Voor de inwerkingtreding van artikel 10c van de Wet Vpb 1969 op 29 augustus 2002 golden er geen bijzondere wettelijke regels voor de inkoop van eigen aandelen. Over wat toen de fiscale gevolgen waren van inkoop ter afdekking van werknemersopties heb ik uitlatingen gedaan die tot de conclusie konden leiden dat het verschil tussen de inkoopprijs van de aandelen en de uitoefenprijs van de optie ook als verlies ten laste van het resultaat gebracht kon worden, voor zover dit verschil uitgaat boven het bedrag dat volgt uit het toen geldende artikel 9, derde lid, van de Wet Vpb (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997–1998, 25 721, nr. 5, blz. 15).
Uit de arresten van de Hoge Raad van 21 februari 2001 (nrs. 35 074 en 35 639) blijkt dat dit een onjuiste opvatting was: Terzake van het toekennen van een optie en de afwikkeling ervan kon (ook voor de inwerkingtreding van artikel 10c) geen andere last genomen worden dan die genoemd in het toen geldende artikel 9, derde lid, van de Wet Vpb.
Om aan het mogelijk door de hiervoor genoemde uitlatingen opgewekte vertrouwen tegemoet te komen heb ik besloten tot de volgende goedkeuring voor eigen aandelen die vóór 21 februari 2001 zijn ingekocht ter dekking van toegekende werknemersoptierechten.
Ik keur goed dat een op deze inkoop van eigen aandelen geleden verlies in aanmerking mag worden genomen, onder de volgende voorwaarden.
Het verlies dat in aanmerking mag worden genomen is het verlies dat wordt geleden door verkoop beneden de kostprijs (afwaarderingverliezen vallen niet onder de goedkeuring).
Bij de berekening van dit verlies wordt geen lagere verkoopprijs in aanmerking genomen dan de uitoefenprijs van het optierecht ter dekking waarvan de aandelen zijn ingekocht.
Het verlies wordt verminderd met het bedrag dat terzake van de toekenning van het optierecht in aftrek is gekomen op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel h, Wet Vpb (zoals dat gold tot 1 januari 2007).
Het verlies wordt in aanmerking genomen op het tijdstip waarop de aandelen door belastingplichtige worden geleverd.
Bij verkoop aan een ander dan de optiegerechtigde geldt deze goedkeuring slechts indien de verkoop niet later plaats vindt dan drie maanden na het verstrijken van de uitoefentermijn van de optieverplichting met het oog waarop de aandelen zijn ingekocht.
Indien de aandelen binnen drie maanden na het verstrijken van de uitoefentermijn van de optieverplichting met het oog waarop de aandelen zijn ingekocht, gaan dienen ter dekking van volgende pakketten werknemersopties (doorschuiving), vangt de in de vorige volzin bedoelde termijn aan op het tijdstip waarop de uitoefentermijn verstrijkt van de optieverplichting waarnaar de aandelen zijn doorgeschoven.
Indien een doorschuiving heeft plaatsgevonden als bedoeld in de vorige volzin wordt het in aanmerking te nemen verlies (ook) verminderd met het bedrag dat ter zake van de toekenning van het optierecht waarnaar de aandelen zijn doorgeschoven in aftrek is gekomen op grond van artikel 9, eerste lid, onderdeel h, Wet Vpb (zoals dat gold tot 1 januari 2007).
Bij verkoop aan anderen dan de optiegerechtigde worden, tot de omvang van die verkoop, latere inkopen van eigen aandelen voor de heffing van vennootschapsbelasting en dividendbelasting niet beschouwd als te zijn gedaan ter dekking van optieverplichtingen die al bestonden of voorzienbaar waren ten tijde van de verkoop. Met de omvang van de verkoop wordt gedoeld op het aantal aandelen en niet op het bedrag van de verkoop.
Dividend genoten op de ingekochte aandelen maakt deel uit van de belastbare winst tot maximaal het bedrag van de op grond van de goedkeuring in aanmerking genomen additionele last.
Ter zake van het toekennen van de optierechten en het waardeverloop van de eruit volgende verplichting is en wordt geen groter bedrag ten laste van het resultaat gebracht dan het bedrag genoemd in artikel 9, derde lid, van de Wet Vpb (zoals dat gold tot 1 januari 2007).
Indien op verschillende momenten optierechten zijn toegekend en op verschillende momenten aandelen zijn ingekocht ter dekking van de optieverplichtingen wordt een fifo-benadering gevolgd voor de bepaling welke ingekochte aandelen bij welke optieverplichting behoort.
Belastingplichtige verklaart uitdrukkelijk in te stemmen met boven genoemde voorwaarden door een daartoe strekkende schriftelijke verklaring te zenden aan de inspecteur.
Artikel 10c, eerste lid, van de Wet Vpb bepaalt dat het resultaat op ter tijdelijke belegging ingekochte eigen aandelen geen deel uit maakt van de fiscale winst. Op grond van het vierde lid geldt voor opties op eigen aandelen hetzelfde. Bij de totstandkoming van dit vierde lid is alleen gesproken over inkoop van opties ter dekking van optieverplichtingen.
Dit brengt echter niet mee dat deze bepaling ook alleen van toepassing is op dergelijke inkopen en niet geldt voor andere gevallen van inkoop van opties op eigen aandelen. De tekst van het vierde lid omvat wel degelijk elke inkoop van opties. En ook doel en strekking dwingt niet tot een beperkte werking. Ook de regeling van de inkoop van eigen aandelen geldt immers onbetwist voor elke inkoop van eigen aandelen. Niet valt in te zien waarom dan bij de inkoop van opties op eigen aandelen een dergelijke ruime werking wel in strijd is met doel en strekking van de wet.
Het hiervoor vermelde geldt op grond van artikel 10c, vierde lid, Wet Vpb 1969 niet alleen voor een optie op eigen aandelen, maar ook voor een recht waarvan de waarde verband houdt met de waardeverandering van een zodanig aandeel. Het kennisgroepstandpunt KG:011:2022:9 is een voorbeeld van toepassing van artikel 10c Wet Vpb 1969 op een dergelijk recht in een situatie waarin dit recht niet diende ter dekking van werknemersopties. De premies betaald voor het recht moesten als kostprijs voor de verwerving van een activum worden geactiveerd en de waardeverandering van dat activum (het recht) bleef buiten aanmerking bij het bepalen van de winst krachtens artikel 10c, eerste lid, Wet Vpb 1969.
Ook certificaten van eigen aandelen vallen als derivaat van de eigen aandelen op grond van artikel 10c, vierde lid, Wet Vpb 1969 onder de werking van artikel 10c, eerste lid, Wet Vpb 1969. Artikel 10c, vierde lid, Wet Vpb 1969 beoogt immers te verduidelijken dat de werking van artikel 10c Wet Vpb 1969 ook betrekking heeft op derivaten van eigen aandelen.1Kamerstukken II 2001/02, 28 487 nr 3, p. 40. Deze toepassing bij certificaten strookt ook met de letterlijke tekst van het vierde lid. Ook een certificaat van een eigen aandeel is immers “een recht waarvan de waarde verband houdt met de waardeverandering van een zodanig aandeel”.
Artikel 2
Beleid met betrekking tot artikel 10c van de Wet Vpb 1969
Onderdeel van Beleidsbesluit inkoop eigen aandelen· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 18 juni 2016