Bij turbine- en ultrasone-gasmeters wordt de temperatuuropnemer voor het vaststellen van de temperatuur t geplaatst in een zogenaamde “meet- en impulsring” achter de gasmeter, ofwel direct achter de gasmeter, waarbij de maximale afstand tussen uitlaatflens van de gasmeter en de temperatuuropnemer 0,5 m bedraagt. Bij rotorgasmeters bevindt de meet- en impulsring zich aan de inlaatzijde van de rotormeter. De temperatuuropnemer moet bij ingebruikname zijn voorzien van een kalibratiecertificaat van een erkende kalibratieinstelling.
Hoofdstuk 2 › Paragraaf 2.4
Artikel 2.4.3
Artikel 2.4.3
Onderdeel van Meetcode gas LNB· Contracten, schade en aansprakelijkheid
Deze tekst geldt sinds 12 mei 2016