Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk II

Artikel 26

ZVZ

Onderdeel van Beleidsregels vereveningsbijdrage zorgverzekering 2017· Gezondheidsrecht en farmaceutisch recht

Deze tekst geldt sinds 23 oktober 2016

1. Het Zorginstituut baseert zich voor het geraamde aantal verzekerden voor het criterium ZVZ op de indeling van verzekerden in klassen op basis van GGZ-declaraties 2013 afkomstig uit het onderzoek naar het vereveningskenmerk ZVZ dat de minister heeft laten uitvoeren. 2. Het Zorginstituut koppelt op basis van het gepseudonimiseerde burgerservicenummer de indeling van verzekerden in klassen, bedoeld in het vorige lid aan het VPPKB 2014. Het Zorginstituut stelt voor de toepasselijke klasse waarin de verzekerde valt de zwaarte op 1. 3. Het Zorginstituut past op de verzekerden die voor het eerst voorkomen in het VPPKB 2014 per ZVZ klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het VPPKB 2014 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het VPPKB 2015, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft. Het Zorginstituut past op de verzekerden die voor het eerst voorkomen in het VPPKB 2015 per ZVZ klasse de gemiddelde prevalentie voor de betreffende klasse van de overige verzekerden in het VPPKB 2015 toe. Vervolgens koppelt het Zorginstituut de verzekerden aan het PKB 2016, waarbij de verzekerden een zodanige zwaarte krijgen dat de relatieve prevalentie constant blijft. 4. Als een verzekerde niet in andere klasse dan ‘Geen ZVZ’ valt, deelt het Zorginstituut deze verzekerde in de klasse ‘Geen ZVZ’ in. 5. Het Zorginstituut herschaalt het geraamde aantal verzekerden voor het criterium ZVZ naar de macroverzekerdenraming.

Rechtspraak bij dit artikel