Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

Onderdeel van Aanwijzing afpakken· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2017

Een ontnemingsvordering als bedoeld in art. 36e Sr kan worden ingesteld in onderscheiden situaties. Een ontnemingsvordering wordt niet ingediend wanneer vaststaat dat de betrokken persoon geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben. Het enkele feit dat de betrokken persoon inkomsten op sociaal minimumniveau geniet, is geen reden om te veronderstellen dat hij/zij geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben. Het wederrechtelijk verkregen voordeel kan in voorkomende gevallen ook een rol spelen bij de bepaling van de strafmaat (afroomboete). Als dat het geval is, dan moet daarmee rekening worden gehouden bij een ontnemingsvordering. Uitgangspunt is dat een ontnemingsvordering wordt ingediend wanneer het verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van ten minste € 500. Het komen tot een effectieve interventie, al dan niet in het kader van een programmatische of probleemgerichte aanpak, kan reden zijn om af te wijken van dit uitgangspunt. De afdoening van economische- en milieudelicten vindt in zeer veel gevallen plaats aan de hand van transactie- en tarieflijsten. Bij het opstellen van de daarin opgenomen richtbedragen is primair rekening gehouden met de zwaarte van het geschonden belang dat de regeling beoogt te beschermen. Indien sprake is van een afroomboete, dan moet daar rekening mee worden gehouden bij de bepaling van de ontnemingsvordering. De Gemeentelijke Sociale Diensten en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen hebben een terugvorderingsbevoegdheid met betrekking tot ten onrechte ontvangen uitkeringen. Bij het bepalen van de ontnemingsvordering dient daarmee rekening te worden gehouden. In gevallen waarin deze terugvordering geheel of gedeeltelijk achterwege blijft, kan een ontnemingsvordering worden ingesteld. Voordeel dat uitsluitend is verkregen door het plegen van in fiscale wetgeving (de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), de Douanewet en de Wet op de accijns) strafbaar gestelde gedragingen wordt niet op grond van art. 36e Sr ontnomen (art. 74 AWR3N.B. In geval van strafbare feiten met betrekking tot toeslagen als voorzien in de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen kan het verkregen voordeel wél strafrechtelijk ontnomen worden. Het betreft hier immers geen fiscale delicten.). Ingevolge art. 94d lid 3 Sv kan de officier van justitie namens de Staat in het faillissement van de betrokkene al dan niet voorwaardelijk opkomen. Het OM kan ook zelf om redenen van openbaar belang het faillissement aanvragen, art. 1 van de Faillissementswet (Fw). Op grond van art. 4 lid 1 Fw kan het OM op zijn verzoek worden gehoord op de aangifte of het verzoek tot faillietverklaring. Het gebruik maken van deze bevoegdheid is aangewezen indien het OM over aanwijzingen van misbruik van het faillissementsrecht beschikt. Indien wederrechtelijk verkregen voordeel is verkregen en er sprake is van een benadeelde derde, dient het OM in beginsel een ontnemingsvordering in. Van het indienen van een ontnemingsvordering wordt slechts afgezien als de verdachte/veroordeelde de schade aan de benadeelde heeft vergoed en de hoogte van de schadevergoeding ten minste gelijk is aan het wederrechtelijk verkregen voordeel. Indien de schade niet is vergoed en het een actieve en weerbare benadeelde derde betreft die te kennen heeft gegeven via een civiele vordering bij de burgerlijke rechter verhaal te willen halen en diens vordering ten minste gelijk is aan het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, kan worden overwogen af te zien van het indienen van een ontnemingsvordering. Desalniettemin kan het in zo’n geval aangewezen zijn een ontnemingsvordering in te dienen, bijvoorbeeld in verband met behaald vervolgprofijt, de noodzaak tot het leggen van anderbeslag (zie §7) en het maatschappelijk belang dat is gediend met een ontnemingsvordering. Zo vroeg mogelijk in het opsporingsonderzoek dient op dit punt afstemming met de benadeelde derde plaats te vinden. In het geval de benadeelde derde tot civiel verhaal overgaat, wordt aan deze op diens verzoek de benodigde informatie verstrekt met inachtneming van de Aanwijzing Wet strafvorderlijke en justitiële gegevens. Onder wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verstaan de waarde waarmee het vermogen van de betrokken persoon als gevolg van het strafbare feit is toegenomen. Hiertoe behoren ook de uit die vermogensvermeerdering verkregen vruchten (vervolgprofijt). Verder kan het wederrechtelijk verkregen voordeel ook de waarde betreffen waarmee het vermogen als gevolg van een besparing van kosten niet is afgenomen. Bespaarde kosten zijn de niet gedane uitgaven voor de aanschaf van goederen en/of het verrichten van diensten voor eigen gebruik en kosten die noodzakelijkerwijs zouden moeten zijn gemaakt om de betreffende activiteiten legaal te kunnen uitvoeren, maar die nu niet gemaakt zijn. De officier van justitie die een strafzaak met een transactie wil afdoen kan aan de betrokken persoon daarbij de voorwaarde stellen aan de staat een geldbedrag te betalen of inbeslaggenomen voorwerpen over te dragen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 74 lid 2 Sr). Door de voldoening aan de bij de transactie gestelde voorwaarden vervalt het recht tot strafvervolging. Daarnaast voorziet de wet in de mogelijkheid om in de ontnemingszaak een schikking te treffen tot betaling van een geldbedrag of overdracht van voorwerpen aan de staat ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 511c Sv). Een aangegane schikking ex artikel 511c Sv betreft uitsluitend de ontnemingszaak, niet de strafzaak. Het via een transactie of een schikking te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel berust op een berekening. Bij de bepaling van het te ontnemen bedrag wordt rekening gehouden met het belang van het slachtoffer en wordt de proportionaliteit (het eventuele verschil tussen het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel en de hoogte van het bedrag dat wordt ontnomen) steeds voor ogen gehouden. De totstandkoming van een ontnemingsschikking of een transactie met een ontnemingscomponent van meer dan € 500.000 wordt in beginsel openbaar gemaakt via een persbericht. Hiermee wordt geanticipeerd op de – gegeven de aard van de zaken – onvermijdelijke maatschappelijke aandacht voor de zaak in kwestie. Bovendien dient een persbericht de generaal-preventieve werking van de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het persbericht noemt bij een transactie met ontnemingscomponent in ieder geval de naam van de verdachte met wie en de strafbare feiten ter zake waarvan wordt geschikt. Bij een ontnemingsschikking wordt in het persbericht verwezen naar het vonnis en legt het openbaar ministerie uit waarom het de getroffen schikking een passende afdoening vindt. De inhoud van het persbericht wordt vastgesteld door het openbaar ministerie.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel