Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Welke persoonsgegevens mogen zorgverzekeraars verwerken ten behoeve van het machtigingsvereiste?

Onderdeel van Beleidsregels machtigingsvereiste· Privacy

Deze tekst geldt sinds 17 december 2016

Zorgverzekeraars mogen dus bijzondere persoonsgegevens verwerken ten behoeve van het machtigingsvereiste. Daarbij is van belang dat de Wbp voor elke gegevensverwerking vereist dat er naast een grondslag uit artikel 8 Wbp en een uitzondering op het verbod uit artikel 16 Wbp, moet zijn voldaan aan het noodzakelijkheidsvereiste. Artikel 21 eerste lid, onderdeel b, onder 2°, biedt bijvoorbeeld een uitzondering voor de persoonsgegevens betreffende de gezondheid die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de overeenkomst van verzekering. En artikel 8, onder b, betreft de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij betrokkene partij is. Dit noodzakelijkheidsvereiste brengt een belangrijke beperking aan voor wat betreft de aard en omvang van de persoonsgegevens die voor een machtiging mogen worden verwerkt. Zorgverzekeraars zullen moeten kunnen onderbouwen of de gevraagde persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor het verlenen van een machtiging. Bij de toepassing van het noodzakelijkheidsvereiste toetst degene die de persoonsgegevens verwerkt steeds of de betreffende verwerking voldoet aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Dat betekent ten eerste dat het doel, de aard en omvang van de persoonsgegevens die voor de machtiging worden verwerkt met elkaar in verhouding zijn en ten tweede dat er geen minder ingrijpende verwerking van persoonsgegevens voor dat doel mogelijk is. Kan bijvoorbeeld worden volstaan met het doen van een meer formele toets zoals de aanwezigheid van een verwijsbrief of het verstrekken van (kwaliteits)informatie over de zorgverlener dan is het opvragen van (andere) persoonsgegevens betreffende de gezondheid over de verzekerde niet toegestaan. Voor de hierboven genoemde onderbouwing is van belang welk doel het vragen van de machtiging in het specifieke geval dient. In het algemeen geldt dat een machtiging ten doel heeft te voorkomen dat vergoeding ten onrechte plaatsvindt maar meer specifiek kan bijvoorbeeld onderscheid worden gemaakt tussen het voorkomen dat er sprake is van onverzekerde zorg, het waarborgen dat er sprake is van doelmatige zorg, het voorkomen dat de zorg die wordt verleend niet het meest is aangewezen gezien de individuele omstandigheden en/of het ziektebeeld van de betreffende verzekerde en het voorkomen dat de zorg die wordt verleend niet het meest is aangewezen omdat de betreffende zorgaanbieder niet aan bepaalde (kwaliteits) vereisten voldoet. De onderbouwing van de gevraagde persoonsgegevens moet worden gerelateerd aan het specifiek doel. 10Overigens geldt voor elke gegevensverwerking dat deze noodzakelijk moeten zijn voor het doel waarvoor de gegevens worden verwerkt. Evenzo vergt de Wbp van elke verantwoordelijke dat hij of zij transparant is over (de noodzaak van) de gegevens die over betrokkene(n) worden verwerkt. Het doel van de machtiging is voorkomen dat de verzekerde zorg ondergaat die achteraf niet voor vergoeding in aanmerking blijkt te komen, bijvoorbeeld omdat er geen sprake is van verzekerde zorg,11De Zvw geeft aan op welke medisch noodzakelijke zorg iemand recht heeft. Zorgverzekeraars werken de nadere voorwaarden vervolgens uit in hun verzekeringspolis van de basisverzekering. De zorg moet onder meer voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk, doelmatig zijn en de verzekerde moet redelijkerwijs op de zorg aangewezen zijn. de zorg niet het meest is aangewezen voor de specifieke verzekerde of de betreffende zorgaanbieder niet aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet. Met een machtiging krijgt de verzekerde vooraf duidelijkheid over de vraag of zorgkosten worden vergoed. Zo wordt voorkomen dat de zorgverzekeraar ten onrechte betaalde vergoedingen moet terugvorderen en de verzekerde met onverwachte kosten wordt geconfronteerd. Voor de toets die zorgverzekeraars bij het afgeven van een machtiging hanteren, geldt verder dat artikel 14, eerste lid, Zvw bepaalt dat de vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of een bepaalde andere dienst, slechts op basis van zorginhoudelijke criteria wordt beantwoord. In de parlementaire geschiedenis van de Zvw wordt daarover onder meer gezegd dat ‘de verzekeraar het recht heeft om te controleren of de door de arts geïndiceerde vorm van zorg inderdaad wel voor de desbetreffende patiënt is aangewezen en ook niet meer omvat (en dus niet duurder is) dan nodig. Artikel 14 zorgt er dan wél voor, dat die verzekeraar die toestemming slechts om zorginhoudelijke redenen mag weigeren. Het artikel zorgt er voorts voor, dat een zorginhoudelijke deskundige (bijvoorbeeld een verzekeringsarts)de verzekeraar dient te adviseren over de vraag of dergelijke zorginhoudelijke redenen er al dan niet zijn. De zorgverzekeraar dient het advies van de zorginhoudelijk deskundige over te nemen’.12Kamerstukken II, 2003/04, 29 763, nr. 4, p. 35. Kamerstukken II, 2003/04, 29 763, nr. 7, p. 100. ‘Bij de vraag of een verzekerde behoefte heeft aan een bepaalde vorm van zorg of een andere tot het verzekerde pakket behorende dienst zullen veelal medisch-inhoudelijke criteria bepalend zijn. De wet hanteert echter het bredere begrip «zorginhoudelijke criteria» om te bewerkstelligen dat waar nodig ook andere zorggebonden criteria een rol kunnen spelen, bijvoorbeeld het oordeel van een verpleegkundige over de thuissituatie indien een beslissing moet worden genomen over de vraag of een patiënt naar huis kan of eerst in een revalidatie-instelling moet worden opgenomen.13Kamerstukken II, 2003/04, 29 763, nr. 7, p. 111. Het machtigingsvereiste heeft dus ten doel om vooraf het risico te beperken dat er ten onrechte vergoedingen plaatsvinden. Daarnaast hebben zorgverzekeraars de mogelijkheid om achteraf te controleren dat er geen onrechtmatige vergoedingen zijn gedaan.14Daartoe kunnen zij formele controles (onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of het tarief dat door een zorgaanbieder voor een prestatie in rekening is gebracht (...) een prestatie betreft, welke behoort tot het verzekerde pakket van die persoon) en materiële controles doen (het onderzoek waarbij de zorgverzekeraar nagaat of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie is geleverd en of die geleverde prestatie het meest was aangewezen gezien de gezondheidstoestand van de verzekerde.15Belangrijk verschil is dat als na materiële controle de declaratie niet rechtmatig blijkt te zijn dit voor risico van de zorgaanbieder komt terwijl het bij machtigingen gaat om situaties waarin het risico van niet-betaling voor de verzekerde wordt weggenomen. Het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van formele en materiële controles is geregeld in artikel 87 van de Zvw jo. hoofdstuk 7 van de Regeling zorgverzekering (Rzv).16Deze wettelijke regeling voorziet tevens in het vereiste wettelijk voorschrift tot doorbreking van de geheimhoudingsplicht van de behandelaar. Zie ook paragraaf 4. Voor de aanvullende ziektekostenverzekering gelden daarvoor artikel 68a van de Wmg en de Regeling persoonsgegevens vrijwillige ziektekostenverzekeringen Wmg. In deze regelingen wordt uitwerking gegeven aan het noodzakelijkheidscriterium door nader te bepalen welke persoonsgegevens, voor welke doeleinden mogen worden verwerkt.17‘De Rvz geeft tezamen met de prestatiebeschrijvingen invulling aan de uitwerking van het noodzakelijkheidcriterium. Voorts schept de Rvz helderheid over de doelen die met de verstrekking van persoonsgegevens worden gediend (artikel 7.1)’. Toelichting op de Rvz, Stcrt. 