Naar hoofdinhoud

Artikel 5

Financiële varianten

Onderdeel van Reglement Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2017

Dit hoofdstuk is uitsluitend van toepassing op bevoegde gezagsorganen die eigenrisicodrager zijn. 1. Een bevoegd gezag waaraan het Vervangingsfonds de status van eigenrisicodrager heeft verleend, kan zich aanmelden voor één van de financiële varianten als bedoeld in artikel 47. 2. De aanmelding kan alleen door een individueel bevoegd gezag plaatsvinden. 3. In afwijking van het eerste lid, kan een bevoegd gezag, dat ten tijde van de aanmelding geen eigenrisicodrager is, zich aanmelden voor één van de financiële varianten als bedoeld in artikel 47, onder de opschortende voorwaarde dat het Vervangingsfonds aan het bevoegd gezag de status van eigenrisicodrager verleent op de aanvraag daartoe van het bevoegd gezag. Voor zover het bevoegd gezag nog geen aanvraag tot het verlenen van de status van eigenrisicodrager heeft ingediend, dient deze aanvraag binnen veertien dagen na de aanmelding bij het Vervangingsfonds te zijn ingediend, bij gebreke waarvan de aanmelding niet in behandeling wordt genomen. 4. De ingangsdatum van de financiële variant vindt plaats per 1 januari van een kalenderjaar. Het bevoegd gezag dient zich uiterlijk 31 oktober voorafgaand aan het betreffende kalenderjaar schriftelijk bij het Vervangingsfonds aan te melden voor een financiële variant. 5. In afwijking van het vierde lid, geldt voor de aanmelding voor een van de financiële varianten per 1 januari 2017 het bepaalde onder a en b: het bevoegd gezag heeft op uiterlijk 31 december 2016 het voornemen om zich aan te melden voor één van de financiële varianten aan het Vervangingsfonds schriftelijk kenbaar gemaakt; het Vervangingsfonds heeft de definitieve aanmelding uiterlijk op 15 maart 2017 ontvangen. 6. De aanmelding voor één van de financiële varianten kan uitsluitend plaatsvinden voor al het personeel van het bevoegd gezag. 1. Op bekostiging door het Vervangingsfonds kan aanspraak worden gemaakt in geval van vervanging van personeel dat afwezig is op grond van ziekte als bedoeld in artikel 28, onder a van het Reglement. 2. De maximale bekostigingstermijn voor vervanging van aaneengesloten ziekteverzuim bedraagt 24 maanden vanaf de eerste ziektedag zoals geregistreerd bij het UWV. 3. Personeel dat binnen de eigen betrekkingsomvang voor vervanging wordt ingezet, komt slechts voor bekostigde vervanging in aanmerking indien dit personeelslid is geplaatst in een eigen, door het bevoegd gezag bekostigde vervangingspool. 4. In aanvulling op de voorwaarden voor bekostiging conform één van de financiële varianten als genoemd in dit hoofdstuk, is artikel 29 tot en met 32 van het Reglement van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van: artikel 29, eerste lid, onder c en e en derde lid, onder b. artikel 32, tweede, derde, twaalfde en dertiende lid. 5. Indien een personeelslid ten tijde van de ingangsdatum van deelname voor één van de financiële varianten 14 kalenderdagen of langer ziek is, dan komt de vervanging van dit personeelslid niet voor bekostiging in aanmerking. 6. Indien het personeelslid, genoemd in het vijfde lid, sinds het hervatten van de werkzaamheden gedurende 28 kalenderdagen aaneengesloten niet ziek is geweest, dan komt vervanging van dit personeelslid bij opvolgende ziektegevallen voor bekostiging in aanmerking. 7. Indien aan een bevoegd gezag per 1 januari 2017 het eigenrisicodragerschap is verleend, dan komt in afwijking van het vijfde lid vervanging van een personeelslid dat ten tijde van de ingangsdatum van deelname aan één van de financiële varianten ziek is, voor bekostiging conform de door dit bevoegd gezag gekozen financiële variant in aanmerking. Vervallen 1. De deelname voor één van de financiële varianten geldt voor onbepaalde tijd. 2. Wijziging door het bevoegd gezag van de gekozen financiële variant is mogelijk per 1 januari van een nieuw kalenderjaar. Het bevoegd gezag dient de wijziging uiterlijk 1 november voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar schriftelijk bekend te maken, onder opgave van de gewenste andere financiële variant. 3. Opzegging van de deelname van één van de financiële varianten door het bevoegd gezag is alleen mogelijk per 1 januari van een nieuw kalenderjaar. Het bevoegd gezag dient de opzegging uiterlijk 1 november voorafgaand aan het nieuwe kalenderjaar schriftelijk aan het Vervangingsfonds bekend te maken. 4. Het Vervangingsfonds kan de deelname door het bevoegd gezag voor één van de financiële varianten schriftelijk tussentijds opzeggen, indien het bevoegd gezag na herhaalde aanmaning door het Vervangingsfonds in gebreke blijft de maandelijkse premie aan het Vervangingsfonds te voldoen. Het Vervangingsfonds kan alleen opzeggen tegen het einde van een kalendermaand en met inachtneming van een opzegtermijn van een maand. Het Vervangingsfonds kan de premie dan wel de voorwaarden, behorende bij de financiële varianten, eenmaal per jaar voor het volgende kalenderjaar te wijzigen. Het Vervangingsfonds stelt het bevoegd gezag uiterlijk drie maanden voor afloop van het lopende kalenderjaar schriftelijk in kennis van deze wijzigingen. 1. De deelname voor een financiële variant eindigt op het moment waarop het betreffende bevoegd gezag het eigenrisicodragerschap heeft verloren. 2. Indien de deelname voor een financiële variant voor een bevoegd gezag eindigt, dan heeft dit tot gevolg: voor een bevoegd gezag dat nog de status van eigenrisicodrager heeft: dat het bevoegd gezag na het verloop van de betreffende opzegtermijn weer valt onder de werking van de bepalingen van het Reglement, die van toepassing zijn op een eigenrisicodrager. voor een bevoegd gezag dat de status van eigenrisicodrager heeft verloren: dat het bevoegd gezag op het moment van het verlies van de status van eigenrisicodrager weer valt onder de werking van de bepalingen van het Reglement, die van toepassing zijn op een bevoegd gezag dat geen eigenrisicodrager is. 3. Bij beëindiging van de deelname voor één van de financiële varianten als gevolg van opzegging door het bevoegd gezag, eindigt de aanspraak op bekostiging van vervanging na verloop van het kalenderjaar waarin de opzegging heeft plaatsgevonden. Declaraties die betrekking hebben op vervanging gedurende dat kalenderjaar komen niet voor bekostiging in aanmerking, indien het Vervangingsfonds die declaraties niet uiterlijk op 6 april 2018 heeft ontvangen. 4. Bij beëindiging van de deelname voor één van de financiële varianten als gevolg van het verlies van eigenrisicodragerschap, eindigt de aanspraak op bekostiging van vervanging op het moment dat het bevoegd gezag het eigenrisicodragerschap heeft verloren. Declaraties die betrekking hebben op vervanging gedurende het kalenderjaar waarin het eigenrisicodragerschap is verloren, komen niet voor bekostiging in aanmerking, indien het Vervangingsfonds die declaraties niet uiterlijk op 6 april 2018 heeft ontvangen. 5. Bij beëindiging van de deelname voor één van de financiële varianten als gevolg van opzegging door het Vervangingsfonds als bedoeld in artikel 44, vierde lid, bestaat geen aanspraak meer op bekostiging vanaf de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de beëindiging heeft plaatsgevonden. Declaraties over de periode tot en met de datum van beëindiging van de deelname worden niet meer vergoed, indien het Vervangingsfonds die declaraties niet uiterlijk op 6 april 2018 heeft ontvangen. 1. Een bevoegd gezag dat eigenrisicodrager is, kan gebruik maken van de volgende door het Vervangingsfonds aangeboden financiële varianten: Wachtdagenvariant met een eigen risico van 14 dagen; Wachtdagenvariant met een eigen risico van 42 dagen; Stop-loss variant met een lage ondergrens van de bandbreedte; Stop-loss variant met een hoge ondergrens van de bandbreedte. 1. Onder deze financiële variant komt vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor bekostiging: indien het afwezige personeelslid voor totaal twee maal de werktijdfactor per week, omgerekend in klokuren, waarvoor dit personeelslid ziek is, door het bevoegd gezag voor eigen rekening is vervangen; indien is voldaan aan de overige voorwaarden voor bekostiging in dit hoofdstuk. 1. Onder deze financiële variant komt vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor bekostiging: indien het afwezige personeelslid voor totaal zes maal de werktijdfactor per week, omgerekend in klokuren, waarvoor dit personeelslid ziek is, door het bevoegd gezag voor eigen rekening is vervangen; indien is voldaan aan de overige voorwaarden voor bekostiging in dit hoofdstuk. 1. Onder deze financiële variant komt vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor bekostiging: zodra de totale normvervangingskosten van het bevoegd gezag 80 procent van de gemiddelde normatieve vervangingskosten heeft bereikt; indien is voldaan aan de overige voorwaarden voor bekostiging in dit hoofdstuk. 2. De gemiddelde normatieve vervangingskosten, genoemd in het eerste lid, bedragen 5 procent van de grondslag, genoemd in artikel 18, derde lid, over de maand januari en vermenigvuldigd met 12. 3. Indien het totaal van de normvervangingskosten ten minste 80 procent en ten hoogste 200 procent bedraagt van de gemiddelde normatieve vervangingskosten, komt de vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor de bekostiging als bedoeld in artikel 32 van het Reglement. 4. Indien het totaal van de normvervangingskosten meer dan 200 procent bedraagt van de gemiddelde normatieve vervangingskosten, komt de vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor 50 procent van de bekostiging als bedoeld in artikel 32 van het Reglement. 5. Het Vervangingsfonds stelt de in dit artikel genoemde percentages per kalenderjaar vast. 1. Onder deze financiële variant komt vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor bekostiging: zodra de totale normvervangingskosten van het bevoegd gezag 100 procent van de gemiddelde normatieve vervangingskosten heeft bereikt; indien is voldaan aan de overige voorwaarden voor bekostiging in dit hoofdstuk. 2. De gemiddelde normatieve vervangingskosten, genoemd in het eerste lid, bedragen 5 procent van de grondslag, genoemd in artikel 18, derde lid, over de maand januari en vermenigvuldigd met 12. 3. Indien het totaal van de normvervangingskosten ten minste 100 procent en ten hoogste 200 procent bedraagt van de gemiddelde normatieve vervangingskosten, komt de vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor de bekostiging als bedoeld in artikel 32 van het Reglement. 4. Indien het totaal van de normvervangingskosten meer dan 200 procent bedraagt van gemiddelde normatieve vervangingskosten, komt de vervanging van personeel dat afwezig is wegens ziekte in aanmerking voor 50 procent van de bekostiging als bedoeld in artikel 32 van het Reglement. 5. Het Vervangingsfonds stelt de in dit artikel genoemde percentages per kalenderjaar vast.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel