met de verwezenlijking van het onteigeningsbelang waarvoor wordt onteigend,
de plannen voor de verwezenlijking van het onteigeningsbelang, bedoeld onder a, en de werken, bedoeld onder b.
**2.** Als het onteigeningsbelang waarvoor wordt onteigend geen overheidswerk betreft, wordt voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder a, wel rekening gehouden met voordelen die zijn ontstaan door de verwezenlijking van dat belang.
Artikel 15.40(eisen aan onderzoek ter plaatse door deskundigen)
Oud
**1.** Het onderzoek ter plaatse wordt gehouden in aanwezigheid van een rechter vergezeld van de griffier.
**2.** De griffier deelt aan de belanghebbenden onverwijld de tijd en de plaats van het onderzoek ter plaatse mede en nodigt hen uit daarbij aanwezig te zijn.
**3.** De griffier draagt ervoor zorg dat van de tijd en de plaats van het onderzoek ter plaatse kennis wordt gegeven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
**4.** De griffier maakt van het onderzoek ter plaatse een proces-verbaal op dat door de rechter en door hem wordt ondertekend.
Nieuw
**1.** Het onderzoek ter plaatse wordt gehouden in aanwezigheid van een rechter vergezeld van de griffier.
**2.** De griffier deelt aan de belanghebbenden onverwijld de tijd en de plaats van het onderzoek ter plaatse mee en nodigt hen uit daarbij aanwezig te zijn.
**3.** De griffier draagt ervoor zorg dat van de tijd en de plaats van het onderzoek ter plaatse kennis wordt gegeven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen.
**4.** De griffier maakt van het onderzoek ter plaatse een proces-verbaal op dat door de rechter en door hem wordt ondertekend.
Artikel 16.122(gerechtelijke vaststelling van prijs als bedoeld in artikel 9.16 en 9.18)
Oud
**1.** De rechtbank benoemt een of meer deskundigen die zo spoedig mogelijk aan de rechtbank advies uitbrengen over de prijs, bedoeld in de artikelen 9.16, eerste lid, en 9.18, eerste lid.
**2.** De rechtbank oordeelt over de prijs met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15.21 tot en met 15.25.
Nieuw
**1.** De rechtbank benoemt een of meer deskundigen die zo spoedig mogelijk aan de rechtbank advies uitbrengen over de prijs, bedoeld in de artikelen 9.16, eerste lid, en 9.18, eerste lid.
**2.** De rechtbank oordeelt over de prijs met overeenkomstige toepassing van de artikelen 15.22 tot en met 15.25.
Artikel 16.2(totstandkoming consolidatie omgevingsplan)
Oud
Ter uitvoering van artikel 19 van de Bekendmakingswet rust op een bestuursorgaan dat met toepassing van artikel 4.16, 5.52 of 16.21 een omgevingsplan wijzigt ook de verplichting om deze wijziging te verwerken in een nieuwe geconsolideerde versie van het omgevingsplan.
Nieuw
Ter uitvoering van artikel 19 van de Bekendmakingswet rust op een bestuursorgaan dat met toepassing van artikel 4.16, 5.52 of 16.21 een omgevingsplan wijzigt ook de verplichting om deze wijziging te verwerken in een nieuwe geconsolideerde versie van het omgevingsplan, tenzij de consolidatieplicht op grond van artikel 19 van de Bekendmakingswet is uitgezonderd.
Artikel 16.36(plan-mer-plichtige plannen of programma’s)
Oud
**1.** Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid.
**2.** Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als bij de voorbereiding van dat plan of programma op grond van artikel 16.53c een passende beoordeling moet worden gemaakt.
**3.** Voor een plan of programma als bedoeld in het eerste of tweede lid dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan of programma als bedoeld in het eerste of tweede lid maakt het bevoegd gezag een milieueffectrapport als dat plan of programma of de wijzigingen daarvan aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
**4.** Voor een plan of programma dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor andere projecten dan bedoeld in het eerste lid maakt het bevoegd gezag een milieueffectrapport als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
**5.** Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten als bedoeld in het derde en vierde lid, tenzij het zonder een voorafgaande beoordeling een milieueffectrapport maakt. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn. Het bevoegd gezag raadpleegt daarvoor:
de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister voor Natuur en Stikstof, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toepassing van het derde lid.
Nieuw
**1.** Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten als bedoeld in artikel 16.43, eerste lid.
**2.** Het bevoegd gezag voor een plan of programma maakt bij de voorbereiding daarvan een milieueffectrapport als bij de voorbereiding van dat plan of programma op grond van artikel 16.53c een passende beoordeling moet worden gemaakt.
**3.** Voor een plan of programma als bedoeld in het eerste of tweede lid dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau of voor kleine wijzigingen van een plan of programma als bedoeld in het eerste of tweede lid maakt het bevoegd gezag een milieueffectrapport als dat plan of programma of de wijzigingen daarvan aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
**4.** Voor een plan of programma dat het kader vormt voor te nemen besluiten voor andere projecten dan bedoeld in het eerste lid maakt het bevoegd gezag een milieueffectrapport als dat plan of programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben.
**5.** Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten als bedoeld in het derde en vierde lid, tenzij het zonder een voorafgaande beoordeling een milieueffectrapport maakt. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn. Het bevoegd gezag raadpleegt daarvoor:
de bestuursorganen en instanties die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten, bedoeld in artikel 16.43, eerste lid, waarvoor het plan of programma het kader vormt, en
Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of in plaats van de betrokken minister een door hem aangewezen bestuursorgaan.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de toepassing van het derde lid.
Artikel 16.71(toepassing Algemene wet bestuursrecht)
Oud
**1.** Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van:
een projectbesluit,
een besluit tot het buiten toepassing laten van regels als bedoeld in artikel 5.53, derde of vierde lid.
**2.** In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de afdelingen 3.6 en 3.7 van die wet van toepassing op een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.
**3.** Bij de bekendmaking van een projectbesluit of van een besluit tot uitvoering van een projectbesluit wordt de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, vermeld.
Nieuw
**1.** Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van:
een projectbesluit,
een besluit tot het buiten toepassing laten van regels als bedoeld in artikel 5.53, derde of vierde lid.
**2.** In afwijking van artikel 3:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zijn de afdelingen 3.6 en 3.7 van die wet van toepassing op een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a of b.
Artikel 16.77aa(beslistermijn bij jaarlijkse eindafrekening kostenverhaal)
Oud
Als toepassing wordt gegeven aan artikel 13.20, vijfde lid, wordt op een verzoek om een eindafrekening uiterlijk beslist op een in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.14, derde lid, onder a, of het projectbesluit bepaald tijdstip.
Nieuw
Als toepassing wordt gegeven aan artikel 13.20, vijfde lid, wordt op een verzoek om een eindafrekening uiterlijk beslist op een in het omgevingsplan, de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 13.14, derde lid, onder a, of het projectbesluit bepaald tijdstip.
Artikel 16.77b(bekendmaking omgevingsplan, omgevingsvisie, programma, projectbesluit en besluit voor aangewezen projecten)
Oud
**1.** Een omgevingsplan wordt niet eerder bekendgemaakt dan nadat twee weken zijn verstreken sinds de dag waarop het omgevingsplan is vastgesteld, tenzij:
gedeputeerde staten over het ontwerp van het omgevingsplan geen zienswijzen naar voren hebben gebracht,
ten opzichte van het ontwerp van het omgevingsplan geen wijzigingen zijn aangebracht, of
gedeputeerde staten hebben bepaald dat het omgevingsplan eerder ter inzage mag worden gelegd.
**2.** Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvisie en een programma als bedoeld in de paragrafen 3.2.2 tot en met 3.2.4.
Voorheen art. 16.77a.
Nieuw
**1.** Een omgevingsplan wordt niet eerder bekendgemaakt dan nadat twee weken zijn verstreken sinds de dag waarop het omgevingsplan is vastgesteld, tenzij:
gedeputeerde staten over het ontwerp van het omgevingsplan geen zienswijzen naar voren hebben gebracht,
ten opzichte van het ontwerp van het omgevingsplan geen wijzigingen zijn aangebracht, of
gedeputeerde staten hebben bepaald dat het omgevingsplan eerder ter inzage mag worden gelegd.
**2.** Artikel 3:42 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvisie en een programma als bedoeld in de paragrafen 3.2.2 tot en met 3.2.4.
**3.** Bij de bekendmaking van een projectbesluit, een besluit tot uitvoering van een projectbesluit of een besluit dat is aangewezen op grond van artikel 16.87a wordt de bijzondere regeling over het aanvoeren van gronden van het beroep, bedoeld in artikel 16.86, vermeld.
Artikel 16.86(beroepsgronden bij een projectbesluit of een uitvoeringsbesluit daarvan)
Oud
**1.** Bij het beroep tegen een projectbesluit en tegen besluiten ter uitvoering van een projectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd na afloop van de termijn voor het instellen van beroep.
**2.** Bij het beroep tegen een besluit tot uitvoering van een projectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op het projectbesluit waarop dat besluit berust.
**3.** In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep tegen een projectbesluit of tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit niet-ontvankelijk verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onder d, van die wet, tenzij bij de bekendmaking van het besluit niet is voldaan aan artikel 16.71, derde lid, en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
Nieuw
**1.** Bij het beroep tegen een projectbesluit en tegen besluiten ter uitvoering van een projectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd na afloop van de termijn voor het instellen van beroep.
**2.** Bij het beroep tegen een besluit tot uitvoering van een projectbesluit kunnen geen gronden worden aangevoerd die betrekking hebben op het projectbesluit waarop dat besluit berust.
**3.** In afwijking van artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht wordt het beroep tegen een projectbesluit of tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit niet-ontvankelijk verklaard als niet is voldaan aan artikel 6:5, eerste lid, onder d, van die wet, tenzij bij de bekendmaking van het besluit niet is voldaan aan artikel 16.77b, derde lid, en redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
Artikel 16.87(versnelde behandeling en rechterlijke beslistermijn bij projectprocedure)
Oud
**1.** Op beroepen tegen een projectbesluit of tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.
**2.** In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling de in het eerste lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.
**3.** Op beroepen tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit waarop op grond van artikel 16.7 afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, beslist de Afdeling binnen zes maanden na ontvangst van de verweerschriften.
Nieuw
**1.** De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelt beroepen tegen een projectbesluit, tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 en tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit met toepassing van afdeling 8.2.3 van de Algemene wet bestuursrecht.
**2.** Als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor beroepen tegen besluiten als bedoeld in het eerste lid advies van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening inwint, brengt die stichting binnen twee maanden na het verzoek advies uit.
**3.** Op beroepen tegen een projectbesluit of tegen een besluit over goedkeuring als bedoeld in artikel 16.72 beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift.
**4.** In bijzondere omstandigheden kan de Afdeling de in het derde lid genoemde termijn met ten hoogste drie maanden verlengen.
**5.** Op beroepen tegen een besluit ter uitvoering van een projectbesluit waarop op grond van artikel 16.7 afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, beslist de Afdeling binnen zes maanden na ontvangst van de verweerschriften.
**6.** Het derde en vijfde lid zijn niet van toepassing als artikel 8:51a of 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegepast. In dat geval doet de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift een tussenuitspraak; en
binnen zes maanden na verzending van de tussenuitspraak een einduitspraak.
**7.** Het derde en vijfde lid zijn voorts niet van toepassing als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met toepassing van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie prejudiciële vragen stelt. In dat geval worden de vragen binnen zes maanden na ontvangst van het verweerschrift bij tussenuitspraak gesteld. In de tussenuitspraak beslist de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zoveel mogelijk ook op de beroepsgronden die niet door de vragen worden geraakt.
Artikel 16.87a(procedurele versnellingen bij bepaalde categorieën projecten)
Oud
**1.** Tegen een besluit dat alleen betrekking heeft op de weigering van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit of op de intrekking van een vergunning op de in het tweede lid genoemde gronden, staat administratief beroep open bij Onze Minister van Justitie en Veiligheid.
**2.** De gronden, bedoeld in het eerste lid, zijn:
de vergunninghouder heeft misbruik gemaakt van wapens of munitie of van de bevoegdheid om wapens of munitie voorhanden te hebben, of
er zijn andere aanwijzingen dat aan de vergunninghouder het voorhanden hebben van wapens of munitie niet of niet langer kan worden toevertrouwd.
Nieuw
**1.** Op voordracht van Onze Minister die het aangaat, mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, kunnen bij algemene maatregel van bestuur besluiten voor categorieën projecten die bijdragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder b, waarvan de versnelde uitvoering noodzakelijk is vanwege zwaarwegende maatschappelijke belangen worden aangewezen waarop de artikelen 16.86, eerste en derde lid, en 16.87, eerste tot en met vierde lid, zesde lid en zevende lid, ook van toepassing zijn.
**2.** Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:
gedurende welke termijn de aanwijzing geldt, waarbij geldt dat die termijn ten hoogste tien jaar bedraagt;
hoe de evaluatie en monitoring van de aanwijzing worden uitgevoerd.