2005, 249.Op grond van artikel 5 van de Regeling persoonsgegevens vrijwillige ziektekostenverzekeringen Wmg zijn de artikelen 7.4 en 7.5 tot en met 7.10 van de Rzv van overeenkomstige toepassing op de uitvoering van formele en materiële controle (…) in het kader van de vrijwillige ziektekostenverzekering. Daarbij is invulling gegeven aan het proportionaliteitsvereiste door de materiële controle door zorgverzekeraars stapsgewijs vorm te geven. Dat betekent dat indringende methodes – met als sluitstuk het doen van detailcontroles – pas mogen worden toegepast indien en voor zover niet kan worden volstaan met minder indringende methodes.18Toelichting op de Rzz, Stcrt. 2005, 249. Zie ook de brief van de Minister van VWS van 8 maart 2016, Kamerstukken II, 33 980, nr. 10. Het hanteren van een machtigingseis (toets voorafgaand aan de levering van zorg die in korte tijd moet plaatsvinden) en het uitvoeren van formele en materiële controle (controle achteraf aan de levering van zorg en niet onder tijdsdruk) zijn verschillende instrumenten. De Rzv en de Regeling persoonsgegevens vrijwillige ziektekostenverzekeringen Wmg gelden dan ook niet voor de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van het machtigingsvereiste. Daarmee is er dus geen nadere uitwerking van het noodzakelijkheidsvereiste (en dus de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit) voorzien in wet- of regelgeving voor de gegevensverwerking bij de aanvraag en behandeling van het machtigingsvereiste. Het is niet mogelijk om in deze beleidsregels een sluitend overzicht te geven van de gegevens die noodzakelijk zijn in het kader van het machtigingsvereiste. Het gaat immers om (zeer) verschillende vormen van zorg waarbij bovendien zorginhoudelijke criteria in het individuele geval19Kamerstukken II, 2003/04, 29 763, nr. 7, p. 111. een rol spelen. Wel zijn er een aantal algemene uitgangspunten: Er wordt volstaan met die gegevens die (minimaal) noodzakelijk worden geacht voor de specifieke machtiging in het voorliggende geval. Dat betekent onder meer dat er niet ‘voor de zekerheid’ alvast ook andere / meer gegevens worden verwerkt. Er wordt pas overgegaan tot het verwerken van (meer gedetailleerde) gezondheidsgegevens over verzekerde als andere gegevens niet toereikend zijn om het doel van de machtiging te bewerkstelligen. Daarbij worden de volgende afwegingen gemaakt: Kan worden volstaan met het verstrekken van (kwaliteits)informatie over de zorgverlener? (bijvoorbeeld als het doel van de machtiging is te bewerkstelligen dat ongecontracteerde aanbieders aan dezelfde kwaliteitseisen voldoen als gecontracteerde zorgaanbieders). Zijn de vermoedelijke diagnose en een schatting van de kosten voldoende? Is een volledig behandelplan nodig of kan worden volstaan met enkele specifieke gegevens uit het behandelplan? Is een volledig dossier (uit bijvoorbeeld de eerste lijn) nodig of kan worden volstaan met enkele specifieke persoonsgegevens? Zijn persoonsgegevens uit (toekomstige) evaluaties van de behandeling nodig? De zorgverzekeraar onderbouwt waarom de persoonsgegevens die worden gevraagd voor een machtiging noodzakelijk zijn voor dat doel. In beginsel kan de onderbouwing waarom de persoonsgegevens die worden gevraagd noodzakelijk zijn voor het doel van de machtiging op hoofdlijnen worden opgesteld per zorgsoort, geneesmiddel en/of hulpmiddel waarvoor het machtigingsvereiste geldt. Bij de onderbouwing van de noodzaak wordt in elk geval ingegaan op het specifieke doel van het stellen van een machtigingsvereiste in het betreffende geval (bijvoorbeeld vaststellen dat sprake is van verzekerde zorg, vaststellen dat de zorg het meest is aangewezen voor de specifieke verzekerde of waarborgen dat de betreffende zorgaanbieder aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet). De onderbouwing van de noodzaak zal uitgebreider en zorgvuldiger zijn naarmate het gaat om (meer) detailgegevens. Nadere onderbouwing vindt plaats indien er in het individuele geval wordt afgeweken van de hierboven genoemde onderbouwing op hoofdlijnen per zorgsoort, geneesmiddel en/of hulpmiddel waarvoor het machtigingsvereiste geldt. Deze onderbouwing zal waar nodig (nader) zijn toespitst op individuele omstandigheden van het geval indien betrokkene daarom vraagt. Zorgverzekeraars vragen aan een verzekerde met een privacyverklaring GGZ 20Een privacyverklaring zoals opgenomen in de Regeling gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg van de NZa, NR/CU 565.ook ten behoeve van een machtiging géén tot de diagnose herleidbare gegevens. Dit vloeit voort uit een uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb).21Het CBb oordeelde dat gelet op de zwaarwegende belangen van GGZ patiënten in de declaratieregels van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) ten minste in de mogelijkheid zou moeten zijn voorzien om in bepaalde gevallen van de verplichting tot het vermelden van diagnose informatie op declaraties aan zorgverzekeraar af te kunnen wijken, CBb 8 maart 2012, JB 2012, 135, ro 5.41.22De NZa heeft naar aanleiding van deze uitspraak de Regeling gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg opgesteld, NR/CU 565. Hierin is geregeld dat er ten behoeve van de declaratie van GGZ zorg geen tot de diagnose herleidbare gegevens te worden verstrekt indien patiënt en de zorgaanbieder gezamenlijk een privacyverklaring hebben ondertekend. Het CBb heeft in deze uitspraak het belang van een goede taakvervulling van de zorgverzekeraars (zorginkoop en controle van geleverde prestaties) afgewogen tegen het privacybelang van individuele GGZ patiënten. Deze uitspraak ziet weliswaar op het verwerken van diagnosegegevens ten behoeve van de declaratieafwikkeling en niet ten behoeve van een machtiging, maar de afwegingen die het CBb hierin maakt werken wel door in de wijze waarop het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 8 en artikel 23 van de Wbp moet worden toegepast bij de verwerking van persoonsgegevens voor een machtiging bij verzekerden met een privacyverklaring GGZ.23Het CBb heeft hierbij het belang van een goede taakvervulling van de zorgverzekeraars (zorginkoop en controle van geleverde prestaties) afgewogen tegen het privacybelang van individuele GGZ patiënten. Het CBb oordeelde dat het in de gespecialiseerde GGZ gaat om diagnoses die de kern van het privéleven van de betrokken persoon raken zodat informatie hierover zeer privacygevoelig is. En dat (...) vertrouwelijkheid en geheimhouding bij de behandeling van psychische klachten van groot belang zijn, CBb 8 maart 2012, JB 2012, 135, ro 2.4.4.3.De afweging die het CBB maakte tussen het belang van een goede taakvervulling van zorgverzekeraars en het privacybelang van individuele GGZ patiënten werkt door in de wijze waarop het noodzakelijkheidsvereiste van artikel 8 en artikel 23 van de Wbp moet worden toegepast. Ook hier moet deze afweging immers worden gemaakt. Het effect van deze uitspraak zou bovendien teniet worden gedaan als zorgverzekeraars door middel van een machtiging voorafgaand aan de behandeling alsnog diagnosegegeven van verzekerden opvragen. Het noodzakelijkheidsvereiste van de artikelen 8 en 21 van de Wbp, in samenhang bezien met de uitspraak van het CBb, noopt er daarom toe dat bij aanwezigheid van een privacyverklaring GGZ óók in het kader van een machtigingsaanvraag géén diagnosegegevens worden verwerkt.24Overigens is het wel mogelijk om – met inachtneming van de artikelen 7.2, derde lid, en 7.5 tot en met 7.9 van de Rzv – óók in gevallen waarin er sprake is van een privacyverklaring GGZ materiële controles uit te voeren.Het enkele feit dat er sprake is van privacyverklaringen GGZ is op zichzelf echter géén rechtvaardiging om materiële controles uit te voeren.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel