**1.** Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGG per zorgverzekeraar op een bestand met declaraties geriatrische revalidatiezorg met betrekking tot 2014 per gepseudonimiseerd burgerservicenummer, afkomstig uit de Overall Toets 2017, zoals de minister van VWS die heeft laten uitvoeren.
**2.** Het Zorginstituut herleidt het percentage in de klasse ‘Kosten in top 0,275 procent’ tot een drempelbedrag.
**3.** Het Zorginstituut bepaalt op basis van de declaraties uit het eerste lid, het drempelbedrag uit het vorige lid en een koppeling met het VPPKB 2014 per verzekerde in welke GGG klasse de verzekerde valt. Het Zorginstituut stelt voor de klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1.
**4.** Voor verzekerden met kosten gelijk aan het drempelbedrag verdeelt het Zorginstituut op grond van artikel 10, achtste lid van de Regeling de zwaarte van 1 naar rato over de betreffende klassen.
**5.** Indien de percentielgrens gelijk is aan nul euro deelt het Zorginstituut, op grond van artikel 10, negende lid van de Regeling, verzekerden met kosten op de percentielgrens in bij de klasse ‘Geen GGG’.
**6.** Het Zorginstituut koppelt de verzekerden voor het criterium GGG aan het VPPKB 2015. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2016, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft.
**7.** Als een verzekerde niet in de klasse ‘Kosten in top 0,275 procent’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in bij de klasse ‘Geen GGG’.
**8.** Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium GGG naar de macroverzekerdenraming.
Hoofdstuk II
Artikel 20
GGG
Onderdeel van Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2017· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht
Deze tekst geldt sinds 23 oktober 2016