**3.** Als de evaluatie van de aanwijzing aanleiding geeft tot verlenging daarvan, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister van Justitie en Veiligheid, besluiten om de termijn, bedoeld in het tweede lid, onder a, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen.
**4.** Als een besluit uit verschillende besluitonderdelen bestaat waarvan alleen een gedeelte als een besluit als bedoeld in het eerste lid is aangewezen, strekt de aanwijzing zich uit over alle besluitonderdelen.
**5.** Bij de maatregel worden in ieder geval woningbouwprojecten waarbij ten minste een woning wordt gerealiseerd aangewezen als categorie projecten als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 18.10(bevoegdheid intrekken begunstigende beschikking)
Oud
**1.** Het bevoegd gezag kan een beschikking geheel of gedeeltelijk intrekken als in strijd met die beschikking of met de voor de activiteit waarvoor de beschikking is gegeven, geldende regels is of wordt gehandeld.
**2.** Een beschikking die betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen of van andere afvalstoffen die van elders afkomstig zijn, kan, voor zover die beschikking betrekking heeft op het beheer van afvalstoffen, ook worden ingetrokken als in strijd is of wordt gehandeld met de op grond van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer voor dat beheer geldende voorschriften.
**3.** Voordat het bevoegd gezag toepassing geeft aan het eerste of tweede lid, biedt het de overtreder de gelegenheid binnen een bepaalde termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met die beschikking of die regels.
**4.** Het bevoegd gezag kan een beschikking ook geheel of gedeeltelijk intrekken:
als de beschikking is gegeven op basis van een onjuiste of onvolledige opgave van gegevens,
in gevallen als bedoeld in artikel 5.37, tweede lid: als de activiteit wordt verricht door een ander dan degene aan wie de omgevingsvergunning is verleend.
Nieuw
**1.** Het bevoegd gezag kan een beschikking intrekken als in strijd met die beschikking of met de voor de activiteit waarvoor de beschikking is gegeven, geldende regels is of wordt gehandeld.
**2.** Een beschikking die betrekking heeft op het beheer van gevaarlijke afvalstoffen of van andere afvalstoffen die van elders afkomstig zijn, kan, voor zover die beschikking betrekking heeft op het beheer van afvalstoffen, ook worden ingetrokken als in strijd is of wordt gehandeld met de op grond van hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer voor dat beheer geldende voorschriften.
**3.** Voordat het bevoegd gezag toepassing geeft aan het eerste of tweede lid, biedt het de overtreder de gelegenheid binnen een bepaalde termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met die beschikking of die regels.
**4.** Het bevoegd gezag kan een beschikking ook intrekken:
als de beschikking is gegeven op basis van een onjuiste of onvolledige opgave van gegevens,
in gevallen als bedoeld in artikel 5.37, derde lid: als de activiteit wordt verricht door een ander dan degene aan wie de omgevingsvergunning is verleend.
Artikel 18.15a(bestuurlijke boete bij overtreding regels handel dieren, planten, hout of producten daarvan)
Oud
**1.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen regels, gesteld op grond van artikel 4.3, tweede lid, onder a of b.
**2.** De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van dat wetboek per overtreding, per overtreding begaan door een rechtspersoon of een vennootschap.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de maximumhoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
**4.** Voor overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan geen bestuurlijke strafbeschikking worden opgelegd op grond van artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan een bestuurlijke boete opleggen bij overtreding van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen regels, gesteld op grond van artikel 4.3, tweede lid, onder a of b.
**2.** De bestuurlijke boete bedraagt ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de eerste categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, per overtreding begaan door een natuurlijke persoon, en ten hoogste het bedrag dat is bepaald voor de tweede categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van dat wetboek per overtreding, per overtreding begaan door een rechtspersoon of een vennootschap.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de maximumhoogte van de bestuurlijke boete die voor een overtreding of voor categorieën van overtredingen kan worden opgelegd.
**4.** Voor overtredingen als bedoeld in het eerste lid kan geen bestuurlijke strafbeschikking worden opgelegd op grond van artikel 257ba van het Wetboek van Strafvordering.
Artikel 18.16a(bestuurlijke maatregelen dieren, planten, eieren, hout en producten daarvan)
Oud
**1.** Onverminderd artikel 18.1 en artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering kan Onze Minister voor Natuur en Stikstof voor dieren, eieren, planten, hout of producten daarvan die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, onverwijld maatregelen treffen op kosten van de eigenaar, vervoerder, verhandelaar, importeur of diens gemachtigde.
**2.** De maatregelen zijn:
een besluit tot het terugzenden naar het land van uitvoer of herkomst of tot het opleggen van een plicht daartoe,
een besluit tot het brengen van dieren, eieren, planten of van de producten daarvan naar enige plaats buiten Nederland die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister voor Natuur en Stikstof geschikt is en in overeenstemming is met de doeleinden van het cites-verdrag, of tot het opleggen van een plicht daartoe,
een besluit tot het opleggen van een verbod op het vervoeren, be- of verwerken of het verhandelen,
een besluit tot het in bewaring nemen of het opleggen van een plicht daartoe,
een besluit tot het opleggen van een plicht om houders of vermoedelijke houders van deze situatie onverwijld en op doeltreffende wijze op de hoogte te stellen,
een besluit tot het opleggen van een plicht om de betrokken dieren, eieren, planten of producten daarvan of het betrokken hout of producten daarvan die zijn verhandeld op te halen of centraal op te slaan,
een besluit tot het opleggen van een plicht tot het identificeren en registreren van de betrokken dieren, eieren, planten of producten daarvan, of het betrokken hout of producten daarvan.
**3.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan beslissen dat levende dieren, behorend tot een in het wild levende soort die van nature in Nederland voorkomt, waarvan kan worden aangenomen dat zij zich in de natuur kunnen handhaven, op kosten van de eigenaar of van degene die deze dieren onder zich heeft, in hun natuurlijke leefomgeving in vrijheid worden gesteld.
Nieuw
**1.** Onverminderd artikel 18.1 en artikel 117 van het Wetboek van Strafvordering kan Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voor dieren, eieren, planten, hout of producten daarvan die in strijd met het bepaalde bij of krachtens deze wet binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, onverwijld maatregelen treffen op kosten van de eigenaar, vervoerder, verhandelaar, importeur of diens gemachtigde.
**2.** De maatregelen zijn:
een besluit tot het terugzenden naar het land van uitvoer of herkomst of tot het opleggen van een plicht daartoe,
een besluit tot het brengen van dieren, eieren, planten of van de producten daarvan naar enige plaats buiten Nederland die daarvoor naar het oordeel van Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur geschikt is en in overeenstemming is met de doeleinden van het cites-verdrag, of tot het opleggen van een plicht daartoe,
een besluit tot het opleggen van een verbod op het vervoeren, be- of verwerken of het verhandelen,
een besluit tot het in bewaring nemen of het opleggen van een plicht daartoe,
een besluit tot het opleggen van een plicht om houders of vermoedelijke houders van deze situatie onverwijld en op doeltreffende wijze op de hoogte te stellen,
een besluit tot het opleggen van een plicht om de betrokken dieren, eieren, planten of producten daarvan of het betrokken hout of producten daarvan die zijn verhandeld op te halen of centraal op te slaan,
een besluit tot het opleggen van een plicht tot het identificeren en registreren van de betrokken dieren, eieren, planten of producten daarvan, of het betrokken hout of producten daarvan.
**3.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan beslissen dat levende dieren, behorend tot een in het wild levende soort die van nature in Nederland voorkomt, waarvan kan worden aangenomen dat zij zich in de natuur kunnen handhaven, op kosten van de eigenaar of van degene die deze dieren onder zich heeft, in hun natuurlijke leefomgeving in vrijheid worden gesteld.
Artikel 18.16b(nadere regels over bestuurlijke maatregelen)
Oud
**1.** Aan een in artikel 18.16a bedoeld besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
**2.** Het is verboden te handelen in strijd met een besluit als bedoeld in artikel 18.16a of een voorschrift als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Als niet tot terugzending of tot invrijheidstelling in de natuurlijke leefomgeving wordt besloten, kunnen de kosten van verzorging, huisvesting of opslag binnen Nederland geheel of gedeeltelijk in rekening worden gebracht bij de eigenaar, vervoerder, verhandelaar, importeur of diens gemachtigde. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het in rekening brengen van de kosten.
**4.** Tot de in artikel 18.16a, eerste en derde lid, bedoelde kosten kunnen ook behoren de kosten van bewaring in verband met het transport naar de plaats van bestemming.
**5.** Bij gebreke van volledige betaling binnen de door hem gestelde termijn kan Onze Minister voor Natuur en Stikstof dat wat op grond van artikel 18.16a of dit artikel is verschuldigd, invorderen bij dwangbevel.
Nieuw
**1.** Aan een in artikel 18.16a bedoeld besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
**2.** Het is verboden te handelen in strijd met een besluit als bedoeld in artikel 18.16a of een voorschrift als bedoeld in het eerste lid.
**3.** Als niet tot terugzending of tot invrijheidstelling in de natuurlijke leefomgeving wordt besloten, kunnen de kosten van verzorging, huisvesting of opslag binnen Nederland geheel of gedeeltelijk in rekening worden gebracht bij de eigenaar, vervoerder, verhandelaar, importeur of diens gemachtigde. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het in rekening brengen van de kosten.
**4.** Tot de in artikel 18.16a, eerste en derde lid, bedoelde kosten kunnen ook behoren de kosten van bewaring in verband met het transport naar de plaats van bestemming.
**5.** Bij gebreke van volledige betaling binnen de door hem gestelde termijn kan Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur dat wat op grond van artikel 18.16a of dit artikel is verschuldigd, invorderen bij dwangbevel.
Artikel 18.26(coördinatie uitvoering en handhaving)
Oud
**1.** Gedeputeerde staten dragen binnen de provincie zorg voor de coördinatie van een onderling afgestemde uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak.
**2.** Onze Minister die het aangaat en Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dragen zorg voor de coördinatie van de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak, voor zover die afstemming van bovenprovinciaal belang is.
Nieuw
**1.** Gedeputeerde staten dragen binnen de provincie zorg voor de coördinatie van een onderling afgestemde uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak.
**2.** Onze Minister die het aangaat en Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening dragen zorg voor de coördinatie van de uitoefening van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak, voor zover die afstemming van bovenprovinciaal belang is.
Artikel 18.5a(handhavingstaak en -bevoegdheid bestuursorgaan Mijnbouwwet).
Oud
Voor zover op grond van deze paragraaf taken of bevoegdheden die gaan over mijnbouw berusten bij Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat, worden deze uitgeoefend door het bestuursorgaan dat daartoe op grond van hoofdstuk 8 van de Mijnbouwwet bevoegd is.
Nieuw
Voor zover op grond van deze paragraaf taken of bevoegdheden die gaan over mijnbouw berusten bij Onze Minister van Klimaat en Groene Groei, worden deze uitgeoefend door het bestuursorgaan dat daartoe op grond van hoofdstuk 8 van de Mijnbouwwet bevoegd is.
Artikel 19.18(regulering prioritering uitvoering projecten bij schaarste)
Oud
**1.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt in overeenstemming met Onze andere Ministers die het aangaat, bij ministeriële regeling vast aan welke projecten bij schaarste aan arbeidskrachten, geldmiddelen of materialen uitvoering kan worden gegeven.
**2.** Bij de regeling kunnen regels worden gesteld over, en zo nodig in afwijking van, het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken 4 en 5.
**3.** Bij de regeling kan worden bepaald dat het verboden is een project uit te voeren zonder toestemming van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en, voor zover van toepassing, van Onze andere Ministers die het aangaat.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt in overeenstemming met Onze andere Ministers die het aangaat, bij ministeriële regeling vast aan welke projecten bij schaarste aan arbeidskrachten, geldmiddelen of materialen uitvoering kan worden gegeven.
**2.** Bij de regeling kunnen regels worden gesteld over, en zo nodig in afwijking van, het bepaalde bij of krachtens de hoofdstukken 4 en 5.
**3.** Bij de regeling kan worden bepaald dat het verboden is een project uit te voeren zonder toestemming van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en, voor zover van toepassing, van Onze andere Ministers die het aangaat.
Artikel 19.4(veroorzaker verplichten tot treffen van maatregelen)
Oud
**1.** Het bevoegd gezag verplicht de veroorzaker tot het treffen van de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen.
**2.** Het bevoegd gezag kan aanwijzingen geven over het verrichten van de activiteit of het treffen van maatregelen, waaronder de aanwijzing om de activiteit waardoor het ongewoon voorval is veroorzaakt, onmiddellijk stil te leggen.
**3.** Artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Als een ongewoon voorval de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk belemmert of dreigt te belemmeren, kan het bestuur waarbij de zuiveringstaak, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 2°, berust het bevoegd gezag verzoeken de veroorzaker van het voorval te verplichten tot het treffen van de nodige maatregelen of de veroorzaker de nodige aanwijzigen te geven om de nadelige gevolgen voor de werking van het zuiveringtechnische werk te beperken of weg te nemen.
**5.** Het bevoegd gezag geeft onverwijld uitvoering aan dit verzoek, voor zover dat niet in strijd is met het belang van de bescherming van het milieu.
Nieuw
**1.** Het bevoegd gezag verplicht de veroorzaker tot het treffen van de maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen.
**2.** Het bevoegd gezag kan aanwijzingen geven over het verrichten van de activiteit of het treffen van maatregelen, waaronder de aanwijzing om de activiteit waardoor het ongewoon voorval is veroorzaakt, onmiddellijk stil te leggen.
**3.** Artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.
**4.** Als een ongewoon voorval de doelmatige werking van een zuiveringtechnisch werk belemmert of dreigt te belemmeren, kan het bestuur waarbij de zuiveringstaak, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder a, onder 2°, berust het bevoegd gezag verzoeken de veroorzaker van het voorval te verplichten tot het treffen van de nodige maatregelen of de veroorzaker de nodige aanwijzingen te geven om de nadelige gevolgen voor de werking van het zuiveringtechnische werk te beperken of weg te nemen.
**5.** Het bevoegd gezag geeft onverwijld uitvoering aan dit verzoek, voor zover dat niet in strijd is met het belang van de bescherming van het milieu.
Artikel 2.1(uitoefening taken en bevoegdheden)
Oud
**1.** Een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk of, met inachtneming van de Waterschapswet, van een waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uit met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
**2.** Het bestuursorgaan houdt daarbij rekening met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.
**3.** Bij de op grond van deze wet gestelde regels kan de toepassing van het eerste en tweede lid worden uitgewerkt of begrensd. Deze uitwerking of begrenzing kan in ieder geval betrekking hebben op:
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
het beschermen van het milieu,
het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening,
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden,
het behoud van cultureel erfgoed,
het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed,
de natuurbescherming,
het tegengaan van klimaatverandering,
de kwaliteit van bouwwerken,
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten,
het beheer van infrastructuur,
het beheer van watersystemen,
het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen,
het beheer van natuurlijke hulpbronnen,
het beheer van natuurgebieden,
het gebruik van bouwwerken,
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
**4.** Onverminderd het derde lid wordt bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Nieuw
**1.** Een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk of, met inachtneming van de Waterschapswet, van een waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden op grond van deze wet uit met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.
**2.** Het bestuursorgaan houdt daarbij rekening met de samenhang van de relevante onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en van de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.
**3.** Bij de op grond van deze wet gestelde regels kan de toepassing van het eerste en tweede lid worden uitgewerkt of begrensd. Deze uitwerking of begrenzing kan in ieder geval betrekking hebben op:
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
het beschermen van het milieu,
het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening,
het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden,
het behoud van cultureel erfgoed,
het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed,
de natuurbescherming,
het tegengaan van klimaatverandering,
de kwaliteit van bouwwerken,
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten,
het beheer van infrastructuur,
het beheer van watersystemen,
het beheer van geobiologische en geothermische systemen en ecosystemen,
het beheer van natuurlijke hulpbronnen,
het beheer van natuurgebieden,
het gebruik van bouwwerken,
het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.
**4.** Onverminderd het derde lid wordt bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
**5.** De uitoefening van bevoegdheden door een bestuursorgaan van een gemeente, een provincie of het Rijk, bedoeld in het eerste lid, kan mede betrekking hebben op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.
Artikel 2.19(rijkstaken voor de fysieke leefomgeving)
Oud
**1.** Bij Onze Minister die het aangaat berusten, naast de elders in deze wet en op grond van andere wetten aan het Rijk toegedeelde taken voor de fysieke leefomgeving, de in het tweede tot en met vijfde lid genoemde taken.
**2.** De volgende taken voor watersystemen berusten bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:
het beheer van rijkswateren,
het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn, voor zover dat volgens die minister nodig is om te voldoen aan een omgevingswaarde voor de veiligheid van primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, onder d,
het houden van toezicht op het beheer van primaire waterkeringen door een waterschap of een ander openbaar lichaam,
het tot stand brengen en beschikbaar stellen van technische leidraden voor het ontwerp en het beheer van primaire waterkeringen.
**3.** De volgende taken voor infrastructuur en andere voorzieningen berusten bij Onze daarbij genoemde Minister:
bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: het behoeden van de staat en werking van de volgende infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur:
de luchthaven Schiphol en overige burgerluchthavens van nationale betekenis,
hoofdspoorweginfrastructuur en bijzondere spoorweginfrastructuur,
wegen in beheer bij het Rijk,
communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten luchthavens als bedoeld onder 1°,
bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: de beheersing van geluid afkomstig van wegen in beheer bij het Rijk en hoofdspoorwegen die zijn aangewezen op grond van artikel 2.15, tweede lid,
bij Onze Minister van Defensie: het behoeden van de staat en werking van de volgende infrastructuur of andere voorzieningen voor defensie en de nationale veiligheid voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur of andere voorzieningen:
militaire luchthavens,
laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen,
militaire terreinen,
munitieopslagplaatsen,
radarstations en zend- en ontvangstinstallaties buiten militaire luchthavens.
**4.** Bij Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties berust de taak van het houden van toezicht op de uitoefening van taken door een waterschap voor het digitaal stelsel, bedoeld in afdeling 20.5.
**5.** De volgende taken op het gebied van natuur berusten bij Onze daarbij genoemde Minister:
bij Onze Minister voor Natuur en Stikstof:
het zorg dragen voor het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 2°, tweede streep, voor bijzondere nationale natuurgebieden, behalve in de gevallen die zijn aangewezen bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in laatstgenoemd artikelonderdeel,
het voor zover mogelijk opstellen van een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten,
het opstellen van rode lijsten die inzicht geven in met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen,
de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten, met uitzondering van de gevallen die zijn aangewezen op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 3°,
bij Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Minister: het zorg dragen voor het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 2°, eerste streep, voor Natura 2000-gebieden of gedeelten daarvan:
die een oppervlaktewaterlichaam zijn dat in beheer is bij het Rijk,
die voor militaire doeleinden worden gebruikt,
die in beheer zijn bij een van Onze andere Ministers dan Onze Minister voor Natuur en Stikstof, of eigendom zijn van de Staat der Nederlanden, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
Nieuw
**1.** Bij Onze Minister die het aangaat berusten, naast de elders in deze wet en op grond van andere wetten aan het Rijk toegedeelde taken voor de fysieke leefomgeving, de in het tweede tot en met vijfde lid genoemde taken.
**2.** De volgende taken voor watersystemen berusten bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat:
het beheer van rijkswateren,
het voorkomen of tegengaan van landwaartse verplaatsing van de kustlijn, voor zover dat volgens die minister nodig is om te voldoen aan een omgevingswaarde voor de veiligheid van primaire waterkeringen als bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, onder d,
het houden van toezicht op het beheer van primaire waterkeringen door een waterschap of een ander openbaar lichaam,
het tot stand brengen en beschikbaar stellen van technische leidraden voor het ontwerp en het beheer van primaire waterkeringen.
**3.** De volgende taken voor infrastructuur en andere voorzieningen berusten bij Onze daarbij genoemde Minister:
bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: het behoeden van de staat en werking van de volgende infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur:
de luchthaven Schiphol en overige burgerluchthavens van nationale betekenis,
hoofdspoorweginfrastructuur en bijzondere spoorweginfrastructuur,
wegen in beheer bij het Rijk,
communicatie-, navigatie- en radarapparatuur buiten luchthavens als bedoeld onder 1°,
bij Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat: de beheersing van geluid afkomstig van wegen in beheer bij het Rijk en hoofdspoorwegen die zijn aangewezen op grond van artikel 2.15, tweede lid,
bij Onze Minister van Defensie: het behoeden van de staat en werking van de volgende infrastructuur of andere voorzieningen voor defensie en de nationale veiligheid voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur of andere voorzieningen:
militaire luchthavens,
laagvliegroutes voor jacht- en transportvliegtuigen,
militaire terreinen,
munitieopslagplaatsen,
radarstations en zend- en ontvangstinstallaties buiten militaire luchthavens.
**4.** Bij Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening berust de taak van het houden van toezicht op de uitoefening van taken door een waterschap voor het digitaal stelsel, bedoeld in afdeling 20.5.
**5.** De volgende taken op het gebied van natuur berusten bij Onze daarbij genoemde Minister:
bij Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur:
het zorg dragen voor het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 2°, tweede streep, voor bijzondere nationale natuurgebieden, behalve in de gevallen die zijn aangewezen bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in laatstgenoemd artikelonderdeel,
het voor zover mogelijk opstellen van een kwantificering van de instandhoudingsdoelstellingen voor de in Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden te beschermen habitats en soorten,
het opstellen van rode lijsten die inzicht geven in met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende dier- en plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen,
de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten, met uitzondering van de gevallen die zijn aangewezen op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 3°,
bij Onze bij algemene maatregel van bestuur aangewezen Minister: het zorg dragen voor het nemen van maatregelen als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 2°, eerste streep, voor Natura 2000-gebieden of gedeelten daarvan:
die een oppervlaktewaterlichaam zijn dat in beheer is bij het Rijk,
die voor militaire doeleinden worden gebruikt,
die in beheer zijn bij een van Onze andere Ministers dan Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, of eigendom zijn van de Staat der Nederlanden, in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.
Artikel 2.26(verplichte instructieregels Rijk programma’s)
Oud
**1.** Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, de natuurbescherming en het beheer van watersystemen en natuurgebieden in ieder geval gesteld over programma’s als bedoeld in paragraaf 3.2.2 die voortvloeien uit internationaalrechtelijke verplichtingen.
**2.** De regels strekken mede ter voorkoming of beperking van achteruitgang van de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
**3.** De regels strekken in ieder geval tot uitvoering van de:
drinkwaterrichtlijn,
grondwaterrichtlijn,
habitatrichtlijn,
kaderrichtlijn mariene strategie,
kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning,
kaderrichtlijn water,
nec-richtlijn,
richtlijn luchtkwaliteit,
richtlijn omgevingslawaai,
richtlijn overstromingsrisico’s,
vogelrichtlijn.
Nieuw
**1.** Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid, het beschermen van het milieu, de natuurbescherming en het beheer van watersystemen en natuurgebieden in ieder geval gesteld over programma’s als bedoeld in paragraaf 3.2.2 die voortvloeien uit internationaalrechtelijke verplichtingen.
**2.** De regels strekken mede ter voorkoming of beperking van achteruitgang van de staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
**3.** De regels strekken in ieder geval tot uitvoering van de:
drinkwaterrichtlijn,
grondwaterrichtlijn,
habitatrichtlijn,
kaderrichtlijn mariene strategie,
kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning,
kaderrichtlijn water,
nec-richtlijn,
richtlijn luchtkwaliteit,
richtlijn omgevingslawaai,
richtlijn overstromingsrisico’s,
vogelrichtlijn.
**4.** Regels op grond van artikel 2.24 worden met het oog op het woningbouwtekort in ieder geval gesteld over het nationaal volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.9, vijfde lid. De regels strekken in ieder geval tot het in kaart brengen van bouwlocaties die verhoogde attentie vereisen.
Artikel 2.32(ontheffing instructieregels)
Oud
**1.** Bij een regel op grond van artikel 2.22 kan worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen verlenen van die regel.
**2.** Bij een regel op grond van artikel 2.24, eerste lid, kan worden bepaald dat Onze Minister die het aangaat, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente, waterschap of provincie, ontheffing kan verlenen van die regel. Bij de regel kan worden bepaald dat voor het besluit tot het verlenen van een ontheffing overeenstemming is vereist met Onze Minister die het aangaat of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
**3.** Bij een regel op grond van artikel 2.24, eerste lid, kan worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen verlenen van die regel, als de aanwijzing of begrenzing van een locatie waarop die regel ziet, wordt bepaald in een besluit van een bestuursorgaan van de provincie.
**4.** Als bij een regel als bedoeld in artikel 2.25, zesde lid, is bepaald dat bij omgevingsverordening van een regel kan worden afgeweken of nadere regels worden of kunnen worden gesteld, kan daarbij ook worden bepaald dat gedeputeerde staten op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap ontheffing kunnen verlenen van die regel of nadere regels.
**5.** Een ontheffing wordt alleen verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd.
**6.** Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een daarbij gestelde termijn.
Nieuw
**1.** Bij een regel op grond van artikel 2.22 kan worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen verlenen van die regel.
**2.** Bij een regel op grond van artikel 2.24, eerste lid, kan worden bepaald dat Onze Minister die het aangaat, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente, waterschap of provincie, ontheffing kan verlenen van die regel. Bij de regel kan worden bepaald dat voor het besluit tot het verlenen van een ontheffing overeenstemming is vereist met Onze Minister die het aangaat of Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
**3.** Bij een regel op grond van artikel 2.24, eerste lid, kan worden bepaald dat gedeputeerde staten, op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap, ontheffing kunnen verlenen van die regel, als de aanwijzing of begrenzing van een locatie waarop die regel ziet, wordt bepaald in een besluit van een bestuursorgaan van de provincie.
**4.** Als bij een regel als bedoeld in artikel 2.25, zesde lid, is bepaald dat bij omgevingsverordening van een regel kan worden afgeweken of nadere regels worden of kunnen worden gesteld, kan daarbij ook worden bepaald dat gedeputeerde staten op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of waterschap ontheffing kunnen verlenen van die regel of nadere regels.
**5.** Een ontheffing wordt alleen verleend als de uitoefening van de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd.
**6.** Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een daarbij gestelde termijn.
Artikel 2.33(grondslag instructie provincie)
Oud
**1.** Gedeputeerde staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, de gemeenteraad of het waterschapsbestuur waarvan het beheergebied geheel of grotendeels in de betrokken provincie is gelegen een instructie geven over de uitoefening van een taak of bevoegdheid.
**2.** Een instructie kan alleen worden gegeven aan:
de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
het waterschapsbestuur, als dat nodig is voor een doelmatige beheersing van het geluid afkomstig van wegen als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder c,
het waterschapsbestuur, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer,
het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
**3.** Op het geven van een instructie is artikel 2.23, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
**4.** Een instructie kan niet worden gegeven als toepassing kan worden gegeven aan:
artikel 124, 124a of 273a van de Gemeentewet, of
artikel 156, eerste lid, van de Waterschapswet.
Nieuw
**1.** Gedeputeerde staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, de gemeenteraad of het waterschapsbestuur waarvan het beheergebied geheel of grotendeels in de betrokken provincie is gelegen een instructie geven over de uitoefening van een taak of bevoegdheid.
**2.** Een instructie kan alleen worden gegeven aan:
de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
het waterschapsbestuur, als dat nodig is voor een doelmatige beheersing van het geluid afkomstig van wegen als bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, onder c,
het waterschapsbestuur, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig regionaal waterbeheer,
het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.
**3.** Op het geven van een instructie is artikel 2.23, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
**4.** Een instructie kan niet worden gegeven als toepassing kan worden gegeven aan:
artikel 124, 124a of 273a van de Gemeentewet, of
artikel 156, eerste lid, van de Waterschapswet.
Artikel 2.34(grondslag instructie Rijk)
Oud
**1.** Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, een instructie geven aan het provinciebestuur, het gemeentebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid.
**2.** Een instructie kan alleen worden gegeven aan:
provinciale staten over het stellen van regels in een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.22 of 4.1, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
gedeputeerde staten over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
provinciale staten over een besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden rondom industrieterreinen waarop zich voorzieningen voor defensie bevinden, als toepassing is gegeven aan artikel 2.12a, eerste lid,
de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
**3.** In aanvulling op het tweede lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een instructie geven aan het provinciebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig waterbeheer.
**4.** In aanvulling op het tweede lid kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, een instructie geven aan de gemeenteraad tot het in het omgevingsplan voor een locatie opnemen van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht en tot het daarbij bepalen dat wordt voorzien in het beschermen van het stads- of dorpsgezicht, als dat nodig is voor het behoud van cultureel erfgoed.
**5.** Op het geven van een instructie is artikel 2.25, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
**6.** Een instructie kan niet worden gegeven als toepassing kan worden gegeven aan:
artikel 124a, 124b of 268 van de Gemeentewet,
artikel 121 of 261 van de Provinciewet, of
de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten.
Nieuw
**1.** Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, een instructie geven aan het provinciebestuur, het gemeentebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid.
**2.** Een instructie kan alleen worden gegeven aan:
provinciale staten over het stellen van regels in een omgevingsverordening als bedoeld in artikel 2.22 of 4.1, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
gedeputeerde staten over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
provinciale staten over een besluit tot vaststelling van geluidproductieplafonds als omgevingswaarden rondom industrieterreinen waarop zich voorzieningen voor defensie bevinden, als toepassing is gegeven aan artikel 2.12a, eerste lid,
de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
het dagelijks bestuur van het waterschap over een projectbesluit, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
gedeputeerde staten over een instructie aan de gemeenteraad over het stellen van regels in een omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.33, tweede lid, onder a, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
gedeputeerde staten over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.8, vierde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad,
het college van burgemeester en wethouders over het volkshuisvestingsprogramma, bedoeld in artikel 3.6, derde lid, als dat nodig is met het oog op een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad.
**3.** In aanvulling op het tweede lid kan Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat een instructie geven aan het provinciebestuur of het waterschapsbestuur over de uitoefening van een taak of bevoegdheid op het gebied van het beheer van watersystemen of het waterketenbeheer, als dat nodig is voor een samenhangend en doelmatig waterbeheer.
**4.** In aanvulling op het tweede lid kan Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, een instructie geven aan de gemeenteraad tot het in het omgevingsplan voor een locatie opnemen van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht en tot het daarbij bepalen dat wordt voorzien in het beschermen van het stads- of dorpsgezicht, als dat nodig is voor het behoud van cultureel erfgoed.
**5.** Op het geven van een instructie is artikel 2.25, tweede en vierde lid, van overeenkomstige toepassing.
**6.** Een instructie kan niet worden gegeven als toepassing kan worden gegeven aan:
artikel 124a, 124b of 268 van de Gemeentewet,
artikel 121 of 261 van de Provinciewet, of
de Wet Naleving Europese regelgeving publieke entiteiten.
Artikel 2.44(aanwijzing natuurgebieden en landschappen)
Oud
**1.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast.
**2.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen.
**3.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan nationale parken aanwijzen.
**4.** Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland.
**5.** Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000-gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur wijst ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden aan en stelt daarbij instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vast.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan ter uitvoering van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen en instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden vaststellen.
**3.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan nationale parken aanwijzen.
**4.** Bij omgevingsverordening worden de gebieden aangewezen die behoren tot het natuurnetwerk Nederland.
**5.** Bij omgevingsverordening kunnen gebieden, met uitzondering van Natura 2000-gebieden of gebieden als bedoeld in het vierde lid, worden aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen.
Artikel 2.45(toegangsbeperking natuurgebieden)
Oud
**1.** Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een Natura 2000-gebied geheel of gedeeltelijk beperken of verbieden.
**2.** De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, berust bij Onze Minister voor Natuur en Stikstof als een Natura 2000-gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister voor Natuur en Stikstof.
**3.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof kan de toegang tot een bijzonder nationaal natuurgebied geheel of gedeeltelijk beperken of verbieden.
**4.** De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, berust bij gedeputeerde staten in gevallen waarin dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
Nieuw
**1.** Gedeputeerde staten kunnen de toegang tot een Natura 2000-gebied geheel of gedeeltelijk beperken of verbieden.
**2.** De bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, berust bij Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur als een Natura 2000-gebied geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
**3.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur kan de toegang tot een bijzonder nationaal natuurgebied geheel of gedeeltelijk beperken of verbieden.
**4.** De bevoegdheid, bedoeld in het derde lid, berust bij gedeputeerde staten in gevallen waarin dat bij algemene maatregel van bestuur is bepaald.
Artikel 2.46(stikstofdepositieruimte)
Oud
**1.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof of een door hem aangewezen bestuursorgaan, kan stikstofdepositieruimte registreren die beschikbaar is voor toedeling aan Natura 2000-activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken.
**2.** Stikstofdepositieruimte wordt alleen geregistreerd als aanvullende maatregelen zijn getroffen ten opzichte van de in het beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied opgenomen maatregelen, die de belasting van de natuur door stikstof verminderen of de staat van instandhouding verbeteren.
**3.** Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt, kan geregistreerde stikstofdepositieruimte toedelen aan een Natura 2000-activiteit.
**4.** Stikstofdepositieruimte wordt alleen toegedeeld als zij voor elke locatie van de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied waarop door de Natura 2000-activiteit stikstofdepositie zal worden veroorzaakt, gelijk is aan of groter is dan de door de activiteit te veroorzaken toename van de stikstofdepositie.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of een door hem aangewezen bestuursorgaan, kan stikstofdepositieruimte registreren die beschikbaar is voor toedeling aan Natura 2000-activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken.
**2.** Stikstofdepositieruimte wordt alleen geregistreerd als aanvullende maatregelen zijn getroffen ten opzichte van de in het beheerplan voor het desbetreffende Natura 2000-gebied opgenomen maatregelen, die de belasting van de natuur door stikstof verminderen of de staat van instandhouding verbeteren.
**3.** Het bestuursorgaan dat bevoegd is te beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt, kan geregistreerde stikstofdepositieruimte toedelen aan een Natura 2000-activiteit.
**4.** Stikstofdepositieruimte wordt alleen toegedeeld als zij voor elke locatie van de voor stikstof gevoelige habitats in het Natura 2000-gebied waarop door de Natura 2000-activiteit stikstofdepositie zal worden veroorzaakt, gelijk is aan of groter is dan de door de activiteit te veroorzaken toename van de stikstofdepositie.
Artikel 20.18(wetenschappelijk onderzoek van de fysieke leefomgeving)
Oud
**1.** Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt ten minste eenmaal in de vier jaar een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van bij ministeriële regeling aangewezen onderdelen of aspecten van de fysieke leefomgeving wordt beschreven.
**2.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap brengt ten minste eenmaal in de vier jaar een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de staat van cultureel erfgoed en werelderfgoed wordt beschreven.
**3.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevordert het onderzoek en wetenschappelijk werk, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de vogelrichtlijn en artikel 18, eerste lid, van de habitatrichtlijn.
Nieuw
**1.** Het Planbureau voor de Leefomgeving brengt ten minste eenmaal in de vier jaar een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de kwaliteit van bij ministeriële regeling aangewezen onderdelen of aspecten van de fysieke leefomgeving wordt beschreven.
**2.** Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap brengt ten minste eenmaal in de vier jaar een wetenschappelijk rapport uit, waarin de ontwikkeling van de staat van cultureel erfgoed en werelderfgoed wordt beschreven.
**3.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bevordert het onderzoek en wetenschappelijk werk, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de vogelrichtlijn en artikel 18, eerste lid, van de habitatrichtlijn.
Artikel 20.21(landelijke voorziening)
Oud
**1.** Er is een landelijke voorziening. Deze voorziet in ieder geval in:
het elektronisch ontsluiten van de informatie, bedoeld in artikel 20.26, eerste lid,
het elektronisch kunnen indienen van een aanvraag om een besluit, doen van een melding, verstrekken van gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en verzenden van een ander bericht als bedoeld in artikel 16.1.
**2.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beheert de landelijke voorziening. Bij ministeriële regeling kan aan een rechtspersoon een uitsluitend recht worden verleend voor het in opdracht van die minister verrichten van werkzaamheden in het kader van het beheer van de landelijke voorziening.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen of rechtspersonen worden aangewezen die zorg dragen voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van bij de maatregel aangewezen onderdelen van de landelijke voorziening.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening.
Nieuw
**1.** Er is een landelijke voorziening. Deze voorziet in ieder geval in:
het elektronisch ontsluiten van de informatie, bedoeld in artikel 20.26, eerste lid,
het elektronisch kunnen indienen van een aanvraag om een besluit, doen van een melding, verstrekken van gegevens en bescheiden om te voldoen aan een andere informatieverplichting dan een melding en verzenden van een ander bericht als bedoeld in artikel 16.1.
**2.** Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening beheert de landelijke voorziening. Bij ministeriële regeling kan aan een rechtspersoon een uitsluitend recht worden verleend voor het in opdracht van die minister verrichten van werkzaamheden in het kader van het beheer van de landelijke voorziening.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen bestuursorganen of rechtspersonen worden aangewezen die zorg dragen voor de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van bij de maatregel aangewezen onderdelen van de landelijke voorziening.
**4.** Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de inrichting, instandhouding, werking en beveiliging van de landelijke voorziening.
Artikel 20.7(implementatie internationaalrechtelijke verplichtingen en voortgang woningbouwopgave)
Oud
Op grond van artikel 20.6 worden in ieder geval regels gesteld ter uitvoering van:
de habitatrichtlijn,
de PRTR-verordening,
de richtlijn omgevingslawaai,
de richtlijn overstromingsrisico’s,
de vogelrichtlijn,
het werelderfgoedverdrag.
Nieuw
**1.** Op grond van artikel 20.6 worden in ieder geval regels gesteld ter uitvoering van:
de habitatrichtlijn,
de PRTR-verordening,
de richtlijn omgevingslawaai,
de richtlijn overstromingsrisico’s,
de vogelrichtlijn,
het werelderfgoedverdrag.
**2.** Op grond van artikel 20.6 worden in ieder geval ook regels bij algemene maatregel van bestuur gesteld over het verzamelen van gegevens door Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ten aanzien van de stand van de woningbouwopgave.
Artikel 22.16(overgangsfase projectbesluit)
Oud
**1.** Uiterlijk tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip hoeft een projectbesluit niet te voldoen aan artikel 5.52, eerste lid. Voor zover een projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, geldt het als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
**2.** Voor zover een projectbesluit geldt als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, hoeft het omgevingsplan niet eerder dan op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met die vergunning in overeenstemming te zijn gebracht.
**3.** In het omgevingsplan worden geen regels gesteld die in strijd zijn met een projectbesluit als bedoeld in het eerste lid. De artikelen 4.19a, derde tot en met vijfde lid, en 5.53a, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
Door Stb. 2023/267 is de datum bedoeld in het eerste en tweede lid
vastgesteld op 1 januari 2032.
Nieuw
**1.** Uiterlijk tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip hoeft een projectbesluit niet te voldoen aan artikel 5.52, eerste lid. Voor zover een projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, geldt het als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
**2.** Voor zover een projectbesluit geldt als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, hoeft het omgevingsplan niet eerder dan op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip met die vergunning in overeenstemming te zijn gebracht.
**3.** In het omgevingsplan worden geen regels gesteld die in strijd zijn met een projectbesluit als bedoeld in het eerste lid. De artikelen 4.19a, derde tot en met vijfde lid, en 5.53a, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
**4.** Een voorkeursrecht op een zaak die deel uitmaakt van een locatie waaraan in een projectbesluit dat geldt als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit een niet-agrarische functie is toegedeeld, geldt als een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder a, voor zover het gebruik van die locatie afwijkt van de toegedeelde functie.
**5.** Artikel 9.4, eerste lid, aanhef en onder a en b, is van overeenkomstige toepassing op een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, aanhef en onder b of c, als de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd is toegedeeld in een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.
Artikel 22.21(vaststellen van programma)
Oud
**1.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur draagt uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt voor 1 mei 2026 een programma vast met maatregelen om de in het eerste lid bedoelde projecten te legaliseren. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie.
**3.** Maatregelen om de gevolgen van de projecten ongedaan te maken, te beperken of te compenseren, worden alleen in het programma opgenomen voor zover zij niet zijn opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 3.9, vierde lid.
**4.** De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd voor 1 maart 2028.
**5.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zendt uiterlijk 1 juli 2027 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de krachtens het tweede lid in het programma opgenomen maatregelen in de praktijk en of aanpassing van het programma benodigd is.
**6.** In het programma opgenomen compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
**7.** De artikelen 2.25, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 3.12, 3.18, eerste en tweede lid, 3.19, eerste en tweede lid, 16.27, 16.77b, tweede lid, en 16.139 zijn van overeenkomstige toepassing.
**8.** Het programma wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur draagt uit een oogpunt van rechtszekerheid tezamen met gedeputeerde staten van de provincies zorg voor het legaliseren van de projecten met een geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden die voldeden aan de voorwaarden van artikel 2.12 van het Besluit natuurbescherming, zoals dat luidde op 28 mei 2019.
**2.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt voor 1 mei 2026 een programma vast met maatregelen om de in het eerste lid bedoelde projecten te legaliseren. Het programma bevat primair gerichte maatregelen voor het verminderen van stikstofemissie.
**3.** Maatregelen om de gevolgen van de projecten ongedaan te maken, te beperken of te compenseren, worden alleen in het programma opgenomen voor zover zij niet zijn opgenomen in het programma, bedoeld in artikel 3.9, vierde lid.
**4.** De in het programma opgenomen maatregelen worden uitgevoerd voor 1 maart 2028.
**5.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zendt uiterlijk 1 juli 2027 aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de krachtens het tweede lid in het programma opgenomen maatregelen in de praktijk en of aanpassing van het programma benodigd is.
**6.** In het programma opgenomen compenserende maatregelen als bedoeld in artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
**7.** De artikelen 2.25, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, 3.12, 3.18, eerste en tweede lid, 3.19, eerste en tweede lid, 16.27, 16.77b, tweede lid, en 16.139 zijn van overeenkomstige toepassing.
**8.** Het programma wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Abusievelijk is een wijziging geformuleerd die niet kan worden doorgevoerd.
Artikel 22.5(wettelijke verplichtingen omgevingsplan)
Oud
**1.** Uiterlijk tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt voor het tijdelijke deel van het omgevingsplan niet de verplichting op grond van artikel 4.2, eerste lid, dat de regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
**2.** Uiterlijk tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt niet de verplichting op grond van artikel 4.17 over het in overeenstemming brengen van het omgevingsplan met omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
**3.** Het in het eerste en tweede lid bedoelde tijdstip kan voor verschillende gevallen verschillend worden vastgesteld.
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van het eerste of tweede lid, nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in die leden.
**5.** Voor het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, geldt niet de verplichting van artikel 19 van de Bekendmakingswet tot het in geconsolideerde vorm beschikbaar stellen.
Door Stb. 2023/267 is de datum bedoeld in het eerste en tweede lid
vastgesteld op 1 januari 2032.
Nieuw
**1.** Uiterlijk tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt voor het tijdelijke deel van het omgevingsplan niet de verplichting op grond van artikel 4.2, eerste lid, dat de regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
**2.** Uiterlijk tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip geldt niet de verplichting op grond van artikel 4.17 over het in overeenstemming brengen van het omgevingsplan met omgevingsvergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
**3.** Het in het eerste en tweede lid bedoelde tijdstip kan voor verschillende gevallen verschillend worden vastgesteld.
**4.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, zo nodig in afwijking van het eerste of tweede lid, nadere regels worden gesteld met het oog op een goede uitvoering van de verplichtingen, bedoeld in die leden.
**5.** Voor het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, geldt niet de verplichting van artikel 19 van de Bekendmakingswet tot het in geconsolideerde vorm beschikbaar stellen.
Artikel 22.6(vervanging tijdelijk deel omgevingsplan)
Oud
**1.** Bij de vaststelling van een omgevingsplan kunnen de voor een locatie geldende regels die zijn opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet alleen alle tegelijk komen te vervallen.
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin, in afwijking van het eerste lid, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de regels, bedoeld in het eerste lid, ook gedeeltelijk voor een locatie kunnen komen te vervallen.
**3.** Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn alle regels van het omgevingsplan opgenomen in het niet-tijdelijke deel van dat plan.
Door Stb. 2023/267 is de datum bedoeld in het derde lid
vastgesteld op 1 januari 2032.
Nieuw
**1.** Bij de vaststelling van een omgevingsplan kunnen de voor een locatie geldende regels die zijn opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet alleen alle tegelijk komen te vervallen. Als bij de vaststelling van een omgevingsplan regels worden gesteld die gelden in afwijking van regels in een besluit als bedoeld in de eerste zin dat nog niet komt te vervallen, kunnen in geval van een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder m, van de Invoeringswet Omgevingswet voor het gehele exploitatiegebied regels als bedoeld in de artikelen 13.14 en 13.15 worden gesteld.
**2.** Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin, in afwijking van het eerste lid, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip de regels, bedoeld in het eerste lid, ook gedeeltelijk voor een locatie kunnen komen te vervallen.
**3.** Uiterlijk op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip zijn alle regels van het omgevingsplan opgenomen in het niet-tijdelijke deel van dat plan.
Artikel 23.3(experimenten)
Oud
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, bij wijze van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:
deze wet,
de Energiewet, voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag,
de Huisvestingswet 2014,
de Leegstandwet,
de Warmtewet,
de Wet milieubeheer.
**2.** Een experiment wordt alleen aangewezen als dit beoogt bij te dragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder a, waaronder de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de te volgen procedures of de besluitvorming daarover.
**3.** Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:
wat het doel van het experiment is,
wat de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn,
welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de uitvoering van het experiment,
wat de tijdsduur van het experiment is, waarbij geldt dat het experiment niet langer duurt dan nodig is voor het doel van het experiment,
van welke regels kan worden afgeweken,
welke afwijkingen voor bij de maatregel aan te wijzen gevallen zijn toegestaan,
voor welk gebied of voor welke besluiten die afwijkingen zijn toegestaan,
hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van tien jaar als het gaat om omgevingswaarden, zijn toegestaan,
welke afwijkingen na afloop van het experiment toegestaan blijven,
hoe de evaluatie van het experiment wordt uitgevoerd en hoe vaak tussentijds wordt gemonitord met het oog op de doelen, bedoeld in het tweede lid, en de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
**4.** Afwijkingen als bedoeld in het derde lid, onder i, zijn alleen toegestaan als het gaat om afwijkingen die onderdeel zijn van het experiment en wanneer het in overeenstemming brengen met de regelgeving na afloop van het experiment onevenredig is in verhouding tot het te beschermen belang van de fysieke leefomgeving.
**5.** Als uit de monitoring en evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder j, blijkt dat het experiment niet bijdraagt aan de doelen, bedoeld in het tweede lid, treft degene die het experiment uitvoert maatregelen gericht op het bereiken van die doelen.
**6.** Het verantwoordelijke bestuursorgaan, bedoeld in het derde lid, onder c, kan aanwijzingen geven tot het treffen van maatregelen. Artikel 19.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**7.** Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
**8.** Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving.
Abusievelijk geeft het Staatsblad een wijzigingsopdracht voor het
eerste lid, onderdeel a, in plaats van het eerste lid, onderdeel b.
Nieuw
**1.** Bij algemene maatregel van bestuur kan, met inachtneming van internationaalrechtelijke verplichtingen, bij wijze van experiment worden afgeweken van het bepaalde bij of krachtens:
deze wet,
de Energiewet, voor zover dat geen gevolgen heeft voor de opbrengst van de energiebelasting, bedoeld in artikel 1 van de Wet belastingen op milieugrondslag,
de Huisvestingswet 2014,
de Leegstandwet,
de Warmtewet,
de Wet milieubeheer.
**2.** Een experiment wordt alleen aangewezen als dit beoogt bij te dragen aan het nastreven van de doelen, bedoeld in artikel 1.3, aanhef en onder a, waaronder de verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de te volgen procedures of de besluitvorming daarover.
**3.** Bij de maatregel wordt in ieder geval bepaald:
wat het doel van het experiment is,
wat de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving zijn,
welk bestuursorgaan verantwoordelijk is voor de uitvoering van het experiment,
wat de tijdsduur van het experiment is, waarbij geldt dat het experiment niet langer duurt dan nodig is voor het doel van het experiment,
van welke regels kan worden afgeweken,
welke afwijkingen voor bij de maatregel aan te wijzen gevallen zijn toegestaan,
voor welk gebied of voor welke besluiten die afwijkingen zijn toegestaan,
hoe lang die afwijkingen ten hoogste, met een maximum van tien jaar als het gaat om omgevingswaarden, zijn toegestaan,
welke afwijkingen na afloop van het experiment toegestaan blijven,
hoe de evaluatie van het experiment wordt uitgevoerd en hoe vaak tussentijds wordt gemonitord met het oog op de doelen, bedoeld in het tweede lid, en de beoogde gevolgen voor de fysieke leefomgeving.
**4.** Afwijkingen als bedoeld in het derde lid, onder i, zijn alleen toegestaan als het gaat om afwijkingen die onderdeel zijn van het experiment en wanneer het in overeenstemming brengen met de regelgeving na afloop van het experiment onevenredig is in verhouding tot het te beschermen belang van de fysieke leefomgeving.
**5.** Als uit de monitoring en evaluatie, bedoeld in het derde lid, onder j, blijkt dat het experiment niet bijdraagt aan de doelen, bedoeld in het tweede lid, treft degene die het experiment uitvoert maatregelen gericht op het bereiken van die doelen.
**6.** Het verantwoordelijke bestuursorgaan, bedoeld in het derde lid, onder c, kan aanwijzingen geven tot het treffen van maatregelen. Artikel 19.4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
**7.** Als de te nemen maatregelen niet toereikend zijn, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening besluiten om het experiment te beëindigen. Aan dat besluit kunnen voorschriften worden verbonden.
**8.** Als de evaluatie van een experiment aanleiding geeft tot het aanpassen van regelgeving, kan Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in afwijking van de maatregel waarbij de tijdsduur van het experiment is bepaald, een besluit nemen om die tijdsduur met ten hoogste vijf jaar te verlengen met het oog op het aanpassen van die regelgeving.
**9.** Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister of Onze Ministers die het mede aangaat, kunnen, op verzoek van de gemeenteraad, het algemeen bestuur van een waterschap of provinciale staten, nieuwe gebieden worden aangewezen in aanvulling op het derde lid, onder g. Het bij de maatregel op grond van het derde lid bepaalde is van overeenkomstige toepassing op de aanwijzing van nieuwe gebieden bij ministeriële regeling.
Artikel 23.5(voorhangprocedure)
Oud
**1.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5, afdeling 13.6, de hoofdstukken 16, 17, 18, 19 en 20 en artikel 23.3 wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
**2.** Als het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur omgevingswaarden bevat kan binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een der kamers de wens te kennen geven dat die omgevingswaarden bij wet worden vastgesteld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het ontwerp wijzigingen van ondergeschikte betekenis bevat die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving of als het ontwerp alleen strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen. Als dat het geval is, geeft Onze Minister die het aangaat daarvan kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.
**4.** Van de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur en de publicatie van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het uitgebrachte nader rapport van een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft Onze Minister die het aangaat kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.
Nieuw
**1.** De voordracht voor een algemene maatregel van bestuur op grond van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5, afdeling 13.6, de hoofdstukken 16, 17, 18, 19 en 20 en artikel 23.3 wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
**2.** Als het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur omgevingswaarden of een aanwijzing van categorieën projecten op grond van artikel 16.87a bevat kan binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, een der kamers de wens te kennen geven dat die omgevingswaarden bij wet worden vastgesteld of die aanwijzing van categorieën projecten bij wet geschiedt. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.
**3.** Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing als het ontwerp wijzigingen van ondergeschikte betekenis bevat die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving of als het ontwerp alleen strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke verplichtingen. Als dat het geval is, geeft Onze Minister die het aangaat daarvan kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.
**4.** Van de inwerkingtreding van een algemene maatregel van bestuur en de publicatie van het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het uitgebrachte nader rapport van een algemene maatregel van bestuur waarbij toepassing is gegeven aan het eerste lid, geeft Onze Minister die het aangaat kennis aan beide kamers der Staten-Generaal.
Artikel 23.5a(voorhangprocedure besluiten aanwijzing Natura 2000-gebieden in exclusieve economische zone)
Oud
**1.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof zendt een voorstel voor een lijst van Natura 2000-gebieden, geheel of gedeeltelijk gelegen in de exclusieve economische zone, of een voorstel tot wijziging daarvan, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de habitatrichtlijn niet eerder aan de Europese Commissie dan vier weken nadat het ontwerp van dat voorstel aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
**2.** Een besluit over de aanwijzing van een Natura 2000-gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in de exclusieve economische zone als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, wordt niet eerder genomen dan vier weken nadat het ontwerp van dat besluit aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur zendt een voorstel voor een lijst van Natura 2000-gebieden, geheel of gedeeltelijk gelegen in de exclusieve economische zone, of een voorstel tot wijziging daarvan, als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de habitatrichtlijn niet eerder aan de Europese Commissie dan vier weken nadat het ontwerp van dat voorstel aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
**2.** Een besluit over de aanwijzing van een Natura 2000-gebied dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in de exclusieve economische zone als bedoeld in artikel 2.44, eerste lid, wordt niet eerder genomen dan vier weken nadat het ontwerp van dat besluit aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Artikel 23.9(evaluatie)
Oud
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zendt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens na vijf jaar aan beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Nieuw
Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening zendt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens na vijf jaar aan beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.
Artikel 3.1(vaststellen omgevingsvisie)
Oud
**1.** De gemeenteraad stelt een gemeentelijke omgevingsvisie vast.
**2.** Provinciale staten stellen een provinciale omgevingsvisie vast.
**3.** Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties stelt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, een nationale omgevingsvisie vast.
Nieuw
**1.** De gemeenteraad stelt een gemeentelijke omgevingsvisie vast.
**2.** Provinciale staten stellen een provinciale omgevingsvisie vast.
**3.** Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, een nationale omgevingsvisie vast.
Artikel 3.6(verplichte programma’s gemeente)
Oud
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, gelegen in een door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen agglomeratie als bedoeld in artikel 3, onder k, van de richtlijn omgevingslawaai, stelt een actieplan als bedoeld in artikel 8 van die richtlijn vast voor de volgende geluidbronnen:
wegen en daarin gelegen spoorwegen,
andere spoorwegen,
luchthavens,
een activiteit of een samenstel van activiteiten, waarvoor een regel als bedoeld in artikel 2.22 of 2.24, eerste lid, of paragraaf 4.1.1 voor het geluid is gesteld.
**2.** Het actieplan wordt vastgesteld aan de hand van de voor die geluidbronnen op grond van artikel 20.17 vastgestelde geluidbelastingkaarten.
Nieuw
**1.** Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente, gelegen in een door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat aangewezen agglomeratie als bedoeld in artikel 3, onder k, van de richtlijn omgevingslawaai, stelt een actieplan als bedoeld in artikel 8 van die richtlijn vast voor de volgende geluidbronnen:
wegen en daarin gelegen spoorwegen,
andere spoorwegen,
luchthavens,
een activiteit of een samenstel van activiteiten, waarvoor een regel als bedoeld in artikel 2.22 of 2.24, eerste lid, of paragraaf 4.1.1 voor het geluid is gesteld.
**2.** Het actieplan wordt vastgesteld aan de hand van de voor die geluidbronnen op grond van artikel 20.17 vastgestelde geluidbelastingkaarten.
**3.** Het college van burgemeester en wethouders stelt een gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma vast.
Artikel 3.8(verplichte programma’s provincie)
Oud
**1.** Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan vast voor de volgende geluidbronnen:
belangrijke wegen als bedoeld in artikel 3, onder n, van die richtlijn, als het gaat om wegen die:
in beheer zijn bij de provincie, of
in beheer zijn bij een gemeente of waterschap en zijn gelegen buiten een agglomeratie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
belangrijke spoorwegen als bedoeld in artikel 3, onder o, van die richtlijn, voor zover het niet gaat om spoorwegen als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder b, en 3.9, eerste lid, onder b, onder 2°,
burgerluchthavens van regionale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn.
**2.** Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de zwemwaterrichtlijn en andere Europese richtlijnen over water regionale waterprogramma’s vast.
**3.** Gedeputeerde staten van de provincie waarin een Natura 2000-gebied ligt of, als dat gebied in meer dan een provincie ligt, gedeputeerde staten van de provincie waarin dat gebied grotendeels ligt, stellen voor dat gebied een beheerplan vast.
Nieuw
**1.** Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan vast voor de volgende geluidbronnen:
belangrijke wegen als bedoeld in artikel 3, onder n, van die richtlijn, als het gaat om wegen die:
in beheer zijn bij de provincie, of
in beheer zijn bij een gemeente of waterschap en zijn gelegen buiten een agglomeratie als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,
belangrijke spoorwegen als bedoeld in artikel 3, onder o, van die richtlijn, voor zover het niet gaat om spoorwegen als bedoeld in de artikelen 3.6, eerste lid, onder b, en 3.9, eerste lid, onder b, onder 2°,
burgerluchthavens van regionale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn.
**2.** Gedeputeerde staten stellen ter uitvoering van de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de zwemwaterrichtlijn en andere Europese richtlijnen over water regionale waterprogramma’s vast.
**3.** Gedeputeerde staten van de provincie waarin een Natura 2000-gebied ligt of, als dat gebied in meer dan een provincie ligt, gedeputeerde staten van de provincie waarin dat gebied grotendeels ligt, stellen voor dat gebied een beheerplan vast.
**4.** Gedeputeerde staten stellen een provinciaal volkshuisvestingsprogramma vast.
Artikel 3.9(verplichte programma’s Rijk)
Oud
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de volgende programma’s vast:
een nationaal nec-programma als bedoeld in artikel 6 van de nec-richtlijn,
ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan voor de volgende geluidbronnen:
wegen in beheer bij het Rijk,
hoofdspoorwegen,
de luchthaven Schiphol en de overige burgerluchthavens van nationale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn.
**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, de volgende programma’s vast:
de stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems,
de overstromingsrisicobeheerplannen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico’s, voor de stroomgebiedsdistricten, genoemd onder a,
een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de kaderrichtlijn mariene strategie,
een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning,
een nationaal waterprogramma.
**3.** Het beheerplan voor een Natura 2000-gebied dat geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister voor Natuur en Stikstof of dat eigendom is van de Staat der Nederlanden, wordt in afwijking van artikel 3.8, derde lid, voor dat gebied of dat gedeelte vastgesteld door Onze Minister bij wie op grond van artikel 2.19, vijfde lid, onder b, de taak berust om zorg te dragen voor het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden.
**4.** Onze Minister voor Natuur en Stikstof stelt een programma vast voor:
het verminderen van de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden om te voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid; en
het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor die habitats, waarbij die Minister rekening houdt met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Daarbij houdt Onze Minister rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt de volgende programma’s vast:
een nationaal nec-programma als bedoeld in artikel 6 van de nec-richtlijn,
ter uitvoering van de richtlijn omgevingslawaai, overeenkomstig artikel 3.6, een actieplan voor de volgende geluidbronnen:
wegen in beheer bij het Rijk,
hoofdspoorwegen,
de luchthaven Schiphol en de overige burgerluchthavens van nationale betekenis, als het gaat om belangrijke luchthavens als bedoeld in artikel 3, onder p, van die richtlijn.
**2.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat stelt, in overeenstemming met Onze Ministers die het aangaat, de volgende programma’s vast:
de stroomgebiedsbeheerplannen, bedoeld in artikel 13 van de kaderrichtlijn water, voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems,
de overstromingsrisicobeheerplannen, bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de richtlijn overstromingsrisico’s, voor de stroomgebiedsdistricten, genoemd onder a,
een programma van maatregelen mariene strategie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onder b, van de kaderrichtlijn mariene strategie,
een maritiem ruimtelijk plan als bedoeld in artikel 4 van de kaderrichtlijn maritieme ruimtelijke planning,
een nationaal waterprogramma.
**3.** Het beheerplan voor een Natura 2000-gebied dat geheel of gedeeltelijk wordt beheerd door een van Onze andere Ministers dan Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur of dat eigendom is van de Staat der Nederlanden, wordt in afwijking van artikel 3.8, derde lid, voor dat gebied of dat gedeelte vastgesteld door Onze Minister bij wie op grond van artikel 2.19, vijfde lid, onder b, de taak berust om zorg te dragen voor het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden.
**4.** Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur stelt een programma vast voor:
het verminderen van de depositie van stikstof op voor stikstof gevoelige habitats in Natura 2000-gebieden om te voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in artikel 2.15a, eerste lid; en
het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor die habitats.
Daarbij houdt die minister rekening met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.
**5.** Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening stelt een nationaal volkshuisvestingsprogramma vast.
Artikel 4.16(voorbereidingsbesluit in verband met projectbesluit, instructieregels of instructies)
Oud
**1.** Provinciale staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan.
**2.** Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, of een instructie als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan. Als op grond van artikel 5.44, tweede lid, geen overeenstemming is vereist voor een projectbesluit, is geen overeenstemming als bedoeld in de eerste zin vereist voor een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van dat projectbesluit.
**3.** Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels.
**4.** De artikelen 4.14, derde lid, en 4.15, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
**5.** De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden of, als binnen die termijn het projectbesluit, de instructieregel of de instructie is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop het projectbesluit of het overeenkomstig de instructieregel of de instructie gewijzigde omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
Nieuw
**1.** Provinciale staten kunnen, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, tweede lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22 of een instructie als bedoeld in artikel 2.33, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan.
**2.** Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, kan, met inachtneming van de grenzen van artikel 2.3, derde lid, voor een locatie een voorbereidingsbesluit nemen met het oog op de voorbereiding van een projectbesluit, een instructieregel als bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, of een instructie als bedoeld in artikel 2.34, eerste lid, gericht op het stellen van regels in het omgevingsplan. Als op grond van artikel 5.44, tweede lid, geen overeenstemming is vereist voor een projectbesluit, is geen overeenstemming als bedoeld in de eerste zin vereist voor een voorbereidingsbesluit met het oog op de voorbereiding van dat projectbesluit.
**3.** Het voorbereidingsbesluit wijzigt het omgevingsplan met voorbeschermingsregels.
**4.** De artikelen 4.14, derde lid, en 4.15, vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
**5.** De voorbeschermingsregels in het omgevingsplan vervallen na een jaar en zes maanden of, als binnen die termijn het projectbesluit, de instructieregel of de instructie is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop het projectbesluit of het overeenkomstig de instructieregel of de instructie gewijzigde omgevingsplan in werking treedt of is vernietigd.
Artikel 4.32(rijksregels middelen, methoden en installaties vangen of doden dieren)
Oud
**1.** De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden worden gesteld met het oog op:
de natuurbescherming,
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
het beschermen van het milieu.
**2.** De regels strekken er in ieder geval toe dat:
degene die een geweer, vogel of eendenkooi gebruikt over de vereiste deskundigheid beschikt en met gunstig gevolg een examen heeft afgelegd dat door Onze Minister voor Natuur en Stikstof is erkend of door hem als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt,
degene die een geweer gebruikt, is gedekt door een verzekering voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van het geweer aanleiding kan geven,
degene aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, aan een faunabeheereenheid gegevens verstrekt over de door hem gedode dieren.
Nieuw
**1.** De in artikel 4.3 bedoelde regels over het gebruik, het onder zich hebben, het verhandelen en het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen of installaties en het toepassen van methoden om dieren te vangen of te doden worden gesteld met het oog op:
de natuurbescherming,
het waarborgen van de veiligheid,
het beschermen van de gezondheid,
het beschermen van het milieu.
**2.** De regels strekken er in ieder geval toe dat:
degene die een geweer, vogel of eendenkooi gebruikt over de vereiste deskundigheid beschikt en met gunstig gevolg een examen heeft afgelegd dat door Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur is erkend of door hem als gelijkwaardig aan door hem erkende examens is aangemerkt,
degene die een geweer gebruikt, is gedekt door een verzekering voor de burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor schade waartoe het gebruik van het geweer aanleiding kan geven,
degene aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, aan een faunabeheereenheid gegevens verstrekt over de door hem gedode dieren.
Artikel 5.44(bevoegd gezag projectbesluit)
Oud
**1.** Voor het uitvoeren van een project en het in werking hebben of in stand houden daarvan kan een projectbesluit worden vastgesteld. Een projectbesluit wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten of door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
**2.** Overeenstemming als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor een besluit tot uitwerking van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.54 en voor een besluit tot wijziging van een projectbesluit. Bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kunnen categorieën projecten worden aangewezen waarvoor geen overeenstemming is vereist voor de vaststelling van een projectbesluit. Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan daarnaast ook in andere gevallen bepalen dat geen overeenstemming is vereist voor het vaststellen van een projectbesluit.
**3.** Bij het vaststellen van een projectbesluit door gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat, worden de grenzen van artikel 2.3 in acht genomen.
**4.** Het dagelijks bestuur van het waterschap kan een projectbesluit alleen vaststellen met het oog op de taken, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a.
Nieuw
**1.** Voor het uitvoeren van een project en het in werking hebben of in stand houden daarvan kan een projectbesluit worden vastgesteld. Een projectbesluit wordt vastgesteld door het dagelijks bestuur van het waterschap of gedeputeerde staten of door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
**2.** Overeenstemming als bedoeld in het eerste lid is niet vereist voor een besluit tot uitwerking van een projectbesluit als bedoeld in artikel 5.54 en voor een besluit tot wijziging van een projectbesluit. Bij regeling van Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kunnen categorieën projecten worden aangewezen waarvoor geen overeenstemming is vereist voor de vaststelling van een projectbesluit. Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, in overeenstemming met Onze Minister die het aangaat, kan daarnaast ook in andere gevallen bepalen dat geen overeenstemming is vereist voor het vaststellen van een projectbesluit.
**3.** Bij het vaststellen van een projectbesluit door gedeputeerde staten of Onze Minister die het aangaat, worden de grenzen van artikel 2.3 in acht genomen.
**4.** Het dagelijks bestuur van het waterschap kan een projectbesluit alleen vaststellen met het oog op de taken, bedoeld in artikel 2.17, eerste lid, aanhef en onder a.
Artikel 5.44a(voorrangsregel bevoegd gezag projectbesluit)
Oud
**1.** Gedeputeerde staten van de provincie waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, zijn bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
**2.** Het dagelijks bestuur van het waterschap waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, is bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
**3.** Als gedeputeerde staten van een of meer provincies en het dagelijks bestuur van een of meer waterschappen gezamenlijk een project willen uitvoeren, zijn gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
**4.** Als Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, en gedeputeerde staten van een of meer provincies of het dagelijks bestuur van een of meer waterschappen gezamenlijk een project willen uitvoeren, is Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
Nieuw
**1.** Gedeputeerde staten van de provincie waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, zijn bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
**2.** Het dagelijks bestuur van het waterschap waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd, is bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
**3.** Als gedeputeerde staten van een of meer provincies en het dagelijks bestuur van een of meer waterschappen gezamenlijk een project willen uitvoeren, zijn gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
**4.** Als Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, en gedeputeerde staten van een of meer provincies of het dagelijks bestuur van een of meer waterschappen gezamenlijk een project willen uitvoeren, is Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, bevoegd om het projectbesluit vast te stellen.
Artikel 5.44b(flexibiliteitsregeling projectbesluit Rijk)
Oud
**1.** Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan de bevoegdheid om een projectbesluit vast te stellen overdragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd, als deze daarmee instemmen.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
Nieuw
**1.** Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, kan de bevoegdheid om een projectbesluit vast te stellen overdragen aan gedeputeerde staten van de provincie waar het project geheel of in hoofdzaak wordt uitgevoerd, als deze daarmee instemmen.
**2.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de toepassing van het eerste lid.
Artikel 5.45(coördinatie uitvoeringsbesluiten)
Oud
**1.** Het bevoegd gezag voor het projectbesluit kan bepalen dat artikel 16.7 van toepassing is op de coördinatie van de besluiten ter uitvoering van het projectbesluit.
**2.** Artikel 16.7 is van toepassing op de coördinatie van besluiten ter uitvoering van projectbesluiten als bedoeld in artikel 5.46.
**3.** Als het coördinerend bestuursorgaan treedt het bevoegd gezag voor het projectbesluit op.
**4.** In afwijking van het derde lid treden als het coördinerend bestuursorgaan op:
gedeputeerde staten: als het dagelijks bestuur van het waterschap bevoegd is om het projectbesluit vast te stellen,
Onze Minister die het aangaat: als hij op grond van artikel 5.44, eerste lid, of op grond van artikel 5.44a, vierde lid, bevoegd is om het projectbesluit in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties vast te stellen.
Nieuw
**1.** Het bevoegd gezag voor het projectbesluit kan bepalen dat artikel 16.7 van toepassing is op de coördinatie van de besluiten ter uitvoering van het projectbesluit.
**2.** Artikel 16.7 is van toepassing op de coördinatie van besluiten ter uitvoering van projectbesluiten als bedoeld in artikel 5.46.
**3.** Als het coördinerend bestuursorgaan treedt het bevoegd gezag voor het projectbesluit op.
**4.** In afwijking van het derde lid treden als het coördinerend bestuursorgaan op:
gedeputeerde staten: als het dagelijks bestuur van het waterschap bevoegd is om het projectbesluit vast te stellen,
Onze Minister die het aangaat: als hij op grond van artikel 5.44, eerste lid, of op grond van artikel 5.44a, vierde lid, bevoegd is om het projectbesluit in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening vast te stellen.
Artikel 5.46(projectbesluit voor hoofdinfrastructuur en primaire waterkeringen)
Oud
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, stelt voor werken met een nationaal belang in ieder geval een projectbesluit vast voor de volgende projecten:
de aanleg van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg,
een wijziging van een autoweg of autosnelweg, die bestaat uit:
de ombouw van een weg tot autosnelweg, of
de uitbreiding van een weg met een of meer rijstroken, als het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt,
een wijziging van een spoorweg die bestaat uit:
een uitbreiding van die spoorweg met een of meer sporen, als het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt,
de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken,
de aanleg van een verbindingsboog, of
een geheel van onderling samenhangende maatregelen voor die spoorweg,
het opnieuw in gebruik nemen van een al aangelegde spoorweg van vijf kilometer of meer,
een wijziging van een vaarweg die bestaat uit een vergroting of verdieping waardoor het ruimteoppervlak van de vaarweg met ten minste twintig procent toeneemt of de vaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen kubieke meter grond wordt verzet,
de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk.
**2.** Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt in ieder geval een projectbesluit vast voor de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen die niet onder het eerste lid, aanhef en onder f, vallen.
Nieuw
**1.** Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, stelt voor werken met een nationaal belang in ieder geval een projectbesluit vast voor de volgende projecten:
de aanleg van een autoweg of autosnelweg, spoorweg of vaarweg,
een wijziging van een autoweg of autosnelweg, die bestaat uit:
de ombouw van een weg tot autosnelweg, of
de uitbreiding van een weg met een of meer rijstroken, als het uit te breiden weggedeelte twee knooppunten of aansluitingen met elkaar verbindt,
een wijziging van een spoorweg die bestaat uit:
een uitbreiding van die spoorweg met een of meer sporen, als het uit te breiden spoorweggedeelte twee aansluitingen met elkaar verbindt,
de aanleg van spoorwegbouwkundige bouwwerken,
de aanleg van een verbindingsboog, of
een geheel van onderling samenhangende maatregelen voor die spoorweg,
het opnieuw in gebruik nemen van een al aangelegde spoorweg van vijf kilometer of meer,
een wijziging van een vaarweg die bestaat uit een vergroting of verdieping waardoor het ruimteoppervlak van de vaarweg met ten minste twintig procent toeneemt of de vaarweg blijvend wordt verdiept waarbij meer dan vijf miljoen kubieke meter grond wordt verzet,
de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen die in beheer zijn bij het Rijk.
**2.** Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt in ieder geval een projectbesluit vast voor de aanleg, verlegging of versterking van primaire waterkeringen die niet onder het eerste lid, aanhef en onder f, vallen.
Artikel 5.53(beoordelingsregels)
Oud
**1.** Voor de toepassing van artikel 5.52, eerste lid, zijn de artikelen 4.1 en 4.2, eerste lid, en de paragrafen 4.1.2 en 4.3.1 van overeenkomstige toepassing.
**2.** Voor de toepassing van artikel 5.52, tweede lid, onder a, zijn de paragrafen 5.1.3 tot en met 5.1.5 en de op grond daarvan gestelde regels van overeenkomstige toepassing.
**3.** Als de uitvoering van een projectbesluit, vastgesteld door gedeputeerde staten, onevenredig wordt belemmerd door regels die bij of krachtens een andere regeling van een gemeente dan een omgevingsplan of bij of krachtens een regeling van een waterschap zijn vastgesteld, kunnen die regels bij het projectbesluit of bij besluit van gedeputeerde staten om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
**4.** Als de uitvoering van een projectbesluit, vastgesteld door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, onevenredig wordt belemmerd door regels die bij of krachtens een andere regeling van een gemeente dan een omgevingsplan of bij of krachtens een regeling van een provincie of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die regels bij het projectbesluit of bij besluit van Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, respectievelijk Onze Minister die het aangaat, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
Nieuw
**1.** Voor de toepassing van artikel 5.52, eerste lid, zijn de artikelen 4.1 en 4.2, eerste lid, en de paragrafen 4.1.2 en 4.3.1 van overeenkomstige toepassing.
**2.** Voor de toepassing van artikel 5.52, tweede lid, onder a, zijn de paragrafen 5.1.3 tot en met 5.1.5 en de op grond daarvan gestelde regels van overeenkomstige toepassing.
**3.** Als de uitvoering van een projectbesluit, vastgesteld door gedeputeerde staten, onevenredig wordt belemmerd door regels die bij of krachtens een andere regeling van een gemeente dan een omgevingsplan of bij of krachtens een regeling van een waterschap zijn vastgesteld, kunnen die regels bij het projectbesluit of bij besluit van gedeputeerde staten om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
**4.** Als de uitvoering van een projectbesluit, vastgesteld door Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, onevenredig wordt belemmerd door regels die bij of krachtens een andere regeling van een gemeente dan een omgevingsplan of bij of krachtens een regeling van een provincie of waterschap zijn vastgesteld, kunnen die regels bij het projectbesluit of bij besluit van Onze Minister die het aangaat, in overeenstemming met Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, respectievelijk Onze Minister die het aangaat, om dringende redenen buiten toepassing worden gelaten.
Artikel 8.1(faunabeheereenheden en faunabeheerplannen)
Oud
**1.** Binnen een provincie zijn er een of meer faunabeheereenheden.
**2.** Een faunabeheereenheid stelt voor haar werkgebied een faunabeheerplan vast. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin het werkgebied van de faunabeheereenheid is gelegen.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen. De regels strekken ter waarborging van een transparante, samenhangende en regionaal ingebedde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, uitvoering van schadebestrijding door grondgebruikers en uitoefening van de jacht door jachthouders. De regels gaan in ieder geval over de rechtsvorm en de samenstelling van het bestuur van een faunabeheereenheid. Bij omgevingsverordening worden nadere regels gesteld over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen.
**4.** Voor de uitvoering van de regels van de algemene maatregel van bestuur en van de omgevingsverordening, bedoeld in het derde lid, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag.
**5.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin Onze Minister voor Natuur en Stikstof beslist over de goedkeuring van een faunabeheerplan, bevoegd is tot het stellen van nadere regels als bedoeld in het derde lid, vierde zin, of het bevoegd gezag, bedoeld in het vierde lid, is. Hierbij worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.
Nieuw
**1.** Binnen een provincie zijn er een of meer faunabeheereenheden.
**2.** Een faunabeheereenheid stelt voor haar werkgebied een faunabeheerplan vast. Het faunabeheerplan behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten van de provincie waarin het werkgebied van de faunabeheereenheid is gelegen.
**3.** Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen. De regels strekken ter waarborging van een transparante, samenhangende en regionaal ingebedde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, uitvoering van schadebestrijding door grondgebruikers en uitoefening van de jacht door jachthouders. De regels gaan in ieder geval over de rechtsvorm en de samenstelling van het bestuur van een faunabeheereenheid. Bij omgevingsverordening worden nadere regels gesteld over faunabeheereenheden en faunabeheerplannen.
**4.** Voor de uitvoering van de regels van de algemene maatregel van bestuur en van de omgevingsverordening, bedoeld in het derde lid, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag.
**5.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur beslist over de goedkeuring van een faunabeheerplan, bevoegd is tot het stellen van nadere regels als bedoeld in het derde lid, vierde zin, of het bevoegd gezag, bedoeld in het vierde lid, is. Hierbij worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.
Artikel 8.2(bijzondere bepaling over aansluitplicht bij wildbeheereenheid)
Oud
**1.** Jachthouders aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid.
**2.** Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging.
**3.** Een wildbeheereenheid geeft uitvoering aan het faunabeheerplan, bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, en bevordert dat het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de jacht worden uitgevoerd in samenwerking met, en ten dienste van, grondgebruikers of terreinbeheerders.
**4.** Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van de vereniging.
**5.** Bij omgevingsverordening worden regels gesteld over wildbeheereenheden. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
de omvang en begrenzing van het gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid kan uitstrekken, en
de gevallen waarin en voorwaarden waaronder jachthouders zijn uitgezonderd van het eerste lid.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin Onze Minister voor Natuur en Stikstof bevoegd is tot het stellen van regels als bedoeld in het vijfde lid. Hierbij worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.
Nieuw
**1.** Jachthouders aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, organiseren zich met anderen in een wildbeheereenheid.
**2.** Een wildbeheereenheid heeft de rechtsvorm van een vereniging.
**3.** Een wildbeheereenheid geeft uitvoering aan het faunabeheerplan, bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, en bevordert dat het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren en de jacht worden uitgevoerd in samenwerking met, en ten dienste van, grondgebruikers of terreinbeheerders.
**4.** Ook grondgebruikers en terreinbeheerders kunnen lid worden van de vereniging.
**5.** Bij omgevingsverordening worden regels gesteld over wildbeheereenheden. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op:
de omvang en begrenzing van het gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid kan uitstrekken, en
de gevallen waarin en voorwaarden waaronder jachthouders zijn uitgezonderd van het eerste lid.
**6.** Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gevallen worden aangewezen waarin Onze Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur bevoegd is tot het stellen van regels als bedoeld in het vijfde lid. Hierbij worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen.
Artikel 9.1(grondslag en bevoegdheid vestiging voorkeursrecht op naam van gemeente, provincie of Staat)
Oud
**1.** De gemeenteraad, provinciale staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk, provinciaal of nationaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan:
in het omgevingsplan een niet-agrarische functie is toegedeeld en waarvan het gebruik afwijkt van die functie,
in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of in een programma een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedeeld in een omgevingsplan,
in de voorkeursrechtbeschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedacht in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of een programma en niet is toegedeeld in een omgevingsplan.
**2.** Voorafgaand aan de vestiging van een voorkeursrecht op grond van het eerste lid kunnen het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk of provinciaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan in die beschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie.
**3.** Een provinciaal voorkeursrecht kan alleen worden gevestigd met het oog op een provinciaal belang.
**4.** Een nationaal voorkeursrecht kan alleen worden gevestigd met het oog op een nationaal belang.
Nieuw
**1.** De gemeenteraad, provinciale staten of Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening kunnen bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk, provinciaal of nationaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan:
in het omgevingsplan een niet-agrarische functie is toegedeeld en waarvan het gebruik afwijkt van die functie,
in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of in een programma een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie is toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedeeld in een omgevingsplan,
in de voorkeursrechtbeschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie en de functie niet is toegedacht in een gemeentelijke, een provinciale respectievelijk de nationale omgevingsvisie of een programma en niet is toegedeeld in een omgevingsplan.
**2.** Voorafgaand aan de vestiging van een voorkeursrecht op grond van het eerste lid kunnen het college van burgemeester en wethouders en gedeputeerde staten bij voorkeursrechtbeschikking op een onroerende zaak een gemeentelijk of provinciaal voorkeursrecht vestigen, voor zover die zaak deel uitmaakt van een locatie waaraan in die beschikking een niet-agrarische functie of moderniseringslocatie wordt toegedacht en waarvan het gebruik afwijkt van die functie.
**3.** Een provinciaal voorkeursrecht kan alleen worden gevestigd met het oog op een provinciaal belang.
**4.** Een nationaal voorkeursrecht kan alleen worden gevestigd met het oog op een nationaal belang.
**5.** Als in de voorkeursrechtbeschikking, bedoeld in het eerste lid, onder c, is bepaald dat met het oog op de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd wordt overgegaan tot het vaststellen van een omgevingsvisie of een programma, komt dat voorkeursrecht alleen door vaststelling van het aangegeven document te gelden als een voorkeursrecht op grond van het eerste lid, onder b.
Artikel 9.12(uitnodiging tot onderhandeling over vervreemding aan gemeente, provincie of Staat)
Oud
**1.** Als de vervreemder het voornemen heeft tot vervreemding over te gaan en artikel 9.7 van toepassing is, nodigt hij het bevoegd gezag uit in onderhandeling te treden over vervreemding aan de gemeente, de provincie of de Staat tegen nader overeen te komen voorwaarden.
**2.** Als de voorgenomen vervreemding betrekking heeft op onroerende zaken waarop voor een deel een voorkeursrecht is gevestigd maar die een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder, onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, als voorwaarde stellen dat dit geheel van onroerende zaken in de vervreemding wordt betrokken.
**3.** Als de onroerende zaken als onderdeel van een onderneming worden geëxploiteerd, kan de vervreemder als voorwaarde stellen dat de onderneming in de vervreemding wordt betrokken.
**4.** Als artikel 9.2, derde of vijfde lid, van toepassing is en er al een uitnodiging tot onderhandeling aan het college van burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten is gedaan, wordt die uitnodiging aangemerkt als een uitnodiging aan gedeputeerde staten of Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Nieuw
**1.** Als de vervreemder het voornemen heeft tot vervreemding over te gaan en artikel 9.7 van toepassing is, nodigt hij het bevoegd gezag uit in onderhandeling te treden over vervreemding aan de gemeente, de provincie of de Staat tegen nader overeen te komen voorwaarden.
**2.** Als de voorgenomen vervreemding betrekking heeft op onroerende zaken waarop voor een deel een voorkeursrecht is gevestigd maar die een samenhangend geheel vormen, kan de vervreemder, onverminderd afdeling 11 van titel 5 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, als voorwaarde stellen dat dit geheel van onroerende zaken in de vervreemding wordt betrokken.
**3.** Als de onroerende zaken als onderdeel van een onderneming worden geëxploiteerd, kan de vervreemder als voorwaarde stellen dat de onderneming in de vervreemding wordt betrokken.
**4.** Als artikel 9.2, derde of vijfde lid, van toepassing is en er al een uitnodiging tot onderhandeling aan het college van burgemeester en wethouders of gedeputeerde staten is gedaan, wordt die uitnodiging aangemerkt als een uitnodiging aan gedeputeerde staten of Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening.
Artikel 9.4(geldingsduur voorkeursrecht)
Oud
**1.** Een voorkeursrecht vervalt:
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c: drie jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een omgevingsvisie of een programma of is toegedeeld in het omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder b: drie jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in het omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.
**2.** Een bestuursorgaan dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, heeft gevestigd, kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen.
**3.** Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, ingaat.
**4.** Als een omgevingsplan wordt vernietigd, blijft een voorkeursrecht dat is gebaseerd op dat omgevingsplan gelden tot twee jaar na de vernietiging, tenzij het voorkeursrecht eerder wordt ingetrokken. Als binnen die termijn in het omgevingsplan de grondslag voor het voorkeursrecht wordt hersteld, heeft het voorkeursrecht de geldingsduur die het direct voorafgaand aan de vernietiging had.
Nieuw
**1.** Een voorkeursrecht vervalt:
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c: vijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedacht in een vastgestelde omgevingsvisie of een vastgesteld programma of is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder b: vijf jaar na het ingaan ervan, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na het ingaan ervan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.
**2.** Een bestuursorgaan dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder a, heeft gevestigd, kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, eenmaal met ten hoogste vijf jaar te verlengen. Als het voorkeursrecht eerder was gevestigd op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder c, en op het moment van vaststelling van het omgevingsplan langer dan zes jaar van kracht was, bedraagt de verlengde termijn in totaal ten hoogste zestien jaar verminderd met de tijd die is verstreken tussen het ingaan van het voorkeursrecht en de vaststelling van het omgevingsplan.
**3.** Een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, tweede lid, vervalt drie maanden na het ingaan ervan of, als dat eerder is, op het tijdstip dat een voorkeursrecht als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, ingaat.
**4.** Een voorkeursrecht waarvan op grond van het eerste lid de geldingsduur is verlengd, vervalt:
bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder a, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsvisie of een programma als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder b: vijf jaar na de vaststelling van die omgevingsvisie of dat programma, tenzij voor dat tijdstip de functie waarvoor het voorkeursrecht is gevestigd, is toegedeeld in een vastgesteld omgevingsplan,
bij een voorkeursrecht als bedoeld in het eerste lid, onder b, dat door tijdige vaststelling van een omgevingsplan als bedoeld in dat onderdeel is komen te gelden als een voorkeursrecht op grond van artikel 9.1, eerste lid, onder a: vijf jaar na de inwerkingtreding van dat omgevingsplan of, als die termijn met toepassing van het tweede lid is verlengd, aan het einde van de verlengde termijn.
**5.** Als een omgevingsplan wordt vernietigd, blijft een voorkeursrecht dat is gebaseerd op dat omgevingsplan gelden tot twee jaar na de vernietiging, tenzij het voorkeursrecht eerder wordt ingetrokken. Als binnen die termijn in het omgevingsplan de grondslag voor het voorkeursrecht wordt hersteld, heeft het voorkeursrecht de geldingsduur die het direct voorafgaand aan de vernietiging had.
Artikel VII, vijfde lid, van Stb. 2026/156 bevat overgangsrecht
m.b.t. deze wijziging.
Artikel 9.6(bevoegd gezag)
Oud
Als bevoegd gezag als bedoeld in deze afdeling worden aangewezen:
het college van burgemeester en wethouders voor een gemeentelijk voorkeursrecht,
gedeputeerde staten voor een provinciaal voorkeursrecht,
Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor een nationaal voorkeursrecht.
Nieuw
Als bevoegd gezag als bedoeld in deze afdeling worden aangewezen:
het college van burgemeester en wethouders voor een gemeentelijk voorkeursrecht,
gedeputeerde staten voor een provinciaal voorkeursrecht,
Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor een nationaal voorkeursrecht.
Artikel 9.8(uitzonderingen op hoofdregel)
Oud
Artikel 9.7 is niet van toepassing op vervreemding:
aan de echtgenoot of de geregistreerd partner, aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of aan een pleegkind dat duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed,
vanwege de verdeling van een gemeenschap als bedoeld in artikel 166 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,
vanwege een uiterste wilsbeschikking,
vanwege een overeenkomst met een gemeente, een waterschap, een provincie, de Staat of een door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het algemeen belang werkzame rechtspersoon,
vanwege een verkoop op grond van een wettelijke bepaling, een rechterlijk bevel of een executoriale verkoop, waarbij geldt dat de voorzieningenrechter bij een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 268, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek niet beslist over het verzoek tot onderhandse verkoop zolang de rechtspersoon op wiens naam het voorkeursrecht is gevestigd niet in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen, of
vanwege een overeenkomst over een onroerende zaak waarop een voorkeursrecht is gevestigd als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c, of tweede lid, aangegaan met een pachter die op die zaak op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorkeursrechtbeschikking een voorkeursrecht had als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Nieuw
Artikel 9.7 is niet van toepassing op vervreemding:
aan de echtgenoot of de geregistreerd partner, aan bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de zijlijn tot in de tweede graad of aan een pleegkind dat duurzaam als een eigen kind is onderhouden en opgevoed,
vanwege de verdeling van een gemeenschap als bedoeld in artikel 166 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek,
vanwege een uiterste wilsbeschikking,
vanwege een overeenkomst met een gemeente, een waterschap, een provincie, de Staat of een door Onze Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening aan te wijzen publiekrechtelijk lichaam of in het algemeen belang werkzame rechtspersoon,
vanwege een verkoop op grond van een wettelijke bepaling, een rechterlijk bevel of een executoriale verkoop, waarbij geldt dat de voorzieningenrechter bij een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in artikel 268, tweede lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek niet beslist over het verzoek tot onderhandse verkoop zolang de rechtspersoon op wiens naam het voorkeursrecht is gevestigd niet in de gelegenheid is gesteld om, gelet op het gunstiger bod, een bod te doen, of
vanwege een overeenkomst over een onroerende zaak waarop een voorkeursrecht is gevestigd als bedoeld in artikel 9.1, eerste lid, onder c, of tweede lid, aangegaan met een pachter die op die zaak op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorkeursrechtbeschikking een voorkeursrecht had als bedoeld in artikel 378 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.